Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-24
ECLI:NL:RBZWB:2025:2474
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,926 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5943 ZW
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T.P.A.W. Hanenberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
1.1
Het UWV heeft met het besluit van 31 mei 2024 (het primaire besluit) geweigerd per 23 april 2024 aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2
Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 10 september 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.
1.3
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser samen met [naam] (sociaal raadslid [plaats]) en de gemachtigde van het UWV.
1.5
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd per 23 april 2024. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser is werkzaam geweest als AR manager in de muzieksector voor 40 uur per week. Het dienstverband is in januari 2023 beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst. Van 1 februari 2023 tot en met 15 april 2024 ontving eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 23 april 2024 heeft eiser zich ziekgemeld vanwege psychische klachten.
4. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. De rechtbank stelt vast dat het werk als AR manager als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt. In geschil is of eiser op 23 april 2024, de datum van zijn ziekmelding, ongeschikt was voor het werk als AR manager.
5. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van het UWV op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Eiser is op 13 mei 2024 gezien door een arts van het UWV en op 15 juli 2024 door een verzekeringsarts b&b. Zij hebben eiser medisch onderzocht, waarbij onderzoek is gedaan naar zijn psychische klachten. De verzekeringsarts b&b heeft ook de informatie uit de door eiser overgelegde brief van zijn huisarts van 26 juni 2024 bij de beoordeling betrokken. Uit de medische rapporten blijkt dan ook dat de arts en de verzekeringsarts b&b op de hoogte waren van de door eiser gestelde psychische klachten.
6. De verzekeringsarts b&b heeft zorgvuldig gemotiveerd waarom hij tot de conclusie komt dat de klachten van eiser op 23 april 2024 niet dusdanig ernstig waren dat hij niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Uit eisers dagverhaal blijkt dat hij ondanks zijn psychische klachten in staat is om adequaat te functioneren. Daarnaast had eiser ook al psychische klachten op het moment dat hij nog wel werkzaam was als AR manager en uit de anamnese blijkt niet dat zijn klachten vanaf 2022 wezenlijk zijn veranderd. De huisarts schrijft in zijn brief van 26 juni 2024 ook dat de klachten van eiser hetzelfde zijn als in januari 2023. Verder heeft het UWV van belang mogen achten dat eiser tijdens een gesprek op 4 april 2024 in het kader van zijn WW-uitkering heeft aangegeven dat het goed met hem ging en dat hij bezig was met het opstarten van een eigen bedrijf. Daarmee valt moeilijk te rijmen dat hij op 23 april 2024 stelt niet tot werken in staat te zijn. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij tijdens de WW ook gesprekken heeft gehad bij het GGZ, maar dit blijkt niet uit het dossier. In het rapport van de verzekeringsarts b&b staat dat de behandeling daar uiteindelijk niet is gestart omdat eiser ervoor heeft gekozen naar het FIOM te gaan voor gesprekken in verband met zijn adoptieverleden. Verder heeft de verzekeringsarts b&b aan de hand van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ helder gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen. De conclusie luidt dan ook dat eiser op 23 april 2024 in staat moet worden geacht om zijn arbeid te verrichten in de volledige urenomvang van 40 uur.
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich tijdens de spreekuren van 13 mei 2024 en 15 juli 2024 niet gehoord voelde. Ook voelt hij zich niet serieus genomen met zijn klachten. Het enkele feit dat de arts en de verzekeringsarts b&b de door eiser ervaren klachten op een andere manier hebben gewogen dan hoe hij die ervaart, betekent echter niet dat het medische oordeel onzorgvuldig of onjuist is. Van belang zijn de medisch te objectiveren beperkingen. Eiser heeft niet met objectiveerbare medische stukken aangetoond dat zijn psychische klachten ernstiger waren dan de arts en de verzekeringsarts b&b hebben aangenomen. De in beroep door eiser overgelegde stukken van onder meer zijn huisarts, een sociaal makelaar en een [wijkprofessional] zeggen wel iets over hoe het momenteel met eiser gaat, maar niet over de situatie op 23 april 2024. Daarom kan deze informatie niet tot een ander oordeel leiden.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2025 door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer BRE 24/5942 VV.