Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-18
ECLI:NL:RBZWB:2025:1575
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,203 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1810 HUUR
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de Dienst Toeslagen in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de Dienst Toeslagen van 27 februari 2023 inzake de definitieve berekening van zijn recht op huurtoeslag over het jaar 2020. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de Dienst Toeslagen op 23 januari 2025 alsnog huurtoeslag over het jaar 2020 heeft toegekend aan verzoeker.
1.1
De rechtbank heeft de Dienst Toeslagen in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De Dienst Toeslagen heeft de rechtbank meegedeeld dat hij zich kan vinden in een proceskostenvergoeding van één punt voor het schrijven van het beroepschrift door de gemachtigde van eiser conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
1.2
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is de Dienst Toeslagen aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. Op 9 maart 2023 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen het besluit om verzoekers recht op huurtoeslag voor 2020 definitief op nihil te stellen gehandhaafd.
5. De Dienst Toeslagen heeft op 23 januari 2025 besloten om alsnog huurtoeslag voor het jaar 2020 aan verzoeker toe te kennen. Hiermee is de Dienst Toeslagen naar het oordeel van de rechtbank tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet de Dienst Toeslagen aan verzoeker vergoeden?
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. De Dienst Toeslagen moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend en is als volgt berekend: beroepschrift 1 punt x wegingsfactor 1 x € 907,- = € 907,-.
Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat de Dienst Toeslagen verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot de Dienst Toeslagen wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 18 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.