Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-15
ECLI:NL:RBZWB:2025:172
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,200 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: 25/122 WVW
uitspraak van voorzieningenrechter van 15 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H.L.J.M. van Grinsven),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.
Inleiding
1. Verzoeker heeft tegen de beslissing op bezwaar (bestreden besluit) van het CBR van 27 juni 2024 beroep ingesteld. Op 13 januari 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling
3. Aan verzoeker is een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) opgelegd. Deze EMG houdt in dat verzoeker een cursus verantwoord rijgedrag moet volgen. Met de brief van 15 oktober 2024 is verzoeker uitgenodigd voor deze cursus. De cursus bestaat uit 3 dagdelen en wordt gehouden op 16 januari 2025, 22 januari 2025 en 11 februari 2025.
4. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onjuist is en dat het besluit van het CBR geen enkel doel dient. Verzoeker heeft aan de voorzieningen-rechter gevraagd om het bestreden besluit te schorsen. Daarbij heeft hij aangegeven dat de belangen van het CBR niet opwegen tegen zijn belangen.
5. Uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat verzoeker eerder ook al aan het CBR heeft gevraagd om uitstel voor het volgen van de cursus. Met het e-mailbericht van 24 september 2024 is aan verzoeker eenmalig, uit coulance, uitstel verleend. In die e-mail is tevens aangegeven dat in het vervolg geen uitstel zal worden verleend. Indien verzoeker de volgende keer verhinderd is voor het volgen van de cursus, zal er een inhoudelijk bewijs van de verhindering getoond moet worden. Daarbij is opgemerkt dat het willen afwachten van een uitspraak van de rechtbank geen geldige reden voor verhindering is.
6. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is op 13 januari 2025 ingediend. Gelet op feit dat de cursus al op 16 januari 2025 aanvangt, is het voor de voorzieningenrechter niet mogelijk om op inhoudelijke gronden het verzoek te beoordelen.
De voorzieningenrechter zal daarom geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven, maar volstaan met een belangenafweging.
7. Verzoeker heeft, buiten zijn stelling dat het bestreden besluit onjuist is en dat de EMG geen enkel doel dient, niet aangegeven om welke redenen het bezwaarlijk is voor hem om de cursus te volgen. Verzoeker heeft ook niet gesteld dat hij om enige zwaarwegende reden verhinderd is om de cursus op voornoemde dagen te volgen. Het belang van het CBR is de bevordering van de verkeersveiligheid en een organisatorisch belang. Verzoeker is immers al ingedeeld op de cursus en het ligt niet in de verwachting dat op deze korte termijn nog een andere cursist de plaats van verzoeker kan innemen.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van het CBR zwaarder moet wegen dan het belang van verzoeker. Het is begrijpelijk dat verzoeker er problemen mee heeft om de cursus te volgen nu hij het niet eens is met het bestreden besluit. Het enkele feit echter dat verzoeker nu een cursus moet volgen waarvan hij het nut niet inziet, is onvoldoende om een zwaarwegend belang aan te nemen. Bij dit oordeel is tevens betrokken dat verzoeker uit het e-mailbericht van 24 september 2024 had kunnen en moeten begrijpen dat niet nogmaals uitstel verleend zal worden voor het volgen van de cursus. Nu de uitnodigingsbrief voor de cursus al op 15 oktober 2024 is verzonden, had het in de rede gelegen dat verzoeker, tijdig een verzoek om een voorlopige voorziening zou indienen. In ieder geval zo tijdig dat de voorzieningenrechter het verzoek op inhoudelijke gronden zou kunnen beoordelen. Dat verzoeker eerst nog heeft geprobeerd om via het CBR uitstel van de cursus te vragen doet daar niet aan af.
9. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 15 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.