Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-27
ECLI:NL:RBZWB:2025:1756
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,671 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1355 WMO VV
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.
Inleiding
1. Bij besluit van 12 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college besloten de maatwerkvoorziening individuele begeleiding die verzoeker op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ontving met ingang van 30 oktober 2024 te beëindigen.
1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gelaten.
Beoordeling
2. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Uit het bestreden besluit blijkt dat de beëindiging van verzoekers maatwerkvoorziening samenhangt met het besluit van 3 februari 2025 van het college tot ambtshalve uitschrijving van verzoeker per 30 oktober 2024 uit de Basisregistratie Personen (BRP). Tegen dat besluit heeft verzoeker eveneens bezwaar gemaakt en ook in dat kader heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 28 februari 2025 uitspraak gedaan op dat verzoek. Het verzoek is afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Daarbij is geoordeeld dat het feit dat verzoeker geen recht meer heeft op individuele begeleiding op grond van de Wmo geen spoedeisend belang oplevert, omdat hij inmiddels weer staat ingeschreven in de BRP en hij dus een nieuwe Wmo-aanvraag kan indienen. Daarnaast is geoordeeld dat de stelling van verzoeker dat hij de Wmo-zorg die is genoten in de maanden dat hij uitgeschreven was terug moet betalen evenmin spoedeisend belang oplevert. Verzoeker heeft namelijk niet gesteld dat hij niet tot (terug)betaling in staat is en er is bovendien nog geen sprake van een daadwerkelijke terugvordering(beschikking).
4. Gelet op de uitspraak van 28 februari 2025 is verzoeker in een brief van 10 maart 2025 verzocht het spoedeisend belang in deze procedure nader toe te lichten. Aan verzoeker is gevraagd of hij inmiddels een nieuwe Wmo-aanvraag heeft ingediend. In zijn reactie van 13 maart 2025 heeft verzoeker gesteld dat hij dit nog niet gedaan heeft, omdat er dan een gat blijft van 30 oktober 2024 tot aan de nieuwe beschikking. Daarnaast zal een nieuw besluit worden gebaseerd op de nieuwe verordening en is het dan maar de vraag of hij de uren weer toegekend krijgt, voor hoe lang en tegen welk tarief. Ook ziet hij op tegen een nieuwe medische keuring. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hierin geen spoedeisend belang gelegen bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker is per 19 februari 2025 weer ingeschreven in de BRP en kan dus kan een nieuwe Wmo-aanvraag indienen. Dat hij dit om hem moverende redenen niet doet, dient voor zijn rekening en risico te komen. Daarbij komt dat het college in zijn verweerschrift heeft aangegeven dat hij bereid is een eventuele melding van verzoeker met voorrang in behandeling te nemen. In deze procedure kan niet vooruitgelopen worden op wat er al dan niet zal worden toegekend door het college.
5. In de brief van 10 maart 2025 is ook gevraagd of verzoeker stukken kan overleggen om aan te tonen dat er inmiddels sprake is van een terugvordering(beschikking) en stukken waaruit blijkt dat hij niet in staat is tot terugbetaling. In reactie daarop heeft verzoeker aangegeven dat hij nog geen terugvorderingsbeschikking heeft ontvangen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker ook geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij een eventuele terugvordering niet kan terugbetalen. Ook dit levert daarom geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening op.
6. Tot slot is verzoeker in de brief van 10 maart 2025 gevraagd of hij op dit moment nog Wmo-zorg ontvangt en zo niet, welke concrete gevolgen dit voor hem heeft gehad. In zijn reactie heeft verzoeker gesteld dat hij nog altijd zorg van zijn zorgverlener ontvangt, maar minder dan wat hij aantoonbaar nodig heeft. Daarnaast krijgt hij de zorg die hij wel ontvangt niet vergoed, waardoor hij inteert op zijn spaargeld. Dat gaat hij geen maanden meer volhouden Ook hierin ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker is immers niet verstoken van zorg en de stelling dat hij minder zorg ontvangt dan hij nodig heeft, is niet nader onderbouwd. Ook blijkt hieruit niet dat hij verkeert in een financiële noodsituatie. Verder heeft het college in zijn verweerschrift gesteld dat de hoorzitting in bezwaar staat gepland op 27 maart 2025. Gelet op de korte termijn waarop de hoorzitting zal plaatsvinden en de te verwachten besluitvorming daarna, valt niet in te zien waarom verzoeker de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten.
Conclusie
7. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen als kennelijk ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 27 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBZWB:2025:1277.