Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:1726
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
807 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1354
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op een brief van verzoekers gericht tegen een besluit van het college. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
2. Verzoekers hebben een bezwaarschrift ingediend bij de rechtbank in een envelop, ter adressering van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft op 5 maart 2025 verzoekers verzocht om kenbaar te maken of zij hebben bedoeld een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen of hebben bedoeld om het bezwaarschrift enkel ter kennisgeving toe te zenden aan de voorzieningenrechter. Verzoekers hebben hierop niet gereageerd. Volledigheidshalve gaat de voorzieningenrechter ervanuit dat verzoekers hebben bedoeld een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.
2.1.
Verzoekers hebben verder geen besluit overgelegd, het verzoek/bezwaar niet ondertekend en geen volledig adres opgegeven. Hiermee hebben verzoekers niet voldaan aan de formele vereisten voor het indienen van een verzoekschrift. Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard indien niet wordt voldaan aan die formele vereisten, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. De voorzieningenrechter heeft verzoekers bij brief van 5 maart 2025 verzocht om binnen één week het verzuim te herstellen. Verzoekers hebben ook hierop niet gereageerd.
Conclusie
2. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. "T.A.A. van Hooijdonk", griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 6:5, in samenhang met 8:81, vierde lid, van de Awb.
Artikel 6:6, onder a, in samenhang met 8:81, vierde lid, van de Awb.