Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2025:1594
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
12,056 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/428253 / HA RK 24-213
Beschikking van 19 maart 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. W.M. Yue,
tegen
[verweerder] S.A.
te [plaats 2] , Polen,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
waarvan [B.V.] h.o.d.n. [vertegenwoordiger] optreedt als diens Nederlands correspondent/vertegenwoordiger,
te Rotterdam,
hierna te noemen: [vertegenwoordiger] ,
advocaat: mr. A.A.M. Zeeman.
1De zaak in het kort
1.1.
De vader van [verzoeker] is op zijn fiets verongelukt door een aanrijding met een vrachtwagen. [verweerder] , de verzekeraar, heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend, maar vindt dat de schadevergoedingsplicht beperkt blijft tot 50% van de schade. [verzoeker] is het daar niet mee eens. Hij vindt dat zijn schade volledig vergoed moet worden. In deze deelgeschilprocedure vraagt [verzoeker] de rechtbank te bepalen dat [verweerder] voor 100% aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt als gevolg van het overlijden van zijn vader. [verzoeker] verzoekt daarnaast betaling van buitengerechtelijke kosten. Ook wil [verzoeker] volledige vergoeding van de kosten van het deelgeschil. [verweerder] vindt dat zij maar 50% van deze kosten hoeft te vergoeden.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [verweerder] niet voor meer dan 50% aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het ongeval. [verweerder] wordt veroordeeld in de volledige kosten van de deelgeschilprocedure. De verzochte buitengerechtelijke kosten zijn wel maar voor de helft toewijsbaar.
1.3.
Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘De beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten, het verzoek en het verweer daartegen geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank.
2Het verloop van de procedure
2.1.
[verzoeker] heeft op 26 september 2024 een verzoekschrift in deelgeschil met 13 bijlagen ingediend. Op 27 november 2024 is een gewijzigd verzoekschrift ontvangen. [verweerder] heeft op 20 februari 2025 een verweerschrift ingediend.
2.2.
Op 5 maart 2025 heeft een zitting plaatsgevonden waarbij het verzoek en het verweer zijn besproken. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Mr. Yue heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen.
2.3.
De rechtbank heeft aan het einde van de zitting bepaald dat er een beschikking zal komen.
Feiten
In dit deelgeschil zijn de volgende feiten van belang.
3.1.
[verzoeker] is de zoon van wijlen de heer [vader van verzoeker] (hierna: “ [vader van verzoeker] .”). [vader van verzoeker] . is op 8 september 2021 overleden als gevolg van een verkeersongeval in Dongen. [vader van verzoeker] . laat naast [verzoeker] zijn echtgenote en een meerderjarige dochter achter. [verzoeker] is 39 jaar oud en woont zelfstandig met zijn eigen gezin.
3.2.
Het ongeval vond op 8 september 2021 om 07.29 uur plaats op een industrieterrein in Dongen. De situatie ter plaatse wordt hieronder weergegeven:
[vader van verzoeker] . fietste op de Industriestraat, komende vanuit de Houtstraat. Hij wilde richting de Textielstraat. De heer [de chauffeur] (hierna: “ [de chauffeur] ”) reed in een rode truck met oplegger (hierna: “de vrachtwagen”) in de Metaalstraat, richting de Industriestraat. Om zijn bestemming te bereiken moest [de chauffeur] rechts afslaan. Op de onderste foto wordt het kruispunt weergegeven bezien vanuit de positie van [vader van verzoeker] . Hij moest rechtdoor, de vrachtwagen naderde vanuit de straat rechts van hem.
3.3.
Het ongeval waarbij [vader van verzoeker] . om het leven is gekomen is gefilmd door een beveiligingscamera van een nabij de plaats van het ongeval gelegen bedrijfspand. Uit de beelden van het ongeval blijkt de volgende toedracht.
3.4.
[vader van verzoeker] . en de vrachtwagen naderen het kruispunt ongeveer gelijktijdig. [vader van verzoeker] . passeert al fietsend de haaientanden en het voorrangsbord. Hij kijkt naar de vrachtwagen en steekt zijn rechterarm op. Zonder snelheid te minderen rijdt [vader van verzoeker] . het kruispunt op. Luttele momenten later bevindt [vader van verzoeker] . zich recht voor de cabine van de vrachtwagen, terwijl [de chauffeur] de bocht naar rechts inzet. Hij neemt de bocht met ongeveer 14 kilometer per uur. [vader van verzoeker] . houdt het midden van de rijbaan aan. [vader van verzoeker] . wijkt enigszins naar links uit terwijl de cabine van de vrachtwagen naar hem toedraait. [vader van verzoeker] . blijft doorfietsen en komt uit voor het linkervoorwiel van de vrachtwagen. Net na het kruisingsvlak, ongeveer ter hoogte van de witte paal met witte wegwijzers (te zien op de tweede foto), komt [vader van verzoeker] . ten val met zijn fiets door contact met de vrachtwagen. Hij komt onder het linkervoorwiel van de vrachtwagen terecht en wordt overreden. [vader van verzoeker] . is ter plekke overleden.
3.5.
De vrachtwagen waarin [de chauffeur] reed is voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij [verweerder] . [vertegenwoordiger] treedt op als Nederlandse correspondent van [verweerder] .
3.6.
[de chauffeur] is op 8 september 2024 verhoord door de politie. In het proces-verbaal van het verhoor is onder andere opgenomen:
“V: In welke mate was u bekend met/ gewend aan dit soort voertuig met deze afmetingen?
A: Ik rijd al 30 jaar met voertuigen van deze afmetingen. (…)
V: Waar dacht u aan, vlak voor het ongeval plaats vond?
A: Ik was bijna ter plaatse om te lossen.
(…)
V: Wat is er allemaal precies gebeurd?
A: Ik was aan het rijden om rechtsaf te slaan en bij het afslaan hoorde ik naast mij een metalig schrapend geluid.
(…)
V: Waar plaatste hij dat geluid?
A: Ik hoorde gewoon een metaalachtig geluid die ik niet kon plaatsen ik keek in mijn rechter buitenspiegel, terwijl ik rechtsaf aan het afslaan was. Ik dacht dat er mogelijk iets met trailer was wat dat geluid maakte en dat ik mogelijk iets verkeerds met aankoppelen of zoiets had gedaan maar ik merkte of zag niets in mijn rechterbuitensspiegel. Toen ik echter de bocht door was en mijn vrachtwagen recht stond keek ik in mijn linker spiegel en zag ik een fiets op de weg liggen.
(…)
V: Hoe was de verkeerssituatie voor het ongeval
kan u beschrijven wie voorrang had op wie.
Meneer vraagt om papier om de situatie te tekenen.
V: u, tekent ook een weg van links, wat bedoelt u daar mee.
A: ik wist niet of het een weg voor auto’s was maar ik heb er wel naar gekeken
V: kon uit de weg van links daar verkeer uitkomen
A: ik ben daar niet honderd procent zeker of daar verkeer uit kon komen.
V: Maar u keek voor het kruisvlak wel naar links en rechts?
A: Ja dat klopt
V: wat zag u links
A: Niets, er reed niets.
(…)
V: En op het moment dat u de bocht in gaat waar keek u toen naar?
A: Ik zei al eerder dat als je naar rechts gaat dan kijk je naar rechts of er geen verkeer naast me is.
V: Heeft u op enig moment een fietser gezien
A: Nee helemaal niet.
(…)
V: In hoeverre had u vrij zicht, vlak voor het ongeval gebeurde? Zowel naar het verkeer achter u, voor u en het tegemoetkomende verkeer.
A: Normaal goed zicht
(…)
V: maar ik bedoel vanuit de cabine als je gepositioneerd staat
A: nee niets belemmerd mijn zicht naar voren en naar rechts en naar links. (…)”
3.7.
[vertegenwoordiger] heeft aansprakelijkheid van [de chauffeur] voor het ongeval erkend, maar daarbij het standpunt ingenomen dat zij slechts 50% van de schade van [verzoeker] hoeft te vergoeden.
3.8.
[vertegenwoordiger] heeft de nabestaanden van [vader van verzoeker] . onder andere een bedrag aan affectieschade vergoed. [verzoeker] heeft in dat kader een bedrag van € 7.500,00 ontvangen.
4Het verzoek van [verzoeker]
4.1.
verzoekt de rechtbank – samengevat – om bij beschikking:
I. te bepalen dat [verweerder] tegenover [verzoeker] 100% of een ander door de rechtbank te bepalen percentage aansprakelijk is voor de schade ex artikel 6:108 BW in verband met het overlijden van [vader van verzoeker] .;
II. [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 2.863,77 aan buitengerechtelijke kosten;
III. de kosten van deze deelgeschilprocedure vast te stellen conform de opgave die de advocaat op de dag voor de zitting aan rechtbank zal zenden en te bepalen dat [verweerder] gehouden is tot betaling van deze kosten inclusief het griffierecht.
4.2.
[verzoeker] vindt dat het ongeval het gevolg is van omstandigheden die volledig aan [de chauffeur] kunnen worden toegerekend. [de chauffeur] heeft met zeer geringe snelheid het kruispunt genaderd, zodat [vader van verzoeker] . mogelijk dacht dat hij voorrang kreeg. [de chauffeur] heeft niet gekeken naar het verkeer dat van links kwam, terwijl hij goed zicht had op de situatie ter plaatse. Als [de chauffeur] wel had gekeken, had hij [vader van verzoeker] . kunnen zien en had de aanrijding voorkomen kunnen worden.
Beoordeling
Toetsingskader
6.1.
In deze zaak is sprake van een aanrijding tussen een fietser, de vader van [verzoeker] , en een vrachtwagen. Voor zo’n situatie bepaalt de wet dat de schade van de fietser en anderen, zoals [verzoeker] , door de eigenaar van de vrachtwagen vergoed moet worden, tenzij het ongeval is ontstaan door overmacht (artikel 185 lid 1 Wegenverkeerswet). Dit is de hoofdregel. Andere wettelijke bepalingen kunnen een uitzondering geven op deze hoofdregel.
6.2.
Van zo’n uitzondering is bijvoorbeeld sprake indien de fietser zogeheten eigen schuld heeft aan het ongeval (en daarmee aan het ontstaan van de schade). De wet bepaalt dat als de schade ook het gevolg is van een omstandigheid die voor rekening van het slachtoffer komt, de vergoedingsplichtige niet de volledige schade hoeft te betalen (artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek, “BW”). De vergoedingsplicht voor in dit geval [verweerder] als verzekeraar zou in geval van eigen schuld van [vader van verzoeker] . beperkt worden tot het deel van de schade dat is ontstaan door omstandigheden die aan [de chauffeur] zijn toe te rekenen. Het deel van de schade dat toe te rekenen is aan handelen van [vader van verzoeker] . blijft dan voor zijn eigen rekening. Dit is de causaliteitsverdeling.
6.3.
In dezelfde wettelijke bepaling wordt daar weer een uitzondering op gemaakt. Ook als de benadeelde eigen schuld aan het ontstaan van de schade heeft, kan de billijkheid eisen dat het slachtoffer toch een groter deel of zelfs zijn volledige schade vergoed krijgt. Dit is de billijkheidscorrectie.
6.4.
Dat wat de billijkheid eist, is in de rechtspraak voor sommige situaties al ingevuld. In vaste rechtspraak van de Hoge Raad is bepaald dat de billijkheid eist dat een fietser die wordt aangereden door een auto ongeacht de mate van eigen schuld tenminste 50% van de schade vergoed moet krijgen, tenzij (1) er sprake is van overmacht bij de automobilist, (2) de fietser jonger is dan 14 jaar of (3) er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de fietser. Als deze drie omstandigheden niet van toepassing zijn, heeft de fietser dus altijd aanspraak op vergoeding van 50% van de schade (ook als het ongeval voor meer dan 50% zijn eigen schuld is). Dit is de zogenaamde 50%- regel.
Toetsingskader toegepast op deze zaak
6.5.
Partijen zijn het erover eens dat er geen sprake is van overmacht aan de kant van [de chauffeur] . Dat betekent dat de hoofdregel van toepassing is (zie 6.1), tenzij er een uitzondering geldt. Het geschil tussen partijen gaat over de uitzonderingen eigen schuld (zie 6.2) en de billijkheidscorrectie (zie 6.3). Partijen zijn het er wel over eens dat [verweerder] in ieder geval 50% van de schade van [verzoeker] moet vergoeden, omdat de 50%- regel van toepassing is (zie 6.4).
6.6.
[verweerder] moet volgens het toetsingskader méér dan 50% van de schade van [verzoeker] vergoeden, indien (1) [de chauffeur] voor meer dan 50% schuld heeft aan het ontstaan van de schade (en de eigen schuld van [vader van verzoeker] . aan het ontstaan van de schade dus minder is dan 50%) of (2) ongeacht de causaliteitsverdeling, de billijkheid eist dat [de chauffeur] meer dan 50% van de schade moet vergoeden.
6.7.
De rechtbank gaat hierna in op beide punten.
1) Verdeling van causaliteit: (eigen) schuld
6.8.
De rechtbank beoordeelt ieders aandeel in het ontstaan van het ongeval als volgt.
6.9.
Aan de ene kant het handelen van [vader van verzoeker] . Anders dan [verzoeker] betoogt, leveren het negeren van de haaientanden en het voorrangsbord door [vader van verzoeker] . wel degelijk een causale bijdrage aan het ongeval. De aanrijding tussen [vader van verzoeker] . en de vrachtwagen van [de chauffeur] heeft kunnen gebeuren doordat [vader van verzoeker] . het kruispunt op is gefietst zonder voorrang te verlenen aan [de chauffeur] . Als [vader van verzoeker] . wel bij de haaientanden zou zijn gestopt en voorrang zou hebben verleend aan [de chauffeur] , dan zou het ongeval niet zijn gebeurd. [de chauffeur] had voorrang op de weg waarop hij reed. Daar zijn partijen het ook over eens. Uit de camerabeelden blijkt ook duidelijk dat [vader van verzoeker] . de vrachtwagen heeft gezien. Hij steekt al kijkend naar de vrachtwagen zijn hand op. De vrachtwagen was ook goed zichtbaar voor [vader van verzoeker] ., zoals blijkt uit de camerabeelden. [vader van verzoeker] . heeft dan ook een verkeersfout gemaakt door [de chauffeur] geen voorrang te verlenen. Uit de beelden volgt verder dat [de chauffeur] niet stopte maar met lage snelheid de bocht naderde en daarbij steeds doorreed. Een concrete aanleiding om te veronderstellen dat [de chauffeur] voorrang zou gaan verlenen aan [vader van verzoeker] . ontbreekt.
6.10.
[vader van verzoeker] . heeft toen hij het kruispunt eenmaal op was gefietst ook onvoldoende geanticipeerd op het gegeven dat [de chauffeur] doorreed met zijn vrachtwagen. [vader van verzoeker] . kon zien dat de vrachtwagen niet stopte, maar op dezelfde lage snelheid doorreed om de bocht naar rechts te kunnen maken. Vanwege de omvang van de vrachtwagen was daarvoor nodig dat [de chauffeur] de bocht met voldoende ruimte nam en daarbij de weghelft van tegemoetkomend verkeer gedeeltelijk benutte. Desondanks was aan de linkerkant van [vader van verzoeker] . ruim voldoende mogelijkheid om uit te wijken. Zoals op de situatiefoto van het kruispunt te zien is, lag naast het kruisingsvlak de verharde oprit van een bedrijf. Ondanks het doorrijden van de vrachtwagen is [vader van verzoeker] . niet eerder en verder naar links uitgeweken of gestopt. [vader van verzoeker] . is in de baan die de vrachtwagen maakte blijven fietsen. Daardoor is hij helaas in de situatie terechtgekomen dat hij uiteindelijk vlak voor de cabine uitkwam met zijn fiets, en na zijn val onder het linker voorwiel terecht kon komen.
6.11.
Aan de andere kant het handelen van [de chauffeur] . [de chauffeur] heeft bij de politie verklaard dat hij zowel naar links als naar rechts heeft gekeken, maar vanuit de straat links van hem geen tegemoetkomend verkeer zag aankomen. Feit is echter dat [vader van verzoeker] . daar fietste en vrijwel gelijktijdig met de vrachtwagen het kruispunt naderde. [de chauffeur] heeft verklaard vrij zicht te hebben gehad vanuit zijn cabine. Uit de camerabeelden blijkt ook dat de kruising overzichtelijk is. [de chauffeur] had [vader van verzoeker] . dan ook moeten en kunnen zien op het moment dat hij het kruispunt naderde. Hij had dan ook moeten en kunnen zien dat [vader van verzoeker] ., anders dan van hem verwacht had mogen worden, geen voorrang verleende aan de vrachtwagen en doorfietste. [de chauffeur] had vervolgens op die situatie kunnen reageren door te stoppen.
6.12.
Op het moment dat [de chauffeur] de bocht naar rechts inzette had hij zoals hij heeft verklaard zijn aandacht bij de rechterzijde van de vrachtwagen. Dit is begrijpelijk, nu [de chauffeur] zich ervan moest vergewissen dat er geen fietser of andere verkeersdeelnemer aan de rechterzijde van zijn vrachtwagen reed die hij zou afsnijden bij het afslaan. De rechtbank begrijpt dat [de chauffeur] zijn aandacht vooral gericht had op de rechterzijde van de vrachtwagen, de rechterbuitenspiegel en de straat naar rechts waar hij inreed, gezien het feit dat hij naar rechtsaf sloeg. [de chauffeur] had echter ook de verkeerssituatie recht voor en links van hem in de gaten moeten houden. Uit de camerabeelden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [de chauffeur] [vader van verzoeker] . terwijl hij op de kruising en in de buurt van de cabine fietste op enig moment had moeten en kunnen zien. Als [de chauffeur] ook aandacht had besteed aan wat voor en links van hem gebeurde, had hij kunnen stoppen op het moment dat hij [vader van verzoeker] .
Conclusie
6.19.
In overweging 6.6 is aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een verplichting in het leven te roepen voor [verweerder] om méér dan 50% van de schade van [verzoeker] te vergoeden. Aan deze voorwaarden wordt niet voldaan. [de chauffeur] heeft niet voor meer dan 50% schuld aan het ongeval (maar voor 40%). De billijkheid eist ook niet dat [de chauffeur] meer dan 50% van de schade van [verzoeker] moet vergoeden.
6.20.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aansprakelijkheid en de schadevergoedingsplicht van [verweerder] niet verder gaat dan de reeds erkende 50%.
Buitengerechtelijke kosten
6.21.
[verzoeker] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten van in totaal € 2.863,77. [verweerder] heeft aangevoerd dat er geen grond bestaat om meer dan 50% van de schade van [verzoeker] te vergoeden. Dit verweer ziet ook op de buitengerechtelijke kosten als onderdeel van de schade en treft doel. [verweerder] heeft geen ander verweer gevoerd tegen toewijzing van het verzoek, zodat rechtbank een bedrag van (50% van € 2.863,77) € 1.431,89 zal toewijzen.
Kosten van het deelgeschil
6.22.
Artikel 1019aa Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de kant van de benadeelde begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Begroting kan alleen achterwege blijven, als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich niet voor en [verweerder] heeft dat ook niet aangevoerd. De rechtbank zal daarom de kosten die [verzoeker] voor deze procedure heeft gemaakt begroten.
6.23.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de zogenaamde ‘dubbele redelijkheidstoets’ hanteren: zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Met [verweerder] is de rechtbank van oordeel dat de door [verzoeker] verzochte kosten deze toets niet doorstaan. [verzoeker] verzoekt vergoeding van in totaal 37 uur en 36 minuten tegen een uurtarief van € 260,00 exclusief btw. Gelet op het toegepaste specialistische uurtarief gaat de rechtbank uit van kennis van zaken bij de advocaat van [verzoeker] , die het mogelijk maakt om met het nodige tempo het verzoekschrift op te stellen en de zitting voor te bereiden. Gelet op de betrekkelijke eenvoud van de zaak en het juridische kader en de omvang van het verzoekschrift en de spreekaantekeningen acht de rechtbank een tijdsbesteding van 15 uur in totaal redelijk.
6.24.
Als uitgangspunt geldt dat het percentage eigen schuld ook wordt toegepast op de kosten van het deelgeschil. In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om daarvan af te wijken omdat het percentage eigen schuld nu juist de inzet van deze procedure is. De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval billijk is om af te wijken van de schulddelingsfactor en te bepalen dat de kosten van het deelgeschil voor 100% door [verweerder] vergoed moeten worden.
6.25.
Tegen het verzochte uurtarief van € 260,00 is geen verweer gevoerd. De rechtbank acht dit uurtarief niet onredelijk hoog. De deelgeschilgeschilkosten worden begroot op:
15 uren x € 260,00 + btw = € 4.719,00
griffierecht € 320,00
Totaal € 5.039,00
6.26.
Omdat de aansprakelijkheid van [de chauffeur] vaststaat, zal de rechtbank [verweerder] veroordelen tot betaling van de deelgeschilkosten.
Dictum
De rechtbank
7.1.
bepaalt dat [verweerder] tegenover [verzoeker] op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet voor 50% aansprakelijk is voor de schade ex artikel 6:108 BW in verband met het overlijden van [vader van verzoeker] . als gevolg van het ongeval van 8 september 2021,
7.2.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 1.431,89 aan buitengerechtelijke kosten,
7.3.
begroot de kosten van het deelgeschil op € 5.039,00 (inclusief btw en griffierecht) en veroordeelt [verweerder] tot betaling daarvan,
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Heuvel en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
Voor het eerst in HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526 (IZA/Vrerink).
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/428253 / HA RK 24-213
Beschikking van 19 maart 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. W.M. Yue,
tegen
[verweerder] S.A.
te [plaats 2] , Polen,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
waarvan [B.V.] h.o.d.n. [vertegenwoordiger] optreedt als diens Nederlands correspondent/vertegenwoordiger,
te Rotterdam,
hierna te noemen: [vertegenwoordiger] ,
advocaat: mr. A.A.M. Zeeman.
1De zaak in het kort
1.1.
De vader van [verzoeker] is op zijn fiets verongelukt door een aanrijding met een vrachtwagen. [verweerder] , de verzekeraar, heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend, maar vindt dat de schadevergoedingsplicht beperkt blijft tot 50% van de schade. [verzoeker] is het daar niet mee eens. Hij vindt dat zijn schade volledig vergoed moet worden. In deze deelgeschilprocedure vraagt [verzoeker] de rechtbank te bepalen dat [verweerder] voor 100% aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt als gevolg van het overlijden van zijn vader. [verzoeker] verzoekt daarnaast betaling van buitengerechtelijke kosten. Ook wil [verzoeker] volledige vergoeding van de kosten van het deelgeschil. [verweerder] vindt dat zij maar 50% van deze kosten hoeft te vergoeden.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [verweerder] niet voor meer dan 50% aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het ongeval. [verweerder] wordt veroordeeld in de volledige kosten van de deelgeschilprocedure. De verzochte buitengerechtelijke kosten zijn wel maar voor de helft toewijsbaar.
1.3.
Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘De beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten, het verzoek en het verweer daartegen geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank.
2Het verloop van de procedure
2.1.
[verzoeker] heeft op 26 september 2024 een verzoekschrift in deelgeschil met 13 bijlagen ingediend. Op 27 november 2024 is een gewijzigd verzoekschrift ontvangen. [verweerder] heeft op 20 februari 2025 een verweerschrift ingediend.
2.2.
Op 5 maart 2025 heeft een zitting plaatsgevonden waarbij het verzoek en het verweer zijn besproken. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Mr. Yue heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen.
2.3.
De rechtbank heeft aan het einde van de zitting bepaald dat er een beschikking zal komen.
Feiten
In dit deelgeschil zijn de volgende feiten van belang.
3.1.
[verzoeker] is de zoon van wijlen de heer [vader van verzoeker] (hierna: “ [vader van verzoeker] .”). [vader van verzoeker] . is op 8 september 2021 overleden als gevolg van een verkeersongeval in Dongen. [vader van verzoeker] . laat naast [verzoeker] zijn echtgenote en een meerderjarige dochter achter. [verzoeker] is 39 jaar oud en woont zelfstandig met zijn eigen gezin.
3.2.
Het ongeval vond op 8 september 2021 om 07.29 uur plaats op een industrieterrein in Dongen. De situatie ter plaatse wordt hieronder weergegeven:
[vader van verzoeker] . fietste op de Industriestraat, komende vanuit de Houtstraat. Hij wilde richting de Textielstraat. De heer [de chauffeur] (hierna: “ [de chauffeur] ”) reed in een rode truck met oplegger (hierna: “de vrachtwagen”) in de Metaalstraat, richting de Industriestraat. Om zijn bestemming te bereiken moest [de chauffeur] rechts afslaan. Op de onderste foto wordt het kruispunt weergegeven bezien vanuit de positie van [vader van verzoeker] . Hij moest rechtdoor, de vrachtwagen naderde vanuit de straat rechts van hem.
3.3.
Het ongeval waarbij [vader van verzoeker] . om het leven is gekomen is gefilmd door een beveiligingscamera van een nabij de plaats van het ongeval gelegen bedrijfspand. Uit de beelden van het ongeval blijkt de volgende toedracht.
3.4.
[vader van verzoeker] . en de vrachtwagen naderen het kruispunt ongeveer gelijktijdig. [vader van verzoeker] . passeert al fietsend de haaientanden en het voorrangsbord. Hij kijkt naar de vrachtwagen en steekt zijn rechterarm op. Zonder snelheid te minderen rijdt [vader van verzoeker] . het kruispunt op. Luttele momenten later bevindt [vader van verzoeker] . zich recht voor de cabine van de vrachtwagen, terwijl [de chauffeur] de bocht naar rechts inzet. Hij neemt de bocht met ongeveer 14 kilometer per uur. [vader van verzoeker] . houdt het midden van de rijbaan aan. [vader van verzoeker] . wijkt enigszins naar links uit terwijl de cabine van de vrachtwagen naar hem toedraait. [vader van verzoeker] . blijft doorfietsen en komt uit voor het linkervoorwiel van de vrachtwagen. Net na het kruisingsvlak, ongeveer ter hoogte van de witte paal met witte wegwijzers (te zien op de tweede foto), komt [vader van verzoeker] . ten val met zijn fiets door contact met de vrachtwagen. Hij komt onder het linkervoorwiel van de vrachtwagen terecht en wordt overreden. [vader van verzoeker] . is ter plekke overleden.
3.5.
De vrachtwagen waarin [de chauffeur] reed is voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij [verweerder] . [vertegenwoordiger] treedt op als Nederlandse correspondent van [verweerder] .
3.6.
[de chauffeur] is op 8 september 2024 verhoord door de politie. In het proces-verbaal van het verhoor is onder andere opgenomen:
“V: In welke mate was u bekend met/ gewend aan dit soort voertuig met deze afmetingen?
A: Ik rijd al 30 jaar met voertuigen van deze afmetingen. (…)
V: Waar dacht u aan, vlak voor het ongeval plaats vond?
A: Ik was bijna ter plaatse om te lossen.
(…)
V: Wat is er allemaal precies gebeurd?
A: Ik was aan het rijden om rechtsaf te slaan en bij het afslaan hoorde ik naast mij een metalig schrapend geluid.
(…)
V: Waar plaatste hij dat geluid?
A: Ik hoorde gewoon een metaalachtig geluid die ik niet kon plaatsen ik keek in mijn rechter buitenspiegel, terwijl ik rechtsaf aan het afslaan was. Ik dacht dat er mogelijk iets met trailer was wat dat geluid maakte en dat ik mogelijk iets verkeerds met aankoppelen of zoiets had gedaan maar ik merkte of zag niets in mijn rechterbuitensspiegel. Toen ik echter de bocht door was en mijn vrachtwagen recht stond keek ik in mijn linker spiegel en zag ik een fiets op de weg liggen.
(…)
V: Hoe was de verkeerssituatie voor het ongeval
kan u beschrijven wie voorrang had op wie.
Meneer vraagt om papier om de situatie te tekenen.
V: u, tekent ook een weg van links, wat bedoelt u daar mee.
A: ik wist niet of het een weg voor auto’s was maar ik heb er wel naar gekeken
V: kon uit de weg van links daar verkeer uitkomen
A: ik ben daar niet honderd procent zeker of daar verkeer uit kon komen.
V: Maar u keek voor het kruisvlak wel naar links en rechts?
A: Ja dat klopt
V: wat zag u links
A: Niets, er reed niets.
(…)
V: En op het moment dat u de bocht in gaat waar keek u toen naar?
A: Ik zei al eerder dat als je naar rechts gaat dan kijk je naar rechts of er geen verkeer naast me is.
V: Heeft u op enig moment een fietser gezien
A: Nee helemaal niet.
(…)
V: In hoeverre had u vrij zicht, vlak voor het ongeval gebeurde? Zowel naar het verkeer achter u, voor u en het tegemoetkomende verkeer.
A: Normaal goed zicht
(…)
V: maar ik bedoel vanuit de cabine als je gepositioneerd staat
A: nee niets belemmerd mijn zicht naar voren en naar rechts en naar links. (…)”
3.7.
[vertegenwoordiger] heeft aansprakelijkheid van [de chauffeur] voor het ongeval erkend, maar daarbij het standpunt ingenomen dat zij slechts 50% van de schade van [verzoeker] hoeft te vergoeden.
3.8.
[vertegenwoordiger] heeft de nabestaanden van [vader van verzoeker] . onder andere een bedrag aan affectieschade vergoed. [verzoeker] heeft in dat kader een bedrag van € 7.500,00 ontvangen.
4Het verzoek van [verzoeker]
4.1.
verzoekt de rechtbank – samengevat – om bij beschikking:
I. te bepalen dat [verweerder] tegenover [verzoeker] 100% of een ander door de rechtbank te bepalen percentage aansprakelijk is voor de schade ex artikel 6:108 BW in verband met het overlijden van [vader van verzoeker] .;
II. [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 2.863,77 aan buitengerechtelijke kosten;
III. de kosten van deze deelgeschilprocedure vast te stellen conform de opgave die de advocaat op de dag voor de zitting aan rechtbank zal zenden en te bepalen dat [verweerder] gehouden is tot betaling van deze kosten inclusief het griffierecht.
4.2.
[verzoeker] vindt dat het ongeval het gevolg is van omstandigheden die volledig aan [de chauffeur] kunnen worden toegerekend. [de chauffeur] heeft met zeer geringe snelheid het kruispunt genaderd, zodat [vader van verzoeker] . mogelijk dacht dat hij voorrang kreeg. [de chauffeur] heeft niet gekeken naar het verkeer dat van links kwam, terwijl hij goed zicht had op de situatie ter plaatse. Als [de chauffeur] wel had gekeken, had hij [vader van verzoeker] . kunnen zien en had de aanrijding voorkomen kunnen worden.
Beoordeling
Toetsingskader
6.1.
In deze zaak is sprake van een aanrijding tussen een fietser, de vader van [verzoeker] , en een vrachtwagen. Voor zo’n situatie bepaalt de wet dat de schade van de fietser en anderen, zoals [verzoeker] , door de eigenaar van de vrachtwagen vergoed moet worden, tenzij het ongeval is ontstaan door overmacht (artikel 185 lid 1 Wegenverkeerswet). Dit is de hoofdregel. Andere wettelijke bepalingen kunnen een uitzondering geven op deze hoofdregel.
6.2.
Van zo’n uitzondering is bijvoorbeeld sprake indien de fietser zogeheten eigen schuld heeft aan het ongeval (en daarmee aan het ontstaan van de schade). De wet bepaalt dat als de schade ook het gevolg is van een omstandigheid die voor rekening van het slachtoffer komt, de vergoedingsplichtige niet de volledige schade hoeft te betalen (artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek, “BW”). De vergoedingsplicht voor in dit geval [verweerder] als verzekeraar zou in geval van eigen schuld van [vader van verzoeker] . beperkt worden tot het deel van de schade dat is ontstaan door omstandigheden die aan [de chauffeur] zijn toe te rekenen. Het deel van de schade dat toe te rekenen is aan handelen van [vader van verzoeker] . blijft dan voor zijn eigen rekening. Dit is de causaliteitsverdeling.
6.3.
In dezelfde wettelijke bepaling wordt daar weer een uitzondering op gemaakt. Ook als de benadeelde eigen schuld aan het ontstaan van de schade heeft, kan de billijkheid eisen dat het slachtoffer toch een groter deel of zelfs zijn volledige schade vergoed krijgt. Dit is de billijkheidscorrectie.
6.4.
Dat wat de billijkheid eist, is in de rechtspraak voor sommige situaties al ingevuld. In vaste rechtspraak van de Hoge Raad is bepaald dat de billijkheid eist dat een fietser die wordt aangereden door een auto ongeacht de mate van eigen schuld tenminste 50% van de schade vergoed moet krijgen, tenzij (1) er sprake is van overmacht bij de automobilist, (2) de fietser jonger is dan 14 jaar of (3) er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de fietser. Als deze drie omstandigheden niet van toepassing zijn, heeft de fietser dus altijd aanspraak op vergoeding van 50% van de schade (ook als het ongeval voor meer dan 50% zijn eigen schuld is). Dit is de zogenaamde 50%- regel.
Toetsingskader toegepast op deze zaak
6.5.
Partijen zijn het erover eens dat er geen sprake is van overmacht aan de kant van [de chauffeur] . Dat betekent dat de hoofdregel van toepassing is (zie 6.1), tenzij er een uitzondering geldt. Het geschil tussen partijen gaat over de uitzonderingen eigen schuld (zie 6.2) en de billijkheidscorrectie (zie 6.3). Partijen zijn het er wel over eens dat [verweerder] in ieder geval 50% van de schade van [verzoeker] moet vergoeden, omdat de 50%- regel van toepassing is (zie 6.4).
6.6.
[verweerder] moet volgens het toetsingskader méér dan 50% van de schade van [verzoeker] vergoeden, indien (1) [de chauffeur] voor meer dan 50% schuld heeft aan het ontstaan van de schade (en de eigen schuld van [vader van verzoeker] . aan het ontstaan van de schade dus minder is dan 50%) of (2) ongeacht de causaliteitsverdeling, de billijkheid eist dat [de chauffeur] meer dan 50% van de schade moet vergoeden.
6.7.
De rechtbank gaat hierna in op beide punten.
1) Verdeling van causaliteit: (eigen) schuld
6.8.
De rechtbank beoordeelt ieders aandeel in het ontstaan van het ongeval als volgt.
6.9.
Aan de ene kant het handelen van [vader van verzoeker] . Anders dan [verzoeker] betoogt, leveren het negeren van de haaientanden en het voorrangsbord door [vader van verzoeker] . wel degelijk een causale bijdrage aan het ongeval. De aanrijding tussen [vader van verzoeker] . en de vrachtwagen van [de chauffeur] heeft kunnen gebeuren doordat [vader van verzoeker] . het kruispunt op is gefietst zonder voorrang te verlenen aan [de chauffeur] . Als [vader van verzoeker] . wel bij de haaientanden zou zijn gestopt en voorrang zou hebben verleend aan [de chauffeur] , dan zou het ongeval niet zijn gebeurd. [de chauffeur] had voorrang op de weg waarop hij reed. Daar zijn partijen het ook over eens. Uit de camerabeelden blijkt ook duidelijk dat [vader van verzoeker] . de vrachtwagen heeft gezien. Hij steekt al kijkend naar de vrachtwagen zijn hand op. De vrachtwagen was ook goed zichtbaar voor [vader van verzoeker] ., zoals blijkt uit de camerabeelden. [vader van verzoeker] . heeft dan ook een verkeersfout gemaakt door [de chauffeur] geen voorrang te verlenen. Uit de beelden volgt verder dat [de chauffeur] niet stopte maar met lage snelheid de bocht naderde en daarbij steeds doorreed. Een concrete aanleiding om te veronderstellen dat [de chauffeur] voorrang zou gaan verlenen aan [vader van verzoeker] . ontbreekt.
6.10.
[vader van verzoeker] . heeft toen hij het kruispunt eenmaal op was gefietst ook onvoldoende geanticipeerd op het gegeven dat [de chauffeur] doorreed met zijn vrachtwagen. [vader van verzoeker] . kon zien dat de vrachtwagen niet stopte, maar op dezelfde lage snelheid doorreed om de bocht naar rechts te kunnen maken. Vanwege de omvang van de vrachtwagen was daarvoor nodig dat [de chauffeur] de bocht met voldoende ruimte nam en daarbij de weghelft van tegemoetkomend verkeer gedeeltelijk benutte. Desondanks was aan de linkerkant van [vader van verzoeker] . ruim voldoende mogelijkheid om uit te wijken. Zoals op de situatiefoto van het kruispunt te zien is, lag naast het kruisingsvlak de verharde oprit van een bedrijf. Ondanks het doorrijden van de vrachtwagen is [vader van verzoeker] . niet eerder en verder naar links uitgeweken of gestopt. [vader van verzoeker] . is in de baan die de vrachtwagen maakte blijven fietsen. Daardoor is hij helaas in de situatie terechtgekomen dat hij uiteindelijk vlak voor de cabine uitkwam met zijn fiets, en na zijn val onder het linker voorwiel terecht kon komen.
6.11.
Aan de andere kant het handelen van [de chauffeur] . [de chauffeur] heeft bij de politie verklaard dat hij zowel naar links als naar rechts heeft gekeken, maar vanuit de straat links van hem geen tegemoetkomend verkeer zag aankomen. Feit is echter dat [vader van verzoeker] . daar fietste en vrijwel gelijktijdig met de vrachtwagen het kruispunt naderde. [de chauffeur] heeft verklaard vrij zicht te hebben gehad vanuit zijn cabine. Uit de camerabeelden blijkt ook dat de kruising overzichtelijk is. [de chauffeur] had [vader van verzoeker] . dan ook moeten en kunnen zien op het moment dat hij het kruispunt naderde. Hij had dan ook moeten en kunnen zien dat [vader van verzoeker] ., anders dan van hem verwacht had mogen worden, geen voorrang verleende aan de vrachtwagen en doorfietste. [de chauffeur] had vervolgens op die situatie kunnen reageren door te stoppen.
6.12.
Op het moment dat [de chauffeur] de bocht naar rechts inzette had hij zoals hij heeft verklaard zijn aandacht bij de rechterzijde van de vrachtwagen. Dit is begrijpelijk, nu [de chauffeur] zich ervan moest vergewissen dat er geen fietser of andere verkeersdeelnemer aan de rechterzijde van zijn vrachtwagen reed die hij zou afsnijden bij het afslaan. De rechtbank begrijpt dat [de chauffeur] zijn aandacht vooral gericht had op de rechterzijde van de vrachtwagen, de rechterbuitenspiegel en de straat naar rechts waar hij inreed, gezien het feit dat hij naar rechtsaf sloeg. [de chauffeur] had echter ook de verkeerssituatie recht voor en links van hem in de gaten moeten houden. Uit de camerabeelden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [de chauffeur] [vader van verzoeker] . terwijl hij op de kruising en in de buurt van de cabine fietste op enig moment had moeten en kunnen zien. Als [de chauffeur] ook aandacht had besteed aan wat voor en links van hem gebeurde, had hij kunnen stoppen op het moment dat hij [vader van verzoeker] .
Conclusie
6.19.
In overweging 6.6 is aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een verplichting in het leven te roepen voor [verweerder] om méér dan 50% van de schade van [verzoeker] te vergoeden. Aan deze voorwaarden wordt niet voldaan. [de chauffeur] heeft niet voor meer dan 50% schuld aan het ongeval (maar voor 40%). De billijkheid eist ook niet dat [de chauffeur] meer dan 50% van de schade van [verzoeker] moet vergoeden.
6.20.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aansprakelijkheid en de schadevergoedingsplicht van [verweerder] niet verder gaat dan de reeds erkende 50%.
Buitengerechtelijke kosten
6.21.
[verzoeker] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten van in totaal € 2.863,77. [verweerder] heeft aangevoerd dat er geen grond bestaat om meer dan 50% van de schade van [verzoeker] te vergoeden. Dit verweer ziet ook op de buitengerechtelijke kosten als onderdeel van de schade en treft doel. [verweerder] heeft geen ander verweer gevoerd tegen toewijzing van het verzoek, zodat rechtbank een bedrag van (50% van € 2.863,77) € 1.431,89 zal toewijzen.
Kosten van het deelgeschil
6.22.
Artikel 1019aa Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de kant van de benadeelde begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Begroting kan alleen achterwege blijven, als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich niet voor en [verweerder] heeft dat ook niet aangevoerd. De rechtbank zal daarom de kosten die [verzoeker] voor deze procedure heeft gemaakt begroten.
6.23.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de zogenaamde ‘dubbele redelijkheidstoets’ hanteren: zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Met [verweerder] is de rechtbank van oordeel dat de door [verzoeker] verzochte kosten deze toets niet doorstaan. [verzoeker] verzoekt vergoeding van in totaal 37 uur en 36 minuten tegen een uurtarief van € 260,00 exclusief btw. Gelet op het toegepaste specialistische uurtarief gaat de rechtbank uit van kennis van zaken bij de advocaat van [verzoeker] , die het mogelijk maakt om met het nodige tempo het verzoekschrift op te stellen en de zitting voor te bereiden. Gelet op de betrekkelijke eenvoud van de zaak en het juridische kader en de omvang van het verzoekschrift en de spreekaantekeningen acht de rechtbank een tijdsbesteding van 15 uur in totaal redelijk.
6.24.
Als uitgangspunt geldt dat het percentage eigen schuld ook wordt toegepast op de kosten van het deelgeschil. In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om daarvan af te wijken omdat het percentage eigen schuld nu juist de inzet van deze procedure is. De rechtbank is van oordeel dat het in dit geval billijk is om af te wijken van de schulddelingsfactor en te bepalen dat de kosten van het deelgeschil voor 100% door [verweerder] vergoed moeten worden.
6.25.
Tegen het verzochte uurtarief van € 260,00 is geen verweer gevoerd. De rechtbank acht dit uurtarief niet onredelijk hoog. De deelgeschilgeschilkosten worden begroot op:
15 uren x € 260,00 + btw = € 4.719,00
griffierecht € 320,00
Totaal € 5.039,00
6.26.
Omdat de aansprakelijkheid van [de chauffeur] vaststaat, zal de rechtbank [verweerder] veroordelen tot betaling van de deelgeschilkosten.
Dictum
De rechtbank
7.1.
bepaalt dat [verweerder] tegenover [verzoeker] op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet voor 50% aansprakelijk is voor de schade ex artikel 6:108 BW in verband met het overlijden van [vader van verzoeker] . als gevolg van het ongeval van 8 september 2021,
7.2.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van € 1.431,89 aan buitengerechtelijke kosten,
7.3.
begroot de kosten van het deelgeschil op € 5.039,00 (inclusief btw en griffierecht) en veroordeelt [verweerder] tot betaling daarvan,
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Heuvel en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
Voor het eerst in HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526 (IZA/Vrerink).