Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-09
ECLI:NL:RBZWB:2025:2363
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,487 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11232182 \ CV EXPL 24-2578
Vonnis van 9 april 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 15 januari 2025 en de daarin vermelde stukken;
de akte uitlaten van [eiser] ;
de brief van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 15 januari 2025 en wat daarin is overwogen en beslist.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat het kostenbeding in de brief van 5 juni 2024 niet duidelijk en begrijpelijk is in de zin van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). De kantonrechter heeft overwogen dat zij voorshands van oordeel is dat het beding een oneerlijk beding is. [eiser] is in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over oneerlijkheid van het beding en om toe te lichten of voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst aan [gedaagde] informatie is verstrekt over het totaal aan kosten en wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zouden kunnen zijn, dan wel wat de verwachte tijdsbesteding was. [gedaagde] mocht daar vervolgens op reageren.
2.3.
[eiser] stelt dat hij vooraf geen raming van de werkzaamheden heeft gegeven aan [gedaagde] . Volgens [eiser] is het kostenbeding niettemin niet oneerlijk. Hij voert daarvoor de volgende omstandigheden aan: er was geen sprake van dwang of oneigenlijke druk op [gedaagde] , het uurtarief is niet op een oneerlijke of onbillijke wijze tot stand gekomen, het is marktconform en relatief laag en [gedaagde] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Verder stelt [eiser] dat [gedaagde] op een behoorlijk korte termijn van twee dagen een deugdelijk en onderbouwd advies heeft gekregen.
2.4.
De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn standpunt. [eiser] heeft vooraf geen informatie verstrekt aan [gedaagde] over de kosten, financiële gevolgen, dan wel de verwachte tijdsbesteding. Het kostenbeding geeft [eiser] daarom de vrijheid om onbeperkt uren te declareren, al zou het uurtarief marktconform of relatief laag zijn.
2.5.
De aangevoerde omstandigheid dat er geen dwang of druk op [gedaagde] was of de omstandigheid dat [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het uurtarief, maakt het bovenstaande niet anders. Het ontslaat [eiser] niet van zijn verplichting om [gedaagde] te informeren over de kosten, financiële gevolgen en de verwachte tijdsbesteding. Dat heeft [eiser] niet gedaan.
2.6.
Dat [eiser] een deugdelijk en onderbouwd advies heeft gegeven aan [gedaagde] en dat op een behoorlijk korte termijn, verandert evenmin dat hij heeft verzuimd om [gedaagde] te informeren over de kosten en de tijd. [eiser] was op grond van de opdracht gehouden om een deugdelijk en onderbouwd advies te geven en dat binnen de afgesproken of gepaste tijd.
2.7.
Alle omstandigheden afwegend oordeelt de kantonrechter dat aangezien het kostenbeding [eiser] de vrijheid geeft om onbeperkt uren te declareren en aangezien hij ook niet op een andere manier vooraf inzicht heeft gegeven aan [gedaagde] over de verwachte tijdsbesteding en kosten, leidt het kostenbeding tot een onevenredige verstoring van het evenwicht tussen partijen, ten nadele van [gedaagde] als consument. Het kostenbeding is daarom een oneerlijk beding.
2.8.
Aangezien het kostenbeding oneerlijk is, wordt het vernietigd (artikel 6:233 aanhef en sub a BW). Dit heeft als gevolg dat het kostenbeding geacht wordt nooit te hebben bestaan. Omdat een overeenkomst van opdracht met een opdrachtnemer die handelt in de uitoefening van een beroep niet kan bestaan zonder loon (artikel 7:405 lid 1 BW), betekent dit dat de gehele overeenkomst vervalt.
2.9.
[eiser] doet een beroep op de beperking van de sanctie tot 15%, onder verwijzing naar rechtspraak (ECLI:NL:HR:2022:861 en ECLI:NL:HR:2021:1667) en de landelijke Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten. Dat beroep faalt. [eiser] miskent dat de rechtspraak en richtlijn die hij aanhaalt, zien op de verplichting tot het delen van informatie die is genoemd in afdeling 6.5.2b BW. Dat ziet niet op de beoordeling of een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn die gaat over oneerlijke bedingen, hetgeen in deze zaak aan de orde is.
2.10.
Omdat de overeenkomst komt te vervallen, is er geen grond om te factureren. De vordering zal daarom worden afgewezen.
2.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.