Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:1644
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Wraking
1,320 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
te [plaats] ,
verder ook te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr. H.C. Egger-van Oppen te Vlieringsbeek.
1Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met zaaknummer C/02/419497 FA RK 24-867;
- het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak op 20 februari 2025 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek;
- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 12 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van, mr. Bollen (hierna te noemen: de rechter), belast met de behandeling van de zaak met nummer C/02/419497 FA RK 24-867.
2.2.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
3De gronden van het wrakingsverzoek
Verzoeker voert, kort weergegeven, aan dat hij tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwezigheid van twee politieagenten in de zittingszaal. De nadere toelichting van de rechter heeft de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van de rechter niet weggenomen. Uit het proces-verbaal volgt dat (de gemachtigde van) verzoeker de wrakingsgrond als volgt heeft geformuleerd: “Onderdeel van uw inschatting om een veiligheidsmelding te doen zijn de in het dossier genoemde aantijgingen van de vrouw richting de man over agressie. Wij bestrijden dat. Als u op basis van dit dossier als rechter een veiligheidsrisico ziet, dan heeft u al een oordeel gevormd. Daarom heb ik gegronde redenen om te twijfelen aan uw partijdigheid.”
4Het standpunt van de rechter
De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij een risicomelding heeft gemaakt op basis van alle informatie in het dossier, waaronder het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechter heeft toegelicht dat het van belang is dat alle procesdeelnemers zich comfortabel en veilig voelen tijdens de mondelinge behandeling. Dit kon gerealiseerd worden door de aanwezigheid van twee politieagenten in de zaal. Deze beslissing maakt niet dat zij partijdig is of dat door deze beslissing de door verzoeker geuite vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Beoordeling
Beoordelingskader
5.1.
Op grond van artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat de rechter op grond van haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat de rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling
5.3.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is in dit geval geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden zoals in overweging 5.2 is vermeld. Als uitgangspunt geldt, dat de rechter verantwoordelijk is voor de veiligheid en de orde in de zittingszaal en dat zij met het oog daarop maatregelen kan treffen die volgens haar nodig zijn. In de beslissing van de rechter om twee politieagenten in de zaal aanwezig te laten zijn ten behoeve van de veiligheid tijdens de zitting en daarmee het gevoel van veiligheid van alle procesdeelnemers te waarborgen, is daarom geen gegronde reden voor wraking gelegen. In de stellingen van verzoeker is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechter een (objectiveerbare) schijn van partijdigheid heeft gewekt.
5.4.
Dit betekent dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaart.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer C/02/419497 / FA RK 24-867 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 20 maart 2025 door mr. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Römers en mr. Ebben, rechters, in aanwezigheid van mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.