Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:1715
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,091 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/4984, 24/4985 en 24/5284 tot en met 24/5289
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens hem niet op tijd heeft beslist op de brief van 9 februari 2024. In deze brief heeft belanghebbende verzocht om bij voor bezwaar vatbare beschikking aan hem compensatie toe te kennen voor de jaren 2012 tot en met 2019 op grond van de Wet compensatie wegens selectie aan de poort (de Wet).
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of belanghebbende beroep wegens niet tijdig beslissen door de inspecteur op zijn brief van 9 februari 2024 kon instellen en, zo ja, wat daar de gevolgen van zijn. Voordat de rechtbank daarop ingaat, gaat de rechtbank eerst in op de Wet en de totstandkoming daarvan.
Compensatie op grond van de Wet
2.2.
De inspecteur kent op grond van de Wet ambtshalve een compensatie toe aan een belanghebbende, indien hij vaststelt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. Een aangifte van de belanghebbende over de kalenderjaren 2012 tot en met 2019 na een geautomatiseerde zoekopdracht naar uitgaven voor specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of aftrekbare giften als bedoeld in artikel 6.32 van die wet is geselecteerd voor een handmatige beoordeling;
b. De selectie, bedoeld in onderdeel a, heeft geleid tot intensief toezicht als gevolg van de selectienorm;
c. De aanslag niet is vastgesteld overeenkomstig het verzamelinkomen dat volgt uit de aangifte en hierdoor sprake is van een hoger verzamelinkomen dan dat volgt uit de aangifte; en
d. Voor de selectie, bedoeld in onderdeel a, geldt dat niet aannemelijk is dat die heeft plaatsgevonden op grond van criteria die relevant, geschikt en objectief gerechtvaardigd zijn als het gaat om het heffen en invorderen van verschuldigde inkomstenbelasting en is gebleken dat de selectie voor de handmatige beoordeling niet ook zou hebben plaatsgevonden binnen de reguliere selectiemodule van de Belastingdienst op grond van een relevant risico op onjuistheden in de aangifte en hetgeen relevant, geschikt en objectief gerechtvaardigd is als het gaat om het heffen en invorderen van verschilde inkomstenbelasting.
2.3.
Deze compensatie wordt vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Als wel is voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden a, b en c, maar op grond van de Wet geen compensatie wordt toegekend, dan wordt dit ook vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Op deze beschikkingen zijn de regels voor bezwaar en beroep in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing. Aangiften waarbij geen sprake is van een code 1043 in het redenveld van de Uitworp Gewenst na selectie vanuit de specifieke zorgkosten-query en/of giftenaftrek-query worden niet ambtshalve opnieuw beoordeeld op de aanwezigheid van een fiscale selectiegrond.
2.4.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat gekozen is om de beschikkingen ambtshalve toe te kennen, zodat de belastingplichtige daar niet zelf om hoeft te verzoeken en de gevolgen voor het doenvermogen van die belastingplichtige zo beperkt mogelijk blijven. De wetgever heeft beoogd een systeem op te zetten waarbij het de belastingplichtige zo makkelijk mogelijk wordt gemaakt zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de positie van de belastingplichtige. Weliswaar worden de beschikkingen ambtshalve vastgesteld, maar er moet wel inzicht worden gegeven in de opbouw van de compensatie dan wel de redenen van afwijzing van de compensatie. Ook is rechtsbescherming geboden door de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen de beschikkingen open te stellen.
Is sprake van een aanvraag waarop de inspecteur moet beslissen?
3. Belanghebbende heeft in de brief van 9 februari 2024 verzocht om bij voor bezwaar vatbare beschikking een compensatie als bedoeld in artikel 2 van de Wet toe te kennen. De inspecteur is van mening dat deze beschikking enkel ambtshalve kan worden afgegeven en niet op aanvraag. De brief van belanghebbende kan daarom volgens hem niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Een beroep wegens niet tijdig beslissen op die brief is dan niet mogelijk.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat de wetgever de toepassing van de Awb niet heeft uitgesloten in de Wet. Hij heeft juist de AWR (een verbijzondering van de Awb) deels op de beschikkingen van toepassing verklaard. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat de Awb van toepassing is. Uit de systematiek van de Awb volgt dat indien een ambtshalve beslissing een beschikking is, het verzoek van een belanghebbende om een zodanige beschikking te nemen een aanvraag is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat in de Wet is bepaald dat de inspecteur ambtshalve een besluit kan nemen om de compensatie toe te kennen, sluit niet uit dat daartoe door een belanghebbende ook een aanvraag kan worden gedaan.
3.2.
Voorgaande betekent dat de brief van 9 februari 2024 moet worden aangemerkt als een aanvraag waarop de inspecteur moet beslissen.
Kan beroep wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag worden ingesteld bij de belastingrechter?
3.3.
Hoewel sprake is van een aanvraag, wil dit nog niet zeggen dat ook bezwaar en beroep bij de belastingrechter openstaan. In het stelsel van de AWR leidt niet elke aanvraag tot een besluit waartegen een rechtsmiddel openstaat. De aanvraag moet zien op een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit geldt ook als het gaat om een beroep dat is ingesteld omdat volgens de belanghebbende niet tijdig is beslist op de aanvraag.
3.4.
Belanghebbende verzoekt om compensatie op grond van de Wet. In de Wet is bepaald dat als aan de onder 2.2 vermelde voorwaarden a, b en c is voldaan, de beslissing om al dan niet compensatie te verlenen bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt genomen. In beginsel staat daarom beroep open bij de belastingrechter. De rechtbank is van oordeel dat dit ook het geval is als de inspecteur van mening is dat niet aan de genoemde voorwaarden is voldaan. In dat geval zal de inspecteur weigeren om een voor bezwaar vatbare beschikking te nemen. Een dergelijke weigering om een besluit te nemen, wordt gelijk gesteld aan een besluit.In bezwaar en beroep daartegen kan worden beoordeeld of aan de voorwaarden is voldaan en of de inspecteur terecht heeft geweigerd om een voor bezwaar vatbare beschikking te nemen.
3.5.
De belastingrechter is dus bevoegd om kennis te nemen van het geschil. Een andere opvatting verhoudt zich ook lastig met de achtergrond van de Wet die mede is gericht op laagdrempelige rechtsbescherming voor een belastingplichtige. Immers, een belastingplichtige die – mogelijk ten onrechte – niet ambtshalve een beschikking ontvangt, zou dan geen rechtsmiddelen kunnen aanwenden bij de belastingrechter. Diegene zou zich dan dienen te wenden tot de burgerlijke rechter waar een ander rechtskader geldt en mogelijk verplichte procesvertegenwoordiging met bijbehorende kosten aan de orde is. Dit zou dan het (naar het oordeel van de rechtbank onwenselijke) gevolg hebben dat alleen voor degenen waarvoor de inspecteur aanleiding ziet om een (afwijzende) beschikking aan af te geven, rechtsbescherming bij de belastingrechter openstaat.
Is sprake van niet tijdig beslissen op de aanvraag?
3.6.
Belanghebbende heeft de aanvraag ingediend op 9 februari 2024. In de Wet is geen termijn opgenomen waarbinnen de inspecteur op deze aanvraag moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. De inspecteur had dus uiterlijk op 22 maart 2024 moeten beslissen. Belanghebbende heeft de inspecteur op 8 april 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Conclusie
4. De beroepen wegens niet tijdig beslissen zijn niet-ontvankelijk, omdat het procesbelang bij die beroepen is komen te vervallen. De rechtbank draagt de inspecteur op om het nader stuk van belanghebbende van 19 juli 2024 in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de brief van 11 juli 2024.
Omdat terecht beroep is ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- draagt de inspecteur op om het nader stuk van belanghebbende van 19 juli 2024 in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de brief van 11 juli 2024;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, leden, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 25 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Artikel 6:12 van de Awb.
Artikel 2 van de Wet.
Artikel 3, lid 1, van de Wet.
Artikel 7 van de Wet.
Artikel 3, lid 2, van de Wet, bij een afwijzende beschikking in samenhang met artikel 7 van de Wet.
Kamerstukken II 2023-2024, 36.424, nr. 3 (MvT), p. 6.
Kamerstukken II 2023-2024, 36.424, nr. 3 (MvT), onder meer blz. 4, 6, 8, 10, 17, 21 en 22.
Vgl. ABRvS 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1508 en Hoge Raad (Civiele kamer) 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:134.
Artikel 26, lid 1, aanhef en onder b, van de AWR.
Artikel 6:2, onder a, van de Awb.
Vgl. Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505, r.o. 2.6.1.
Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb.
Artikel 6:2, onder a, van de Awb.
Artikel 4:19 van de Awb,