Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-27
ECLI:NL:RBZWB:2025:1722
Bestuursrecht; Mededingingsrecht
Voorlopige voorziening
1,189 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1639
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster] tegen de gunningsbeslissing Europese aanbesteding Persoonlijke Gezondheidsomgeving van de minister van 21 januari 2025 (hierna: de gunningsbeslissing). [verzoekster] heeft ook bezwaar gemaakt tegen de gunningsbeslissing.
1.1.
Beoordeling
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom zij kennelijk onbevoegd is.
Beoordeling
2. In een eerdere uitspaak heeft de voorzieningenrechter al uitgesproken dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het geschil, omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
2.1.
[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter opnieuw verzocht om in dezelfde zaak een voorlopige voorziening te treffen. Dit is mogelijk als er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Als nieuw feit heeft [verzoekster] aangevoerd dat de minister haar op 25 februari 2025 een brief heeft gestuurd als reactie op het door haar ingediende bezwaarschrift, waarin staat dat zij een voorlopige voorziening in kan dienen. Verder heeft zij een in de vorige procedure ingediend aanvullend verzoekschrift bijgevoegd dat wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling is gelaten. Verder zijn alle toegevoegde documenten van voor de datum van de zitting van de vorige zaak en daarmee geen nieuwe feiten of omstandigheden.
2.2.
Het opnieuw indienen van een aanvullend verzoekschrift is geen nieuw feit of omstandigheid. Het opnieuw verzoeken om een voorlopige voorziening dient niet als verkapt beroep waarin nieuwe argumenten ingebracht kunnen worden. Alleen daadwerkelijk nieuwe feiten en omstandigheden kunnen worden meegenomen bij de beoordeling of alsnog een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
2.3.
De brief van 25 februari 2025 van de minister kan wel als nieuw feit gelden. De brief is gedateerd op de datum van de zitting en uitspraak van de voorgaande zaak. Het is daarmee aannemelijk dat [verzoekster] die brief nog niet had ten tijde van die zitting en de mondelinge uitspraak.
2.4.
De voorzieningenrechter ziet in de brief geen reden om af te wijken van haar eerdere oordeel dat de gunningsbeslissing geen besluit is in de zin van de Awb. Het betreft hier een standaard verdagingsbesluit, waarin kennelijk standaard wordt gewezen op de mogelijkheid om om een voorlopige voorziening te verzoeken. Een dergelijke brief van de minister is niet bepalend voor de vraag of er sprake is van een besluit in de zin van de Awb. Hierin is verder ook geen motivering opgenomen die stelt dat de gunningsbeslissing wel een besluit zou zijn. Er is daarom geen aanleiding voor een ander oordeel dan de voorzieningenrechter bij uitspraak van 25 februari 2025 al heeft gegeven.
Conclusie
3. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te behandelen. De voorzieningenrechter komt daarom niet toe aan de beoordeling van het spoedeisend belang of aan een inhoudelijk oordeel over de gunningsbeslissing.
4. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, is [verzoekster] geen griffierecht verschuldigd.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier op 27 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1041.
Zie voetnoot 1.