Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-13
ECLI:NL:RBZWB:2025:151
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,636 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8017
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn handhavingsverzoek (aanvraag) van 21 mei 2024 dat ziet op de woningen [adres] [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] en [nummer 6] . Eiser ervaart overlast van het gebruik van [adres] [nummer 1] als bedrijfspand, dat volgens hem in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast ervaart eiser overlast van de panden [adres] [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] en [nummer 6] die kamergewijs verhuurd zouden worden, en ook dat is volgens hem in strijd met het bestemmingsplan.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 21 mei 2024. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen het college op deze aanvraag moet beslissen. In zo’n geval geldt in beginsel een beslistermijn van acht weken, maar het college heeft in zijn brief van 17 juni 2024 meegedeeld deze termijn niet te kunnen halen en daarbij aangegeven dat hij op uiterlijk 9 september 2024 een besluit neemt. Het college had dus uiterlijk op 9 september 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het college op 3 oktober 2023 in gebreke gesteld en het college heeft de ingebrekestelling op 7 oktober 2024 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het college heeft in zijn verweerschrift van 10 december 2024 uitgelegd dat hij verwacht binnen acht weken na dagtekening van het verweerschrift alsnog een besluit te kunnen nemen. Het college heeft deze tijd nodig, omdat hij in afwachting is van advies van de afdeling Ruimte naar aanleiding van de nieuwe controles die op de adressen hebben plaatsgevonden. De rechtbank vindt dat een goede reden, eiser heeft namelijk recht op een zorgvuldig gemotiveerd besluit. Daarbij komt dat de termijn waar het college om vraagt niet veel langer meer is dan de standaard twee weken na verzending van de uitspraak. Het college moet het besluit dus nemen op uiterlijk 4 februari 2025.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het college op uiterlijk 4 februari 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 13 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb.