Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2025:1635
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,676 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/403256 / FA RK 22-5062
Datum uitspraak: 19 maart 2025
Nadere beschikking betreffende een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man]
,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tegen
[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. W.H.F.L. Rademakers te Dongen
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,
[minderjarige 2]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1Het verdere procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de door deze rechtbank op 8 november 2023 in deze zaak gegeven tussenbeschikking en de daarin genoemde stukken;
- het op 24 juni 2024 door de advocaat van de man ingediend F-formulier;
- het op 28 juni 2024 van de procesregisseur Jeugd van de gemeente Breda ontvangen emailbericht, met bijlage;
- de op 2 juli 2024 en 27 november 2024 ingekomen brieven van de Raad;
- het op 4 februari 2025 door de advocaat van de man ingediend F-formulier;
- het op 17 februari 2025 door de advocaat van de vrouw ingediend F-formulier;
- de op 21 februari 2025 van de Raad ontvangen brief.
2Het (resterend) verzoek
2.1.
Aan de orde is een verzoek van de man om bij beschikking, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het ouderschapsplan van partijen van 15 april 2013, laatstelijk gewijzigd op 1 mei 2020, te laten waarmerken en aan de te wijzen beschikking te hechten;
II. te bepalen dat de man en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week van vrijdag uit school tot de volgende vrijdag uit school, waarbij partijen in overleg treden of het contact in de even of in de oneven week plaatsvindt; ten aanzien van [minderjarige 1] geen contactregeling te bepalen;
III. andere beslissingen te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarigen geraden acht.
De verzoeken zijn door de vrouw weersproken.
2.2.
Bij voormelde tussenbeschikking heeft de rechtbank bepaald, in zoverre onder wijziging van het tussen partijen opgemaakte ouderschapsplan van 15 april 2013 en de daarvan deel uitmakende appendices voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], dat:
- de man en [minderjarige 2] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eens in de twee weken van vrijdag uit school tot de volgende vrijdag uit school, met dien verstande, dat:
* het contact wordt opgebouwd met een tussenstap, te weten de eerstvolgende keer bij de man van vrijdag uit school tot de daaropvolgende donderdag na school, de volgende keer daarna geldt de reguliere contactregeling van vrijdag uit school tot de volgende vrijdag uit school;
* partijen gaan (jaarlijks) in overleg met elkaar of de schoolweek waarin [minderjarige 2] bij de man verblijft in een even of oneven week valt;
* voor wat betreft de overgang van de ene ouder naar de ander ouder op vrijdag treden partijen nog met elkaar en [minderjarige 2] in overleg hoe dit te doen in verband met de spullen die [minderjarige 2] moet meenemen;
- ten aanzien van het contact tussen de man en [minderjarige 1] geldt dat er géén contactregeling wordt vastgelegd.
Verder zijn partijen verwezen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de in de
tussenbeschikking genoemde resultaten in het kader van het uniform hulpaanbod (hierna;
UHA) naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het
loket is verzocht aan de rechtbank te rapporteren over het verloop en de resultaten van het
(jeugd)hulpverleningstraject en wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een
positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. Aan de Raad is
verzocht om, in het geval dat het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een
positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen
ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.14 van de tussenbeschikking vermelde
vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. In afwachting daarvan heeft de rechtbank
de definitieve beslissing op het verzoek van de man onder I vermeld aangehouden.
3De (nadere) standpunten
3.1.
Door de procesregisseur Jeugd is op 28 juni 2024 bericht dat uit de eindrapportage
UHA blijkt dat het hulpverleningstraject via [jeugdzorg] niet van de grond is gekomen en dat het
UHA-traject negatief is afgerond.
3.2.
Door de Raad is op 27 november 2024 schriftelijk bericht dat de terugkoppeling van
het negatief afgesloten UHA-traject is besproken. Daaruit is gebleken dat door de ouders
inhoudelijk niet is gewerkt aan de doelen, die waren gesteld voor het UHA-traject en dat er
geen hulp voor [minderjarige 2] is opgestart. De Raad heeft daarom in de periode na augustus 2024 met
de procesregisseur contact gehad, vanuit de bedoeling om alsnog een vorm van lichte
interventie voor de ouders te organiseren om via zakelijke communicatie te werken aan een
nieuw ouderschapsplan. Dit heeft echter geen resultaat opgeleverd. Van september tot eind
november 2024 zijn door een kindbehartiger van [jeugdzorg], die door de procesregisseur is
ingeschakeld, met [minderjarige 2] gesprekken gevoerd. Na afsluiting van dit traject ontvangen
[minderjarige 2] en de ouders daarvan een terugkoppeling.
3.3.
De advocaat van de man heeft op 4 februari 2025 bericht dat de ouders momenteel
uitvoering geven aan de regeling, zoals door de rechtbank is vastgesteld bij beschikking van
8 november 2023. Dit betekent dat [minderjarige 2] op dit moment gedurende de helft van haar tijd bij
de man verblijft en de andere helft bij de vrouw, aldus dat zij bij de man is vanaf
vrijdagmiddag uit school (even week) en zij tot de daarop volgende vrijdagmiddag (oneven
week) uit school naar de vrouw gaat. De overdracht van [minderjarige 2]’s spullen geschiedt tussen de
ouders in onderling overleg. Verder is er af en toe contact tussen [minderjarige 1] en de man, het
initiatief daartoe ligt bij [minderjarige 1]. Nu aan deze regeling al geruime tijd uitvoering wordt gegeven
kan bedoelde regeling overeenkomstig bij beschikking worden vastgesteld. In de visie van de
man is een nader raadsonderzoek niet nodig en kan de zaak schriftelijk worden afgedaan.
Dictum
De rechtbank:
5.1
bepaalt, in zoverre onder wijziging van het tussen partijen opgemaakte ouderschapsplan van 15 april 2013 en de daarvan deel uitmakende appendices voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010 en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012, dat:
de man en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week van vrijdagmiddag uit school (even week) tot de daarop volgende vrijdagmiddag uit school (oneven week);
ten aanzien van [minderjarige 1] er geen contactregeling wordt vastgesteld, zulks met inachtneming van hetgeen daarover hiervóór in rechtsoverweging 3.3 is opgemerkt;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025 in tegenwoordigheid van Baremans, als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.