Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-14
ECLI:NL:RBZWB:2025:2078
Strafrecht
Op tegenspraak
4,785 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-063312-24
vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2025, waarbij de officier van justitie, mr. G. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet samen met een ander, een gaspistool, een hoeveelheid MDMA, hennephars en hennep, munitie, boksbeugels, busjes pepperspray en een vlindermes voorhanden heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de aangetroffen verdovende middelen (hennep en MDMA) in huis voor eigen gebruik waren en dat verdachte graag spullen verzamelt, zo ook de tenlastegelegde wapens en munitie. Verdachte heeft verklaard dat hij de schuur bij de woning verhuurde en dat daarom die ton in de schuur stond. Ook heeft hij verklaard dat hij wist dat in de ton wiet zat en dat hij voor het bewaren van de ton werd betaald met wiet. Hij wist niet dat in die ton ook MDMA zat.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangezien verdachte ten aanzien de tenlastegelegde feiten, met uitzondering van het voorhanden hebben van in totaal 3.144 gram pillen (MDMA) die in de schuur zijn aangetroffen, een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en tijdens de zitting van
31 maart 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen binnentreden (pagina 70 van het eind proces-verbaal);
- het proces-verbaal van bevindingen indicatief testen verdovende middelen (pagina 88 van het eind proces-verbaal);
- de rapporten van het NFI betreffende het onderzoek aan de verdovende middelen (pagina 165-171 van het eind proces-verbaal) ;
- het proces-verbaal van bevindingen Vuurwapen en Munitie (pagina 181 van het eind proces-verbaal);
- het proces-verbaal onderzoek wapens (4 boksbeugels) (pagina 197 van het eind proces-verbaal);
- het proces-verbaal onderzoek wapen (pepperspray) (pagina 200 van het eind proces-verbaal);
- het proces-verbaal onderzoek wapen (vlindermes) (pagina 203 van het eind proces-verbaal);
- het proces-verbaal onderzoek wapen (pepperspray) (pagina 206 van het eind proces-verbaal),
Betreffende de in een ton in de schuur bij de woning van verdachte en zijn partner aangetroffen pillen, bevattende MDMA, heeft verdachte verklaard dat een maat van hem een plekje in de schuur mocht gebruiken en dat die maat daar die ton heeft weggezet. Hij heeft verdachte ook in die ton laten kijken en verdachte heeft toen alleen wiet gezien. De afspraak met de maat was ook dat hij wiet in de ton zou bewaren in ruil voor wiet. Dit is ook zo door de partner van verdachte verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte ook heeft geweten of kon weten dat er pillen in die ton zaten en ook niet dat hij bewust het risico heeft aanvaard dat die pillen in die ton zaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met zijn partner 3.144 gram pillen (MDMA) voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de hierna onder 6 aan verdachte op te leggen straf.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk IWG, type Mod. 59, kaliber9 mm P.A. Knall zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
2op 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3op 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en een grote hoeveelheidhennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4op 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 35, peperpatronen en/of knalpatronen en een hagelpatroon van het kaliber 9 mm en/of 5,56 mm en/of .38 special voorhanden heeft gehad;
5op 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten boksbeugels heeft vervaardigd en voorhanden gehad;
6op 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, wapens van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten busjes pepperspray, zijnde telkens een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige,verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;
7op 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weteneen vlindermes voorhanden gehad;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 3 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte en zijn partner twee bijzondere mensen zijn die spullen verzamelen en uit nieuwsgierigheid verdovende middelen gebruiken. Voor wat betreft een op te leggen straf heeft de raadsman aangevoerd dat de eis van de officier van justitie opbouwend is.
6.3
Beoordeling
Verdachte heeft samen met zijn partner in hun woning een gaspistool, munitie, 4 boksbeugels, twee busjes pepperspray, een vlindermes en aanzienlijke hoeveelheden MDMA en hennep (ook in de schuur) voorhanden gehad. De rechtbank merkt daar uitdrukkelijk bij op dat zij, zoals hiervoor ook al onder 4.3.2 werd overwogen, bij de strafoplegging geen rekening houdt met de 3.144 gram pillen (MDMA) die in een ton in de schuur werden aangetroffen.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de combinatie van hetgeen werd aangetroffen, namelijk wapens en verdovende middelen, zorgelijk te noemen is. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat in de drugsscene het gebruik van geweld niet wordt geschuwd en dat de samenleving daarmee ook bijna dagelijks wordt geconfronteerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor het aanwezig hebben van deze goederen, waarbij zij gekeken heeft naar de aangetroffen hoeveelheden en waarbij is uitgegaan van de LOVS oriëntatiepunten, in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.
De rechtbank zal echter bij de strafbepaling ook rekening houden met het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 20 maart 2025. Uit dit advies blijkt dat verdachte langere tijd te kampen heeft met psychosociale problematiek (trauma) en hij inmiddels open staat voor hulpverlening. De reclassering is van mening dat een detentie een reeds goedlopend hulpverleningstraject zal doorkruisen. Ook zou daardoor de kans bestaan dat verdachte en zijn partner alsnog hun huis zullen verliezen. Op grond daarvan komt de reclassering met het strafadvies om aan verdachte een forse voorwaardelijke straf op te leggen als stok achter de deur.
Op grond van dit advies van de reclassering komt de rechtbank tot het oordeel dat het opleggen aan verdachte van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans niet opportuun is. Wel is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een langere werkstraf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank legt aan verdachte een hogere straf op dan aan zijn medeverdachte, nu hij een meer actieve rol heeft gespeeld bij de verwerving van de aangetroffen goederen. Gelet met name op de aangetroffen hoeveelheid hard- en softdrugs is de rechtbank van oordeel dat de maximale werkstraf van 240 uren passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, dit om verdachte er in de toekomst van te weerhouden om zich opnieuw aan dergelijke feiten schuldig te maken. De duur van die voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen op 6 maanden, hetgeen beduidend lager is dan door de officier van justitie gevorderd. De reden daarvan is dat de rechtbank van oordeel is dat 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf een voldoende stok achter de deur is, mede omdat verdachte en zijn medeverdachte nadrukkelijk hebben aangegeven zo’n domme fout nooit meer te zullen maken. Ook is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met een proeftijd van 2 jaren in plaats van 3 jaren, nu niet is gebleken dat zo’n lange proeftijd noodzakelijk is.
7Het beslag
7.1
De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot die voorwerpen.
Verder zijn die voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.
7.2
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien die voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
8De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III;
feit 5: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
feit 6: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;
feit 7: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag;
Beslag
- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 2 en 4 tot en met 56;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 en 3;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. P.A.M. Wijffels en
mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2025.
10Bijlage I
De tenlastelegging
1hij op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoomtezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen vancategorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een gaspistool, van het merk IWG, type Mod. 59, kaliber9 mm P.A. Knallzijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistoolvoorhanden heeft gehad;( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2hij op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoomtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkaanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid vaneen materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel3a van die wet;( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboekvan Strafrecht )
3hij op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoomtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkaanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid vanmeer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars enplantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen anderesubstanties zijn toegevoegd, en/ofeen (grote) hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gramhennep,zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet;( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboekvan Strafrecht )
4hij op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoomtezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten35, peperpatronen en/of knalpatronen en/of een hagelpatroon van het kaliber 9mm en/of 5,56 mm en/of .38 specialvoorhanden heeft gehad;( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
5hij op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoomtezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen vancategorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten boksbeugelsheeft vervaardigd en/of voorhanden gehad;( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )
6hij op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoomtezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,een wapens van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, teweten busjes pepperspray,zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige,verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffenvoorhanden heeft gehad;( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
7hij op of omstreeks 22 februari 2024 te [plaats] , gemeente Bergen op Zoomtezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weteneen vlindermes voorhanden gehad;( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )