Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-01
ECLI:NL:RBZWB:2025:1848
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,468 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3650
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft voor het jaar 2020 een beschikking ‘Niet in Nederland belastbaar inkomen’ (NiNbi) vastgesteld.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het NiNbi te hoog is vastgesteld.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het NiNbi niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft in 2020 vanuit Nederland een ouderdomspensioen van het ABP (het pensioen) ontvangen van € 28.056 en een AOW-uitkering van € 10.986.
3.1.
Belanghebbende heeft voor 2020 een opgaaf wereldinkomen gedaan van € 39.042, zijnde het pensioen en de AOW-uitkering. Daarnaast heeft belanghebbende een aftrek zorgkosten van € 957 opgegeven.
3.2.
De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 vastgesteld op € 39.042.
3.3.
De inspecteur heeft daarnaast een NiNbi-beschikking gegeven, waarbij het NiNbi is vastgesteld op negatief € 957. Dat is het verschil tussen het aangegeven (wereld)inkomen van € 38.085 en het in Nederland belastbare inkomen van € 39.042.
3.4.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV en tegen de NiNbi-beschikking omdat hij geen inkomen heeft dat niet in Nederland belastbaar is.
Beoordeling
4. De NiNbi-beschikking is bedoeld voor mensen die niet in Nederland wonen maar hier wel verzekerd zijn voor (onder meer) basiszorg en medisch noodzakelijke zorg. Zij hoeven geen premies te betalen in hun woonland maar wel een verdragsbijdrage aan het CAK in Nederland. De hoogte van die bijdrage is afhankelijk van de hoogte van het totale wereldinkomen. Hun Nederlandse inkomen is bij het CAK wel bekend maar het buitenlands inkomen niet. Om de hoogte van de verdragsbijdrage te kunnen berekenen, moet dus ook het niet in Nederland belastbare inkomen bekend zijn.
4.1.
Belanghebbende heeft alleen maar inkomen dat in Nederland belast is. Dat zou dan moeten leiden tot een NiNbi-beschikking van nul. Dat is niet gebeurd omdat de inspecteur die de NiNbi-beschikking vast heeft gesteld wel is uitgegaan van aftrek van zorgkosten, maar de inspecteur die de aanslag IB/PVV heeft vastgesteld niet. Dat is niet de bedoeling bij een NiNbi-beschikking, maar het is zo wel gegaan. Belanghebbende is hierdoor in elk geval niet slechter af dan hij zou zijn bij een NiNbi-beschikking van nul.
4.2.
Op de zitting heeft de inspecteur gezegd dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag IB/PVV en dat daarop inmiddels uitspraak op bezwaar is gedaan. Deze uitspraak kan leiden tot een wijziging van het op de NiNbi-beschikking vastgestelde inkomen maar de rechtbank weet niet of dat gaat gebeuren omdat zij niet over die uitspraak op bezwaar beschikt. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat het niet in Nederland belastbare inkomen nog lager wordt vastgesteld, de inspecteur heeft bij de NiNbi-beschikking immers de aangifte gevolgd.
4.3.
Dit alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het niet in Nederland belastbare inkomen bij de NiNbi-beschikking niet te hoog is vastgesteld. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de NiNbi-beschikking blijft bestaan. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 1 april 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
= het wereldinkomen € 39.042 minus de zorgkosten € 957.