Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-07
ECLI:NL:RBZWB:2025:1578
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,523 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/432452 / JE RK 25-366
Datum uitspraak: 7 maart 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[het nog ongeboren kind]
,
hierna te noemen: het nog ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. Kievit te Breda ,
[de vader]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader.
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)
1Het nadere procesverloop
1.1.
Het nadere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 27 februari 2025 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
Op 7 maart 2025 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Feiten
2.1.
De moeder is zwanger en de geboorte van het kind wordt verwacht [op datum] 2025.
2.2.
Het nog ongeboren kind is door de vader erkend.
2.3.
Bij voormelde beschikking van 27 februari 2025 heeft de kinderrechter het nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 27 februari 2025 tot 13 maart 2025. De kinderrechter heeft het resterende deel van het verzoek aangehouden.
3Het (resterende) verzoek
3.1.
Nu ligt nog ter beoordeling voor of er feiten en omstandigheden zijn die maken dat de spoedbeslissing van 27 februari 2025 dient te worden herroepen.
3.2.
Daarnaast ligt er nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek van de Raad om het nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen van de GI met ingang van 13 maart 2025 tot 27 mei 2025.
3.3.
De Raad heeft de kinderrechter in dit verband verzocht om het nog ongeboren kind op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als reeds geboren aan te merken, omdat het belang van het kind dit vordert. Tot slot verzoekt de Raad de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de Raad
4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan.
De moeder is al langer bekend met forse psychiatrische problematiek. Zij is hiervoor al meermaals bij de GGZ geweest. De psychiatrische problematiek uit zich in desorganisatie bij de moeder. Informatie blijft niet hangen en de moeder kan soms geen duidelijke antwoorden geven op een vraag. De moeder erkent haar problematiek onvoldoende en heeft een second opinion aangevraagd. De moeder kan niet voor zichzelf zorgen. De oma (moederszijde) helpt bij dagelijkse dingen zoals bij koken of bij het zorgen dat de moeder op tijd op afspraken verschijnt. De Raad maakt zich grote zorgen over hoe de moeder voor een baby gaat zorgen. Ook GGZ vraagt zich af of de moeder op dit moment voldoende voor een baby zal kunnen zorgen. De oma heeft aangegeven de moeder te zullen helpen, maar het is de vraag of de draagkracht van de oma hiervoor groot genoeg is. Verder wordt gezien dat de vader de problematiek van moeder onvoldoende erkent.
4.2.
Eerder heeft de moeder wisselend gedrag laten zien ten aanzien van haar zwangerschap. Zij heeft meermaals op het punt gestaan om een abortus te laten uitvoeren. Ook heeft zij wisselende uitspraken gedaan over hoe zij zwanger is geworden. De moeder praat weinig over hoe zij straks voor de baby zal zorgen, maar praat vooral over lichamelijke klachten en financiële zaken. Ook wordt gezien dat de vader weinig inzicht toont over hoe straks voor de baby te gaan zorgen. De ouders lijken zich in minimale mate bewust van de zorg voor een baby. De vader blijft fulltime werken, woont niet met de moeder samen en weet niet of hij vaderschapsverlof gaat opnemen. De kraamzorg wordt vanwege de kosten minimaal ingezet.
4.3.
Gelet op het voornoemde acht de Raad een voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk. De voorlopige ondertoezichtstelling is daarbij bedoeld om de geboorte en de verzorging van de baby voor de ouders in goede banen te kunnen leiden. De GI is nodig als regievoerder, zodat gemonitord kan blijven worden wat de baby en de ouders nodig hebben. De Raad blijft vraagtekens zetten bij de intrinsieke motivatie van de moeder om een behandeling aan te gaan voor zichzelf. De GI dient ook dit te blijven monitoren. Daarnaast moet de GI met de ouders zorgen voor een goed plan van aanpak over de gang van zaken. De betrokkenheid van de vader is daarbij nodig. De situatie in zijn algemeenheid is te kwetsbaar om nu los te laten. De Raad hoopt dat de ouders vertrouwen zullen hebben in de hulpverlening en dat zij de samenwerking aan blijven gaan.
5Het standpunt van belanghebbenden
5.1.
Door en namens de moeder wordt, samengevat, aangevoerd dat, hoewel zij zich niet in alles kan vinden wat er over haar geschreven is, zij het eens is met het resterende verzoek. De moeder zal zich in de komende periode inspannen en laten zien dat zij zich ook zonder hulpverlening kan redden. De moeder wil het beste voor haar kind. Wel merkt zij dat zij last heeft van de bijwerkingen van haar medicatie en daar moet aandacht voor zijn. Verder heeft de moeder met het netwerk een schema opgesteld voor de zorg voor de baby, is de babykamer klaar en verdiept de moeder zich in de opvoeding.
5.2.
De vader verklaart, samengevat, dat hij het ongeboren kind heeft erkend. De ouders hebben een relatie met elkaar en zij willen samen voor de baby gaan zorgen. De vader bevestigt dat de ouders afspraken hebben gemaakt in een schema. In de weekenden en nachten zal de vader deels voor de baby zorgen. De oma ondersteunt de moeder overdag. De vader erkent in eerste instantie niet te weten hoe groot de geestelijke problematiek van de moeder was. Pas in het ziekenhuis vernam hij de ernst daarvan. Voor zijn gevoel heeft de vader alles gedaan wat nodig was. De afspraken die met Veilig Thuis zijn gemaakt worden nagekomen. Desondanks ziet de vader in dat een voorlopige ondertoezichtstelling meer kans van slagen heeft dan hulpverlening in het vrijwillig kader. De vader ziet in dat de ouders hulpverlening nodig hebben.
5.3.
Namens de GI wordt, samengevat, naar voren gebracht dat de zorgen die de Raad in het rapport vermeldt, door Veilig Thuis worden herkend. De zorg is in hoeverre de moeder kan zorgen voor een kwetsbaar kindje. Daarnaast is het de vraag hoe de moeder omgaat met de bevalling en met alles wat daaruit voortvloeit. Ook zijn er zorgen over het psychisch welbevinden van de moeder en wat die voor effect heeft op haar lichamelijke gesteldheid. De GI heeft nog geen zicht op de relatie tussen de ouders. De vader heeft aangegeven te willen meewerken aan een stabiele situatie. Hij wil de moeder ondersteunen in de opvoeding. Op 11 maart 2025 vindt er een groot overleg plaats met de ouders en met alle betrokken partijen. Vanuit daar komt er een plan van aanpak.
De bedoeling van de GI is om de ouders stap voor stap te begeleiden. De GI denkt mee en kijkt mee met de ouders. Bekeken moet worden hoe de moeder het beste kan worden ondersteund en hoe de rol van de vader daarin is.
6De (nadere) beoordeling
Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling
6.1.
De kinderrechter verwijst naar de beschikking van 27 februari 2025. Hierbij is het nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 27 februari 2025 tot 13 maart 2025, zonder daaraan voorafgaand verhoor van de betrokkenen.
6.2.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de moeder, de vader en de GI in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen op het verzoek kenbaar te maken. De kinderrechter dient te beoordelen of er tijdens de mondelinge behandeling nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 27 februari 2025 zou moeten worden herroepen.
6.3.
De kinderrechter stelt vast dat hiervan geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing in stand blijft.
Wettelijk kader
6.4.
Volgens artikel 1:2 BW wordt een kind reeds als geboren aangemerkt zo dikwijls zijn belang dit vordert.
Beoordeling
6.6.
De kinderrechter is van oordeel dat het nog ongeboren kind als geboren moet worden aangemerkt omdat het belang van het kind dit vordert. De reden daarvoor is dat er zorgen zijn over het welzijn van het kind nu en na zijn geboorte.
6.7.
Uit de overgelegde stukken en uit de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over het psychisch welbevinden van de moeder en haar intrinsieke motivatie om een behandeling aan te gaan. Zij neemt haar medicatie weliswaar in, maar lijkt hier niet geheel achter te staan. Dit baart zorgen. Daarbij komt dat beide ouders vooralsnog onvoldoende lijken in te zien wat de verzorging van een kind met zich meebrengt en hoe zij die onderling gaan verdelen. De oma (mz) heeft weliswaar een steunende rol, maar bekend is dat er tussen de moeder en de oma ook soms onrust is. De kans dat de moeder de oma (mz) niet toelaat bij de verzorging van haar kind wordt als reëel ingeschat.
6.8.
Het voormelde maakt dat er naar het oordeel van de kinderrechter een vermoeden is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging; de psychische problematiek van de moeder die door de ouders onvoldoende wordt erkend, de zorg dat de ouders onvoldoende zich heeft op wat de zorg voor een baby inhoudt en het onvoldoende zicht op de draagkracht van de oma (mz).
6.9.
Hoewel de ouders aangeven achter de voorlopige ondertoezichtstelling te staan en zij toezeggen hulpverlening als steunend te ervaren, is ook bekend dat het hen soms niet altijd lukt om afspraken na te komen. Door hulpverlening wordt de moeder omschreven als niet begeleidbaar. Op basis van ervaringen in het verleden, bestaat de zorg dat de ouders zeggen alles op alles te willen zetten, maar dat zij dit vervolgens niet laten zien in hun handelen. De kinderrechter heeft er voor nu onvoldoende vertrouwen in dat hulpverlening in een vrijwillig kader zal slagen.
6.10.
Gelet op al het voorgaande wordt aan de wettelijke criteria voor een voorlopige ondertoezichtstelling voldaan. De kinderrechter zal het resterende verzoek dan ook toewijzen.
6.11.
De kinderrechter verwacht van de GI dat zij de ouders informeert, dat zij hen ondersteunt en dat zij hen begeleidt bij de verzorging van de baby (waaronder ook het opstellen van een schema en een plan van aanpak) en bij alle regelzaken die de ouders bij het krijgen van een kind te wachten staat. Daarnaast dient de GI de benodigde hulpverlening in te zetten, deze te monitoren en te bezien welke rol beide ouders én de oma (mz) zullen hebben in de opvoeding van de baby. Daarbij is het van belang zicht te hebben op de relatie tussen de moeder en de oma (mz). Tenslotte, en niet in de minste plaats, dient de GI aandacht te hebben voor de psychische toestand van de moeder en voor de zorgen die de moeder heeft rondom haar medicatie. Daarbij hoort ook dat de GI de moeder stimuleert om een passende behandeling aan te gaan. Immers, stabiliteit in haar toestandsbeeld is essentieel voor de baby.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.12.
Aangezien de maatregel tot voorlopige ondertoezichtstelling van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is, is het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren daarvan niet nodig.
Vader belanghebbende
6.13.
Zoals bij de mondelinge behandeling is besproken, zal de kinderrechter de vader in deze procedure aanmerken als belanghebbende. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat de vader het nog ongeboren kind al heeft erkend, dat de ouders een relatie hebben en dat de vader betrokken zal zijn bij de opvoeding en verzorging van het kind.
6.14.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
beschouwt het nog ongeboren kind als geboren;
7.2.
stelt het nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 13 maart 2025 tot 27 mei 2025;
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 maart 2025.