Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-04
ECLI:NL:RBZWB:2025:1946
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
9,550 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431144 / JE RK 25-145
Datum uitspraak: 4 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en over vaststelling van een contactregeling
in de zaken van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen de GI,
en
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag.
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. J.B. de Bree te Etten-Leur,
Als belanghebbende in de zaak betreffende de ondertoezichtstelling wordt bovendien aangemerkt, en informant in de zaak over de vaststelling van een contactregeling:
[de stiefvader]
, wonende in [woonplaats 2],
stiefvader van de minderjarigen.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2025;
het verweerschrift van mr. Geurts tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
de pleitnota van de GI.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de moeder over het gezag met het kenmerk C/02/430024 / FA RK 24-5965. Daarom heeft de rechtbank de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beiden een brief geschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter deze brieven voorgelezen. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
Bij beschikking van 3 mei 2017 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat het contact tussen de vader en de minderjarigen zal plaatsvinden overeenkomstig de aanwijzingen van de GI.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 maart 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 5 april 2024 verlengd tot 5 april 2025.
3De verzoeken
3.1.
De GI verzoekt primair de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Subsidiair verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden.
3.2.
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
Primair: afwijzing van het verzoek van de GI en toewijzing van zijn primaire zelfstandige verzoek, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (middels een opbouw) één keer in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 18.00 uur bij hem zullen verblijven;
Subsidiair: afwijzing van de verzoek van de GI en toewijzing van zijn subsidiaire zelfstandige verzoek, inhoudende dat de kinderrechter een (opbouwende) contactregeling tussen hem en beide minderjarigen zal vaststellen welke meer in hun belang kan worden geacht en meer in lijn is met de wensen van de vader.
4De standpunten
4.1.
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat tussen de ouders nog altijd geen rechtstreeks contact plaatsvindt. Ook met begeleiding is dit in het verleden uit de hand gelopen. De relatie tussen ouders bevat nog veel gevoeligheden.
Naar de mening van de GI heeft de vader te maken met moeilijk lerend niveau en emotie-regulatieproblematiek. Zonder de tussenkomst van de GI zal er al snel een onwerkbare situatie ontstaan. Bij de echtscheidingsprocedure heeft de rechter destijds bepaald dat de regie inzake de omgang tussen de vader en de kinderen bij de GI moet worden belegd. De vader heeft de sterke wens de omgang uit te breiden en onbegeleid te laten zijn en kan deze wens maar moeilijk bij de kinderen weghouden. Sinds voorjaar 2024 is de vader uit boosheid de begeleide omgang in het geheel niet meer nagekomen. De kinderen hebben de vader sindsdien niet meer gezien. Bij hervatting van de regeling is betrokkenheid van de GI noodzakelijk. Probleem is wel, aldus de GI, dat vele hulpverleningsinstanties inmiddels hun handen van de vader hebben afgetrokken omdat hij hun begeleiding niet accepteerde.
Vanwege hetgeen [minderjarige 1] in het verleden tussen haar ouders heeft meegemaakt heeft zij te maken met traumagevoeligheid. De behandeling die [minderjarige 1] daarvoor heeft gehad heeft resultaat gehad. Wel legt deze problematiek soms nog een druk op haar in de omgang met haar vader. [minderjarige 1] heeft lang te maken gehad met problemen in haar zelfvertrouwen, kende onzekerheid en kon impulsief reageren. Deze kwetsbaarheid vraagt van opvoeders een bovengemiddeld responsieve en sensitieve houding.
Een andere zorg over [minderjarige 1] is dat zij meldingen heeft gedaan van ervaren onveiligheid binnen het huidige gezin van de moeder, in die zin dat stiefvader ten opzichte van haar seksueel grensoverschrijdend gedrag zou hebben vertoont. Diagnostiek heeft geleid tot het urgente advies om systemische behandeling in te zetten, maar de moeder en stiefvader hebben dit afgehouden. De GI blijft hierover met ouders in gesprek. Voorlopig is afgesproken dat de moeder traumabehandeling volgt bij de GGZ. De systemische behandeling is daarmee nog niet geheel “van tafel”. Voor dit moment acht de GI de veiligheid in de gezinssituatie bij de moeder voldoende gewaarborgd.
[minderjarige 2] vertoonde in de schoolcontext langdurig gedragsproblemen en kampt met dyslexie. [minderjarige 2] ontvangt hiervoor extra ondersteuning op school, hetgeen vruchten afwerpt.
Om deze redenen verzoekt de GI primair een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden. Indien de kinderrechter oordeelt dat daar onvoldoende gronden voor zijn, verzoekt de GI de maatregel voor de duur van zes maanden te verlengen. Dit om binnen deze periode een borgingsplan te kunnen opstellen en de omgangssituatie met de vader te laten vaststellen bij de rechtbank.
4.2.
De vader beaamt dat er sinds het voorjaar van 2024 geen omgang tussen hem en de kinderen meer heeft plaatsgevonden. De vader voelde dat hem geen perspectief werd geboden tijdens de omgangscontacten. Volgens de vader ging hij daar aan onderdoor en heeft hij toen – tot zijn spijt – tijdelijk de omgang moeten stopzetten. Toen de vader er weer toe in staat was, werden er allerlei voorwaarden over het volgen van behandeling door vader gesteld. De vader ziet daar geen reden of meerwaarde toe, nu daar voor de stopzetting nooit over is gesproken. Volgens de vader weet hij zich vanuit zijn emoties wellicht niet altijd op de meest handige manier te uiten. Dit betekent volgens de vader echter nog niet dat bij hem sprake is van een moeilijk lerend niveau en emotieregulatie problematiek.
Dat de onderlinge communicatie tussen de ouders dringend verbeterd moet worden is volgens de vader duidelijk. De vader wil hier via een mediator of een traject aan werken, maar bij de moeder lijkt dat niet het geval te zijn. De vader heeft ook zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar betreurt ten zeerste dat toen hij zijn zorgen uitte over de thuissituatie bij de moeder dit niet werd opgepakt. De vader heeft het idee dat hij bij de GI “tegen een muur praat”. De vader verbaast zich erover dat er nu in het verzoek van de GI ineens wel geschreven wordt dat [minderjarige 1] verteld heeft over seksueel misbruik door stiefvader. De vader acht het niet in het belang van de minderjarigen dat zij – zonder hulpverlening in de thuissituatie – nog langer met hun moeder en haar partner in een huis wonen. De vader is van mening dat hij door de GI niet wordt gehoord en dat hij door de GI en de moeder teveel wordt tegengewerkt. In de optiek van de vader zal binnen het vrijwillige kader meer bereikt kunnen worden. Primair verzoekt de man daarom afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.
Subsidiair verzoekt de vader om toewijzing van dat verzoek voor de duur van drie maanden, met aanhouding van het overige gedeelte van het verzoek.
4.3.
Op grond van het in artikel 1:265g lid 2 jo. 1:377a van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verzoekt de vader daarnaast zelfstandig een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. Bij beschikking van 3 maart 2017 heeft de rechtbank in het kader van de echtscheidingsprocedure bepaald dat het contact tussen de vader en de kinderen overeenkomstig de aanwijzingen van de GI zal plaatsvinden. Deze beschikking is op 25 november 2020 door het Hof bekrachtigd.
Naar de mening van de vader is er sprake van gewijzigde omstandigheden, nu hij inmiddels al langere tijd verstoken blijft van enig contact met de kinderen en de GI onvoldoende inzet op herstel van het contact. Ter zitting verklaart de vader bereid te zijn om weer mee te gaan werken aan begeleide omgang, maar enkel met de garantie dat dat uitmondt in meer. Wat de vader betreft bestaan er geen zorgen over zijn thuissituatie met zijn partner en haar minderjarige kind.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor de verlenging van de ondertoezichtstelling zoals genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hierbij dat er nog steeds sprake is van bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Deze bedreigingen zien op de nog steeds aanwezige ouderstrijd en situatie dat het contact tussen de vader en de minderjarigen sinds het voorjaar van 2024 geheel verbroken is geraakt. Verder blijkt dat [minderjarige 2] op school gedragsproblemen laat zien en dat er door [minderjarige 1] zorgelijke signalen zijn geuit over seksueel grensoverschrijdend gedrag van stiefvader ten opzichte van haar. Zorgelijk is dat deze signalen “met de mantel der liefde” lijken te zijn bedekt, zelfs door de GI. Het lijkt er op dat voor de signalen die [minderjarige 1] heeft gegeven onvoldoende oog (meer) is. Naar het oordeel van de kinderrechter blijft voor al deze zorgen, ongeacht dat inmiddels sprake is van een vele jarenlang durende ondertoezichtstelling, de betrokkenheid van de GI noodzakelijk.
Weliswaar wil de vader verder in het vrijwillige kader, echter de kinderrechter is van oordeel dat het vrijwillige kader in deze onvoldoende kan bieden. Zo heeft de vader inmiddels al meer dan een jaar geen contact meer met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Een eventuele hervatting van het contact zal dan met professionele hulpverleners moeten worden opgepakt. De ouders zullen daar zelf niet uitkomen. Hierbij is gebleken dat de voor het gezin van de moeder benodigde systeembehandeling niet van de grond komt, terwijl de vader er groot belang aan hecht dat de kinderen bij de moeder een veilige thuissituatie wordt geboden. De kinderrechter begrijpt de zorg van de vader. Het moet dan eens temeer in het belang van de minderjarigen worden geacht, dat de GI toezicht blijft houden op hun opgroeien. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Op grond van het in artikel 1:265g lid 2 jo. 1:377a van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verzoekt de vader zelfstandig een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. Het Hof Den Haag heeft in de beschikking van 25 november 2020 reeds overwogen dat artikel 1:265g BW weliswaar is geschreven voor de situatie waarin sprake is van een op verzoek van de GI vastgestelde zorgregeling, maar dat dit artikel zich in deze zaak leent voor overeenkomstige toepassing. Net zoals het Hof in 2020 overwoog, overweegt de kinderrechter ook nu dat de vader deze procedure is gestart tegen de GI, dat de regie ten aanzien van de zorgregeling bij de GI ligt en dat partijen geen bezwaren hebben geuit tegen dit gehanteerde juridische kader. Bij de beoordeling van het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling op de voet van artikel 1:265g BW lid 2 BW dient bovendien eenzelfde toets plaats te vinden als bij de beoordeling van het verzoek op grond van artikel 1:253a lid 4 BW dan wel artikel 1:377e BW. Nagegaan moet worden of de omstandigheden na de vaststelling van de zorgregeling bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2017, welke is bekrachtigd door het Hof in 2020, zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.3.
Ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de vader om een weekendregeling ofwel een opbouwende contactregeling vast te stellen overweegt de kinderrechter allereerst, dat er na de vaststelling van de zorgregeling bij beschikking van de rechtbank Den Haag in 2017 sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zo is sinds het voorjaar van 2024 het contact tussen de vader en de minderjarigen verbroken. De kinderrechter is van oordeel dat dit een dusdanig relevante gewijzigde omstandigheid is, dat de vader in zijn verzoek kan worden ontvangen.
5.4.
De kinderrechter constateert dat de ondertoezichtstelling al in 2017 is uitgesproken en dat op grond van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2017 de contacten tussen de vader en de minderjarigen moeten plaatsvinden conform de aanwijzingen van de GI. Zoals reeds overwogen vindt er sinds het voorjaar van 2024 geen enkel contact meer plaats tussen de vader en de minderjarigen. De vader heeft dat contact toen zelf stopgezet, omdat hem geen perspectief werd geboden naar meer contact en onbegeleide contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De vader is daar boos over. Gezien echter het feit dat het contact tussen de vader en de minderjarigen al geruim een jaar verbroken is geraakt, is de kinderrechter van oordeel dat eventueel herstel van het contact alleen mogelijk is als hier professionele, gedwongen hulpverlening bij betrokken is. Het is terecht dat er bepaalde voorwaarden aan de vader worden gesteld. Het contact zal veilig moeten zijn. Herstel zal alleen mogelijk zijn als duidelijk is dat het contact niet wederom verbroken wordt. Het vrijwillige kader zal in deze onvoldoende kunnen bieden. De kinderrechter betrekt hierbij dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun brieven aan de kinderrechter hebben laten weten dat zij op dit moment niet openstaan voor omgangscontacten met hun vader. De kinderechter ziet geen redenen om aan de inhoud van deze briefjes te twijfelen. Ook de inhoud van de brieven maakt dat de zelfstandige verzoeken van de vader momenteel niet aan de orde kunnen zijn. Zijn verzoeken zullen daarom worden afgewezen.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 5 april 2025 tot 5 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst de (zelfstandige) verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Van Dongen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431144 / JE RK 25-145
Datum uitspraak: 4 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en over vaststelling van een contactregeling
in de zaken van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen de GI,
en
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag.
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. J.B. de Bree te Etten-Leur,
Als belanghebbende in de zaak betreffende de ondertoezichtstelling wordt bovendien aangemerkt, en informant in de zaak over de vaststelling van een contactregeling:
[de stiefvader]
, wonende in [woonplaats 2],
stiefvader van de minderjarigen.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2025;
het verweerschrift van mr. Geurts tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
de pleitnota van de GI.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Deze zaak hangt nauw samen met de zaak van de moeder over het gezag met het kenmerk C/02/430024 / FA RK 24-5965. Daarom heeft de rechtbank de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beiden een brief geschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter deze brieven voorgelezen. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
Bij beschikking van 3 mei 2017 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat het contact tussen de vader en de minderjarigen zal plaatsvinden overeenkomstig de aanwijzingen van de GI.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 maart 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 5 april 2024 verlengd tot 5 april 2025.
3De verzoeken
3.1.
De GI verzoekt primair de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Subsidiair verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden.
3.2.
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
Primair: afwijzing van het verzoek van de GI en toewijzing van zijn primaire zelfstandige verzoek, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (middels een opbouw) één keer in de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 18.00 uur bij hem zullen verblijven;
Subsidiair: afwijzing van de verzoek van de GI en toewijzing van zijn subsidiaire zelfstandige verzoek, inhoudende dat de kinderrechter een (opbouwende) contactregeling tussen hem en beide minderjarigen zal vaststellen welke meer in hun belang kan worden geacht en meer in lijn is met de wensen van de vader.
4De standpunten
4.1.
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat tussen de ouders nog altijd geen rechtstreeks contact plaatsvindt. Ook met begeleiding is dit in het verleden uit de hand gelopen. De relatie tussen ouders bevat nog veel gevoeligheden.
Naar de mening van de GI heeft de vader te maken met moeilijk lerend niveau en emotie-regulatieproblematiek. Zonder de tussenkomst van de GI zal er al snel een onwerkbare situatie ontstaan. Bij de echtscheidingsprocedure heeft de rechter destijds bepaald dat de regie inzake de omgang tussen de vader en de kinderen bij de GI moet worden belegd. De vader heeft de sterke wens de omgang uit te breiden en onbegeleid te laten zijn en kan deze wens maar moeilijk bij de kinderen weghouden. Sinds voorjaar 2024 is de vader uit boosheid de begeleide omgang in het geheel niet meer nagekomen. De kinderen hebben de vader sindsdien niet meer gezien. Bij hervatting van de regeling is betrokkenheid van de GI noodzakelijk. Probleem is wel, aldus de GI, dat vele hulpverleningsinstanties inmiddels hun handen van de vader hebben afgetrokken omdat hij hun begeleiding niet accepteerde.
Vanwege hetgeen [minderjarige 1] in het verleden tussen haar ouders heeft meegemaakt heeft zij te maken met traumagevoeligheid. De behandeling die [minderjarige 1] daarvoor heeft gehad heeft resultaat gehad. Wel legt deze problematiek soms nog een druk op haar in de omgang met haar vader. [minderjarige 1] heeft lang te maken gehad met problemen in haar zelfvertrouwen, kende onzekerheid en kon impulsief reageren. Deze kwetsbaarheid vraagt van opvoeders een bovengemiddeld responsieve en sensitieve houding.
Een andere zorg over [minderjarige 1] is dat zij meldingen heeft gedaan van ervaren onveiligheid binnen het huidige gezin van de moeder, in die zin dat stiefvader ten opzichte van haar seksueel grensoverschrijdend gedrag zou hebben vertoont. Diagnostiek heeft geleid tot het urgente advies om systemische behandeling in te zetten, maar de moeder en stiefvader hebben dit afgehouden. De GI blijft hierover met ouders in gesprek. Voorlopig is afgesproken dat de moeder traumabehandeling volgt bij de GGZ. De systemische behandeling is daarmee nog niet geheel “van tafel”. Voor dit moment acht de GI de veiligheid in de gezinssituatie bij de moeder voldoende gewaarborgd.
[minderjarige 2] vertoonde in de schoolcontext langdurig gedragsproblemen en kampt met dyslexie. [minderjarige 2] ontvangt hiervoor extra ondersteuning op school, hetgeen vruchten afwerpt.
Om deze redenen verzoekt de GI primair een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden. Indien de kinderrechter oordeelt dat daar onvoldoende gronden voor zijn, verzoekt de GI de maatregel voor de duur van zes maanden te verlengen. Dit om binnen deze periode een borgingsplan te kunnen opstellen en de omgangssituatie met de vader te laten vaststellen bij de rechtbank.
4.2.
De vader beaamt dat er sinds het voorjaar van 2024 geen omgang tussen hem en de kinderen meer heeft plaatsgevonden. De vader voelde dat hem geen perspectief werd geboden tijdens de omgangscontacten. Volgens de vader ging hij daar aan onderdoor en heeft hij toen – tot zijn spijt – tijdelijk de omgang moeten stopzetten. Toen de vader er weer toe in staat was, werden er allerlei voorwaarden over het volgen van behandeling door vader gesteld. De vader ziet daar geen reden of meerwaarde toe, nu daar voor de stopzetting nooit over is gesproken. Volgens de vader weet hij zich vanuit zijn emoties wellicht niet altijd op de meest handige manier te uiten. Dit betekent volgens de vader echter nog niet dat bij hem sprake is van een moeilijk lerend niveau en emotieregulatie problematiek.
Dat de onderlinge communicatie tussen de ouders dringend verbeterd moet worden is volgens de vader duidelijk. De vader wil hier via een mediator of een traject aan werken, maar bij de moeder lijkt dat niet het geval te zijn. De vader heeft ook zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar betreurt ten zeerste dat toen hij zijn zorgen uitte over de thuissituatie bij de moeder dit niet werd opgepakt. De vader heeft het idee dat hij bij de GI “tegen een muur praat”. De vader verbaast zich erover dat er nu in het verzoek van de GI ineens wel geschreven wordt dat [minderjarige 1] verteld heeft over seksueel misbruik door stiefvader. De vader acht het niet in het belang van de minderjarigen dat zij – zonder hulpverlening in de thuissituatie – nog langer met hun moeder en haar partner in een huis wonen. De vader is van mening dat hij door de GI niet wordt gehoord en dat hij door de GI en de moeder teveel wordt tegengewerkt. In de optiek van de vader zal binnen het vrijwillige kader meer bereikt kunnen worden. Primair verzoekt de man daarom afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.
Subsidiair verzoekt de vader om toewijzing van dat verzoek voor de duur van drie maanden, met aanhouding van het overige gedeelte van het verzoek.
4.3.
Op grond van het in artikel 1:265g lid 2 jo. 1:377a van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verzoekt de vader daarnaast zelfstandig een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. Bij beschikking van 3 maart 2017 heeft de rechtbank in het kader van de echtscheidingsprocedure bepaald dat het contact tussen de vader en de kinderen overeenkomstig de aanwijzingen van de GI zal plaatsvinden. Deze beschikking is op 25 november 2020 door het Hof bekrachtigd.
Naar de mening van de vader is er sprake van gewijzigde omstandigheden, nu hij inmiddels al langere tijd verstoken blijft van enig contact met de kinderen en de GI onvoldoende inzet op herstel van het contact. Ter zitting verklaart de vader bereid te zijn om weer mee te gaan werken aan begeleide omgang, maar enkel met de garantie dat dat uitmondt in meer. Wat de vader betreft bestaan er geen zorgen over zijn thuissituatie met zijn partner en haar minderjarige kind.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor de verlenging van de ondertoezichtstelling zoals genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hierbij dat er nog steeds sprake is van bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Deze bedreigingen zien op de nog steeds aanwezige ouderstrijd en situatie dat het contact tussen de vader en de minderjarigen sinds het voorjaar van 2024 geheel verbroken is geraakt. Verder blijkt dat [minderjarige 2] op school gedragsproblemen laat zien en dat er door [minderjarige 1] zorgelijke signalen zijn geuit over seksueel grensoverschrijdend gedrag van stiefvader ten opzichte van haar. Zorgelijk is dat deze signalen “met de mantel der liefde” lijken te zijn bedekt, zelfs door de GI. Het lijkt er op dat voor de signalen die [minderjarige 1] heeft gegeven onvoldoende oog (meer) is. Naar het oordeel van de kinderrechter blijft voor al deze zorgen, ongeacht dat inmiddels sprake is van een vele jarenlang durende ondertoezichtstelling, de betrokkenheid van de GI noodzakelijk.
Weliswaar wil de vader verder in het vrijwillige kader, echter de kinderrechter is van oordeel dat het vrijwillige kader in deze onvoldoende kan bieden. Zo heeft de vader inmiddels al meer dan een jaar geen contact meer met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Een eventuele hervatting van het contact zal dan met professionele hulpverleners moeten worden opgepakt. De ouders zullen daar zelf niet uitkomen. Hierbij is gebleken dat de voor het gezin van de moeder benodigde systeembehandeling niet van de grond komt, terwijl de vader er groot belang aan hecht dat de kinderen bij de moeder een veilige thuissituatie wordt geboden. De kinderrechter begrijpt de zorg van de vader. Het moet dan eens temeer in het belang van de minderjarigen worden geacht, dat de GI toezicht blijft houden op hun opgroeien. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Op grond van het in artikel 1:265g lid 2 jo. 1:377a van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verzoekt de vader zelfstandig een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. Het Hof Den Haag heeft in de beschikking van 25 november 2020 reeds overwogen dat artikel 1:265g BW weliswaar is geschreven voor de situatie waarin sprake is van een op verzoek van de GI vastgestelde zorgregeling, maar dat dit artikel zich in deze zaak leent voor overeenkomstige toepassing. Net zoals het Hof in 2020 overwoog, overweegt de kinderrechter ook nu dat de vader deze procedure is gestart tegen de GI, dat de regie ten aanzien van de zorgregeling bij de GI ligt en dat partijen geen bezwaren hebben geuit tegen dit gehanteerde juridische kader. Bij de beoordeling van het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling op de voet van artikel 1:265g BW lid 2 BW dient bovendien eenzelfde toets plaats te vinden als bij de beoordeling van het verzoek op grond van artikel 1:253a lid 4 BW dan wel artikel 1:377e BW. Nagegaan moet worden of de omstandigheden na de vaststelling van de zorgregeling bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2017, welke is bekrachtigd door het Hof in 2020, zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.3.
Ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de vader om een weekendregeling ofwel een opbouwende contactregeling vast te stellen overweegt de kinderrechter allereerst, dat er na de vaststelling van de zorgregeling bij beschikking van de rechtbank Den Haag in 2017 sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zo is sinds het voorjaar van 2024 het contact tussen de vader en de minderjarigen verbroken. De kinderrechter is van oordeel dat dit een dusdanig relevante gewijzigde omstandigheid is, dat de vader in zijn verzoek kan worden ontvangen.
5.4.
De kinderrechter constateert dat de ondertoezichtstelling al in 2017 is uitgesproken en dat op grond van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2017 de contacten tussen de vader en de minderjarigen moeten plaatsvinden conform de aanwijzingen van de GI. Zoals reeds overwogen vindt er sinds het voorjaar van 2024 geen enkel contact meer plaats tussen de vader en de minderjarigen. De vader heeft dat contact toen zelf stopgezet, omdat hem geen perspectief werd geboden naar meer contact en onbegeleide contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De vader is daar boos over. Gezien echter het feit dat het contact tussen de vader en de minderjarigen al geruim een jaar verbroken is geraakt, is de kinderrechter van oordeel dat eventueel herstel van het contact alleen mogelijk is als hier professionele, gedwongen hulpverlening bij betrokken is. Het is terecht dat er bepaalde voorwaarden aan de vader worden gesteld. Het contact zal veilig moeten zijn. Herstel zal alleen mogelijk zijn als duidelijk is dat het contact niet wederom verbroken wordt. Het vrijwillige kader zal in deze onvoldoende kunnen bieden. De kinderrechter betrekt hierbij dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun brieven aan de kinderrechter hebben laten weten dat zij op dit moment niet openstaan voor omgangscontacten met hun vader. De kinderechter ziet geen redenen om aan de inhoud van deze briefjes te twijfelen. Ook de inhoud van de brieven maakt dat de zelfstandige verzoeken van de vader momenteel niet aan de orde kunnen zijn. Zijn verzoeken zullen daarom worden afgewezen.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 5 april 2025 tot 5 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst de (zelfstandige) verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Van Dongen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.