Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-14
ECLI:NL:RBZWB:2025:2100
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,584 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/432352 / JE RK 25-341
Datum uitspraak: 14 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. van Vliet te Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2025;
het op 10 maart 2025 van de advocaat van de vader ontvangen emailbericht, met bijlage;
de op 13 maart 2025 van de advocaat van de vader ontvangen productie.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
twee vertegenwoordigsters van de GI;
de moeder en haar advocaat;
de vader en zijn advocaat.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 maart 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur met ingang van 15 maart 2024 tot 15 maart 2025.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat de huidige jeugdbeschermers zijn betrokken vanaf april 2024. Sinds de terugkeer van de moeder naar [woonplaats] met de kinderen wordt bij de moeder ambulante opvoedondersteuning vanuit [begeleiding] geboden. Er is met name ingestoken op de draagkracht en -last van de moeder, waarvan gebleken is dat die bij momenten niet in balans is. Met name het stellen van grenzen lukt de moeder minder goed. Dit maakt de situatie voor de kinderen onduidelijk en kan hun gevoel van veiligheid en stabiliteit aantasten. Dit komt niet voort uit een gebrek uit liefde of zorg voor de kinderen, maar uit de beperkte mentale ruimte die de moeder ervaart wegens onverwerkte emoties naar aanleiding van heftige gebeurtenissen uit het verleden. De moeder heeft daarvoor hulpverlening gezocht, zij staat op de wachtlijst voor individuele behandeling.
4.2.
Al tijdens de eerdere plaatsing van de kinderen in het gezinshuis is er ingezet op
contactherstel tussen hen en de vader door middel van omgangsbegeleiding en een NIKA-
traject. De opbouw van de contacten met de jongste twee kinderen heeft - om onduidelijke redenen - wat langer op zich laten wachten. Op 29 februari 2024 is door de Spoedeisende Zorg (SEZ) van Jeugdbescherming Brabant een verzoekschrift tot het vaststellen en wijzigen van de zorg- en opvoedtaken ingediend. In die zaak heeft de rechtbank bepaald - in zoverre onder wijziging van het co-ouderschapsplan van april 2021 - dat (a) de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wekelijks recht hebben op (begeleid) contact met elkaar gedurende minimaal drie uur, waarbij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling deze basisregeling verder vorm zal geven en uitbreiden en (b) dat de vader en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wekelijks recht hebben op (begeleid) contact met elkaar gedurende minimaal 30 minuten, waarbij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling deze basisregeling verder vorm zal geven en uitbreiden.
4.3.
Er is vervolgens voor de contacten met de kinderen begeleiding ingezet eveneens vanuit [begeleiding] . De vader ziet [minderjarige 2] en [minderjarige 1] elke woensdag uit school tot 18.00 uur. Hij haalt hen op uit school en zorgt ervoor dat zij om 18.00 uur terug bij de moeder zijn. Ook de overdrachten worden begeleid door [begeleiding] . Daarnaast is er begeleid contact tussen de vader en [minderjarige 4] en [minderjarige 3] iedere donderdag van 09.00 tot 13.00 uur. De moeder brengt de kinderen naar de vader en zij haalt hen ook weer op. Uit de evaluatiemomenten is gekomen dat de vader door de jeugdbeschermers in het contact als dwingend en in emotioneel opzicht als heftig en wisselend wordt ervaren. De vader krijgt daarvoor hulpverlening via [kliniek] . Het ontbreekt de betrokken jeugdbeschermers, ondanks herhaalde verzoeken aan de vader en aan de behandelaren, nog steeds aan voldoende zicht op de voortgang en de doelen van deze hulpverlening.
4.4.
Gezien wordt dat de interactie tussen de vader en de kinderen overwegend gunstig verloopt. In het contact met zijn kinderen laat hij tot nu toe - op een paar situaties na - een overwegend positief beeld zien. Wel is het de vraag in hoeverre de vader zijn emoties onder controle weet te houden wanneer er van een stresserende factor sprake is. Ook uit de vader zich negatief over de moeder en haar opvoedsituatie en laat hij blijken dat hij daar erg de focus op legt. De begeleider van de contacten heeft tevens ervaren dat de vader boos werd toen hij ontdekte dat de moeder te weinig/geen luiers had meegegeven. De begeleiding kan hierin mogelijk als buffer/extern geweten fungeren, opdat de vader zijn emoties zal kunnen reguleren.
4.5.
Met name het contact tussen de vader en de kinderen zorgt voor conflicten tussen de ouders. De vader wenst een co-ouderschapsregeling, terwijl de moeder een regeling voor zich ziet, waarin de vader geen zorgtaken op zich neemt maar hij met de kinderen één maal per week een dag iets leuks onderneemt. Ook is het voor de ouders geen optie meer gebleken om als vrienden met elkaar informatie uit te wisselen, nu dit onnodige frustraties en spanningen tot gevolg heeft. De GI acht het van groot belang dat de ouders zicht krijgen op wat de scheiding betekent voor de kinderen en dat zij in staat gaan zijn daarin het perspectief van de kinderen centraal te stellen. Daarnaast is het van belang dat de ouders meer inzicht krijgen in de destructieve patronen waarin zij met elkaar zijn geraakt en dat zij hulpverlening accepteren, bedoeld om daar uit te geraken. Over de zaken, die de ouders verdeeld houden, zouden er gezamenlijke gesprekken plaats kunnen vinden, waarbij er heldere afspraken worden gemaakt.
4.6.
Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en over hun gedrag. Onduidelijk is nog wat hier de oorzaak/oorzaken van is/zijn. Gedacht wordt in dat verband aan de ingrijpende gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt toen de ouders nog samen waren en/of de plaatsing in het gezinshuis, waardoor zij niet meer in hun vertrouwde omgeving konden zijn. Over de ontwikkeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn er op dit moment geen zorgen, echter kan de stress die de moeder tijdens haar laatste zwangerschap heeft ervaren bij hen op latere leeftijd leiden tot problemen op onder meer sociaal-emotioneel gebied. Ook zorgt de wisselvallige opstelling van de vader ervoor dat de hulpverlening twijfelt of hij emotioneel gezien over voldoende ruimte beschikt om aan zijn rol als vader daadwerkelijk vorm te geven.
4.7.
De GI concludeert op grond van het voorgaande dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn zorgen over de onveilig-heid die de oudste kinderen hebben ervaren, toen de ouders nog samen waren en de jongste kinderen mogelijk hebben gevoeld tijdens de zwangerschap. Het huiselijk geweld, de eerdere breuk tussen de ouders en het uitblijven van contact met hun vader. Ook heeft het plotselinge vertrek vanuit hun vertrouwde omgeving en het wonen binnen een zorginstelling hoe dan ook effect (gehad) op de kinderen. Ten aanzien van de jongste twee kinderen geldt dat zij gezien hun leeftijd nog erg afhankelijk zijn van hun verzorgers/opvoeders. Gelet op de gedragsproblemen die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laten zien is het van belang dat daarvoor de komende periode hulpverlening wordt ingezet. De vader heeft voor zichzelf individuele hulpverlening via [kliniek] . Aan de hand van de bevindingen van deze instantie zal nader worden onderzocht wat in het kader van het contact van hem met de kinderen logische vervolgstappen zijn. De moeder staat nog op de wachtlijst voor individuele hulpverlening, daarom onderzoekt de GI of er daarop enige druk kan worden uitgeoefend.
Beoordeling
6.1.
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel
1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten
hoogste een jaar.
6.2.
Naar het oordeel van de kinderrechter strekken de inhoud van de stukken en het besprokene ter zitting tot de overtuiging dat de doelstellingen voor een belangrijk deel nog niet zijn behaald. Er zijn ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] specifiek zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling en over hun gedrag. Er zijn ook nog zorgen over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , echter zien deze vooral op hun afhankelijkheid en daardoor kwetsbaarheid, gelet op hun jonge leeftijd en achtergrond. Het is daarom van belang dat de komende periode er verder op hulpverlening wordt ingezet om ervoor te zorgen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden kunnen verwerken en dat daarnaast gewerkt blijft worden aan een zorg- en opvoedsituatie, waarin voor alle kinderen veiligheid, bescherming en stabiliteit gewaarborgd is, zij een positief en stabiel contact met de vader kunnen hebben en de ouders in goed onderling vertrouwen en op respectabele wijze op ouderniveau met elkaar kunnen communiceren. Daarvoor is tevens nodig gebleken dat ieder van de ouders aan individuele hulpverlening voor zichzelf meewerkt, waar het de vader betreft is dit al het geval, de moeder staat daarvoor momenteel nog op de wachtlijst.
6.3.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengen voor de duur van een jaar.
6.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met ingang van 15 maart 2025 tot 15 maart 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/432352 / JE RK 25-341
Datum uitspraak: 14 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. van Vliet te Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2025;
het op 10 maart 2025 van de advocaat van de vader ontvangen emailbericht, met bijlage;
de op 13 maart 2025 van de advocaat van de vader ontvangen productie.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
twee vertegenwoordigsters van de GI;
de moeder en haar advocaat;
de vader en zijn advocaat.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 maart 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur met ingang van 15 maart 2024 tot 15 maart 2025.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat de huidige jeugdbeschermers zijn betrokken vanaf april 2024. Sinds de terugkeer van de moeder naar [woonplaats] met de kinderen wordt bij de moeder ambulante opvoedondersteuning vanuit [begeleiding] geboden. Er is met name ingestoken op de draagkracht en -last van de moeder, waarvan gebleken is dat die bij momenten niet in balans is. Met name het stellen van grenzen lukt de moeder minder goed. Dit maakt de situatie voor de kinderen onduidelijk en kan hun gevoel van veiligheid en stabiliteit aantasten. Dit komt niet voort uit een gebrek uit liefde of zorg voor de kinderen, maar uit de beperkte mentale ruimte die de moeder ervaart wegens onverwerkte emoties naar aanleiding van heftige gebeurtenissen uit het verleden. De moeder heeft daarvoor hulpverlening gezocht, zij staat op de wachtlijst voor individuele behandeling.
4.2.
Al tijdens de eerdere plaatsing van de kinderen in het gezinshuis is er ingezet op
contactherstel tussen hen en de vader door middel van omgangsbegeleiding en een NIKA-
traject. De opbouw van de contacten met de jongste twee kinderen heeft - om onduidelijke redenen - wat langer op zich laten wachten. Op 29 februari 2024 is door de Spoedeisende Zorg (SEZ) van Jeugdbescherming Brabant een verzoekschrift tot het vaststellen en wijzigen van de zorg- en opvoedtaken ingediend. In die zaak heeft de rechtbank bepaald - in zoverre onder wijziging van het co-ouderschapsplan van april 2021 - dat (a) de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wekelijks recht hebben op (begeleid) contact met elkaar gedurende minimaal drie uur, waarbij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling deze basisregeling verder vorm zal geven en uitbreiden en (b) dat de vader en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wekelijks recht hebben op (begeleid) contact met elkaar gedurende minimaal 30 minuten, waarbij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling deze basisregeling verder vorm zal geven en uitbreiden.
4.3.
Er is vervolgens voor de contacten met de kinderen begeleiding ingezet eveneens vanuit [begeleiding] . De vader ziet [minderjarige 2] en [minderjarige 1] elke woensdag uit school tot 18.00 uur. Hij haalt hen op uit school en zorgt ervoor dat zij om 18.00 uur terug bij de moeder zijn. Ook de overdrachten worden begeleid door [begeleiding] . Daarnaast is er begeleid contact tussen de vader en [minderjarige 4] en [minderjarige 3] iedere donderdag van 09.00 tot 13.00 uur. De moeder brengt de kinderen naar de vader en zij haalt hen ook weer op. Uit de evaluatiemomenten is gekomen dat de vader door de jeugdbeschermers in het contact als dwingend en in emotioneel opzicht als heftig en wisselend wordt ervaren. De vader krijgt daarvoor hulpverlening via [kliniek] . Het ontbreekt de betrokken jeugdbeschermers, ondanks herhaalde verzoeken aan de vader en aan de behandelaren, nog steeds aan voldoende zicht op de voortgang en de doelen van deze hulpverlening.
4.4.
Gezien wordt dat de interactie tussen de vader en de kinderen overwegend gunstig verloopt. In het contact met zijn kinderen laat hij tot nu toe - op een paar situaties na - een overwegend positief beeld zien. Wel is het de vraag in hoeverre de vader zijn emoties onder controle weet te houden wanneer er van een stresserende factor sprake is. Ook uit de vader zich negatief over de moeder en haar opvoedsituatie en laat hij blijken dat hij daar erg de focus op legt. De begeleider van de contacten heeft tevens ervaren dat de vader boos werd toen hij ontdekte dat de moeder te weinig/geen luiers had meegegeven. De begeleiding kan hierin mogelijk als buffer/extern geweten fungeren, opdat de vader zijn emoties zal kunnen reguleren.
4.5.
Met name het contact tussen de vader en de kinderen zorgt voor conflicten tussen de ouders. De vader wenst een co-ouderschapsregeling, terwijl de moeder een regeling voor zich ziet, waarin de vader geen zorgtaken op zich neemt maar hij met de kinderen één maal per week een dag iets leuks onderneemt. Ook is het voor de ouders geen optie meer gebleken om als vrienden met elkaar informatie uit te wisselen, nu dit onnodige frustraties en spanningen tot gevolg heeft. De GI acht het van groot belang dat de ouders zicht krijgen op wat de scheiding betekent voor de kinderen en dat zij in staat gaan zijn daarin het perspectief van de kinderen centraal te stellen. Daarnaast is het van belang dat de ouders meer inzicht krijgen in de destructieve patronen waarin zij met elkaar zijn geraakt en dat zij hulpverlening accepteren, bedoeld om daar uit te geraken. Over de zaken, die de ouders verdeeld houden, zouden er gezamenlijke gesprekken plaats kunnen vinden, waarbij er heldere afspraken worden gemaakt.
4.6.
Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en over hun gedrag. Onduidelijk is nog wat hier de oorzaak/oorzaken van is/zijn. Gedacht wordt in dat verband aan de ingrijpende gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt toen de ouders nog samen waren en/of de plaatsing in het gezinshuis, waardoor zij niet meer in hun vertrouwde omgeving konden zijn. Over de ontwikkeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn er op dit moment geen zorgen, echter kan de stress die de moeder tijdens haar laatste zwangerschap heeft ervaren bij hen op latere leeftijd leiden tot problemen op onder meer sociaal-emotioneel gebied. Ook zorgt de wisselvallige opstelling van de vader ervoor dat de hulpverlening twijfelt of hij emotioneel gezien over voldoende ruimte beschikt om aan zijn rol als vader daadwerkelijk vorm te geven.
4.7.
De GI concludeert op grond van het voorgaande dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 3] nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn zorgen over de onveilig-heid die de oudste kinderen hebben ervaren, toen de ouders nog samen waren en de jongste kinderen mogelijk hebben gevoeld tijdens de zwangerschap. Het huiselijk geweld, de eerdere breuk tussen de ouders en het uitblijven van contact met hun vader. Ook heeft het plotselinge vertrek vanuit hun vertrouwde omgeving en het wonen binnen een zorginstelling hoe dan ook effect (gehad) op de kinderen. Ten aanzien van de jongste twee kinderen geldt dat zij gezien hun leeftijd nog erg afhankelijk zijn van hun verzorgers/opvoeders. Gelet op de gedragsproblemen die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laten zien is het van belang dat daarvoor de komende periode hulpverlening wordt ingezet. De vader heeft voor zichzelf individuele hulpverlening via [kliniek] . Aan de hand van de bevindingen van deze instantie zal nader worden onderzocht wat in het kader van het contact van hem met de kinderen logische vervolgstappen zijn. De moeder staat nog op de wachtlijst voor individuele hulpverlening, daarom onderzoekt de GI of er daarop enige druk kan worden uitgeoefend.
Beoordeling
6.1.
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel
1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten
hoogste een jaar.
6.2.
Naar het oordeel van de kinderrechter strekken de inhoud van de stukken en het besprokene ter zitting tot de overtuiging dat de doelstellingen voor een belangrijk deel nog niet zijn behaald. Er zijn ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] specifiek zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling en over hun gedrag. Er zijn ook nog zorgen over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , echter zien deze vooral op hun afhankelijkheid en daardoor kwetsbaarheid, gelet op hun jonge leeftijd en achtergrond. Het is daarom van belang dat de komende periode er verder op hulpverlening wordt ingezet om ervoor te zorgen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden kunnen verwerken en dat daarnaast gewerkt blijft worden aan een zorg- en opvoedsituatie, waarin voor alle kinderen veiligheid, bescherming en stabiliteit gewaarborgd is, zij een positief en stabiel contact met de vader kunnen hebben en de ouders in goed onderling vertrouwen en op respectabele wijze op ouderniveau met elkaar kunnen communiceren. Daarvoor is tevens nodig gebleken dat ieder van de ouders aan individuele hulpverlening voor zichzelf meewerkt, waar het de vader betreft is dit al het geval, de moeder staat daarvoor momenteel nog op de wachtlijst.
6.3.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengen voor de duur van een jaar.
6.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met ingang van 15 maart 2025 tot 15 maart 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.