Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:206
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,324 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6113
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 13 februari 2024 en het verzoek om een dwangsom van 17 juli 2024.
1.1.
Het beroep wegens niet tijdig beslissen is kennelijk niet-ontvankelijk. Het beroep dat ziet op de alsnog genomen dwangsombeschikking is kennelijk ongegrond. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk?
3. De heffingsambtenaar dient binnen 8 weken na het begin van het kalenderjaar een waardebeschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet WOZ af te geven.Belanghebbende heeft in zijn brief van 13 februari 2024 verzocht om de WOZ-beschikking 2024 vast te stellen op een bepaald bedrag. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2024 de waarde (op een hoger bedrag) vastgesteld.
3.1.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar met een brief van 17 juli 2024 in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft daar op 22 augustus 2024 op gereageerd middels een dwangsombeschikking. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
3.2.
Belanghebbende heeft bij brief van 16 augustus 2024 beroep ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem nog niet heeft beslist op de aanvraag van 13 februari 2024.
3.3.
De rechtbank overweegt dat als de brief van belanghebbende van 13 februari 2024 moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, dan is met de beschikking van 31 maart 2024 beslist op die aanvraag. Hieraan doet niet af dat de heffingsambtenaar ook ambtshalve gehouden is om de WOZ-beschikking vast te stellen. Door de WOZ-beschikking op een hoger bedrag vast te stellen dan is verzocht, is het verzoek van belanghebbende afgewezen. Van niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan is om die reden geen sprake. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
3.4.
Belanghebbende heeft verzocht een dwangsom toe te kennen. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar een dwangsombeschikking heeft genomen. Aan het beroep wegens niet tijdig beslissen op het verzoek om een dwangsom is daarom het procesbelang komen te ontvallen. Dat beroep is daarom ook kennelijk niet-ontvankelijk.
3.5.
De wet bepaalt dat het beroep mede betrekking heeft op de dwangsombeschikking, aangezien belanghebbende deze beschikking betwist. Daarvoor hoeft geen aparte (bezwaar) procedure te worden doorlopen. Omdat de ingebrekestelling is verzonden nadat de WOZ-beschikking is afgegeven, bestaat er geen recht op een dwangsom. Het verzoek om een dwangsom is daarom terecht afgewezen. Het beroep is in zoverre kennelijk ongegrond.
Conclusie
4. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is kennelijk niet-ontvankelijk. Het beroep dat ziet op de dwangsombeschikking is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep dat ziet op de dwangsombeschikking ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 17 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 24 van de Wet WOZ.
Artikel 4:19 van de Awb.