Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-31
ECLI:NL:RBZWB:2025:1858
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,473 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6262
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser,
en
De Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over zijn recht op kinderbijslag voor zijn zoon [naam].
1.1.
Met het besluit van 24 mei 2023 (primair besluit) heeft de SVB aan eiser kinderbijslag toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2023. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. De SVB heeft dit bezwaar bij beslissing op bezwaar van 30 oktober 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van 15 mei 2024 heeft de rechtbank eisers beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 oktober 2024 vernietigd en de SVB opgedragen om een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaar. Met het bestreden besluit van 25 juni 2024 heeft de SVB gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en eisers bezwaar alsnog ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en namens de SVB mr. L.M.J.A. Hanssen deelgenomen.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
2.1
Het gaat om het recht op kinderbijslag voor eisers zoon [naam] over het vierde kwartaal van 2022 en het eerste kwartaal van 2023. Partijen zijn het erover eens dat [naam] vanaf 5 september 2022 bij eiser woont. Of dit gevolgen heeft voor het recht op kinderbijslag is afhankelijk van alle regels die daarvoor gelden. De rechtbank wijst erop dat soms de juridische werkelijkheid anders is dan de feitelijke werkelijkheid. De rechtbank moet uitgaan van de wet en andere regelingen, zoals de beleidsregels die de SVB hanteert. De beleidsregels over dit onderwerp zijn al sinds lange tijd goedgekeurd door de hoogste bestuursrechter, de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De rechtbank ziet geen reden om in dit geval daar anders over te denken.
2.2.
Het gaat hier om het hoofdverblijf. In beginsel heeft degene bij het kind het hoofdverblijf heeft, namelijk recht op kinderbijslag. De regels zeggen dat daarbij uitgegaan wordt van wat vast ligt in een beschikking van de rechtbank of een ouderschapsplan. Als de ouders er samen niet uitkomen en er geen beschikking of ouderschapsplan is, dan krijgen beide ouders ieder de helft. Maar in dit geval ligt er een ouderschapsplan waarin staat dat het hoofdverblijf bij de moeder is en dat de moeder recht heeft op kinderbijslag voor [naam]. Dus werd de kinderbijslag door de SVB aan de moeder betaald.
2.3.
De vraag is wat moet gebeuren als er in de praktijk van die beschikking of dat plan afgeweken wordt, zoals in dit geval. Dan zeggen de beleidsregels van de SVB dat als de afwijking zes maanden geduurd heeft, sprake is van een bestendige situatie. Dan wordt de kinderbijslag aangepast. Een uitzondering daarop is als de moeder instemt met wijziging van de kinderbijslag, maar anders wacht de SVB zes maanden. Dit is de regel en daarvan heeft de CRvB gezegd dat de SVB deze regel mag hanteren. Op 5 maart 2023 zouden die zes maanden dus om zijn. Maar voordat het 5 maart 2023 was, kwam de rechtbank op 24 januari 2023 met een beschikking waarin is vastgelegd dat [naam] zijn hoofdverblijf heeft bij zijn vader. Dus besloot de SVB dat eiser vanaf de eerste dag van het eerstvolgende kwartaal, dus vanaf 1 april 2023, recht heeft op kinderbijslag voor [naam].
2.4.
Dit betekent dat van 5 september 2022 tot 1 april 2023 de juridische werkelijkheid afweek van de feitelijke werkelijkheid. Hoe onrechtvaardig dit ook voelt voor eiser, de rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de SVB van de regels had moeten afwijken. Eiser zal voor de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2022 en het eerste kwartaal van 2023 bij zijn ex-partner moeten aankloppen.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
3.1
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.