Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-06
ECLI:NL:RBZWB:2025:1435
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
9,112 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/430575 / JE RK 25-44
Datum uitspraak: 6 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 januari 2025, ontvangen op 7 januari 2025;
het e-mailbericht van mr. Bronsveld van 6 februari 2025, ontvangen op 6 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI (via een Teamsverbinding).
1.3.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was tevens bij de mondelinge behandeling aanwezig een vriendin van de moeder.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 27 mei 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 mei 2022 en tot 16 augustus 2022.
2.3.
Bij beschikking van 10 augustus 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 augustus 2022 en tot 10 februari 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 februari 2025.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 maart 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 7 maart 2023 tot 21 maart 2023, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 maart 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 7 juni 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling op 26 mei 2023.
2.6.
In mei 2023 is [minderjarige] na een periode uit huis te zijn geplaatst weer bij de moeder teruggeplaatst.
2.7.
Bij beschikking van 1 februari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 1 februari 2024 en tot 10 februari 2024. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met ingang van 10 februari 2024 en tot 1 april 2024.
2.8.
Bij beschikking van 21 maart 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 1 april 2024 en tot 10 augustus 2024.
2.9.
Bij beschikking van 9 augustus 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 10 november 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.10.
Bij beschikking van 31 oktober 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 10 november 2024 en tot 10 februari 2025.
2.11.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen met ingang van 11 februari 2024 voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter neemt aan dat het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing bedoeld is betrekking te hebben op de periode vanaf 10 februari 2025.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Vorige week heeft er een uitgebreide evaluatie plaatsgevonden waarbij de moeder, de GI en de betrokken hulpverleners aanwezig waren. Pleegzorg kon hierbij niet aansluiten. Er is toen duidelijk naar voren gekomen dat er vanuit diverse kanalen zorgen zijn gemeld over de moeder. Deze zorgen worden door de moeder niet erkend. De GI merkt dat zij en de moeder niet op een lijn zitten. De moeder geeft aan dat het goed gaat en dat zij positieve stappen zet, maar tegelijkertijd maakt de GI zich nog zorgen over bepaalde aspecten. Zo ook over het middelengebruik van de moeder. De afgelopen maanden is vanuit de moeder aangegeven dat zij niet afhankelijk is van wiet maar zij neemt geen initiatief om dit aan te tonen. De GI heeft zelf contact opgenomen met de bewindvoerder van de moeder zodat er testen gekocht kunnen worden. De GI zou testen willen afnemen zodat zij feitelijk kan vaststellen of het de moeder lukt om abstinent te blijven van verdovende middelen, om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen. Dit omdat er vanuit de kinderopvang signalen zijn dat moeder mogelijk verdovende middelen gebruikt. Het kinderdagverblijf heeft tweemaal (op 16 en 23 januari 2025) de GI gebeld met de mededeling dat de moeder, ruikend naar wiet, [minderjarige] van het kinderdagverblijf heeft opgehaald. De GI wilde de kinderopvang in de gelegenheid stellen om dit vandaag eerst zelf met de moeder te bespreken maar wil ook open en eerlijk zijn over de zorgsignalen die (recent) binnen zijn gekomen. Daarnaast zijn er ook nog zorgen over de emotieregulatie van de moeder. De GI heeft van de pleegmoeder vernomen dat de moeder een spraakbericht heeft gestuurd waarin de moeder de pleegmoeder uitscheldt. Daarnaast is het belangrijk dat de moeder haar verantwoordelijkheden oppakt, de omgangsmomenten (die deels begeleid zijn) consequent nakomt en op alle momenten de zorg voor [minderjarige] kan dragen, ook op het moment dat hij ziek is. Gezien de zorgen is de GI niet voornemens om de omgang tussen de moeder en [minderjarige] uit te breiden. Verder geeft de GI aan dat zij gebeld is door de mogelijke vader van [minderjarige] . Hij wil een rol spelen in het leven van [minderjarige] en hij komt hier samen met de moeder niet uit. Het klopt dat er is afgesproken dat de moeder geen contact met de mogelijke vader van [minderjarige] mag hebben. Hij geeft echter aan dat dit wel is gebeurd. Hij zegt ook dat hij [minderjarige] regelmatig heeft gezien. De GI vraagt zich dan ook af of het echt zo goed met de moeder gaat als dat zij vertelt. De GI wil met zekerheid kunnen zeggen dat het goed gaat met de moeder voordat [minderjarige] terug thuis geplaatst kan worden. [minderjarige] heeft veel verschillende verblijfplaatsen gehad en dit moet verder voorkomen worden.
4.2.
De advocaat geeft aan dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd voor een beperkte duur, namelijk voor de duur van zes maanden. Wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is de advocaat van mening dat deze moet worden afgewezen. Indien de kinderrechter niet tot afwijzing overgaat, moet de machtiging tot uithuisplaatsing buitengewoon beperkt worden voor de duur van drie maanden, waarbij er een opbouw moet plaatsvinden ten aanzien van de omgangsregeling. De advocaat merkt op dat hij grote moeite heeft met de gang van zaken. De GI geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat er verschillende zorgen zijn over de moeder, maar deze zorgen zijn niet terug te lezen in de stukken. Het is niet de eerste keer dat de jeugdbeschermer op zitting dingen beweert die niet terug te lezen zijn in de stukken en waarvan er geen onderbouwing is. Het optreden van de GI is in deze zaak schandalig en klachtwaardig. Daarnaast staan er onjuistheden in de rapportage. [minderjarige] heeft namelijk wel zijn basisinentingen gehad. De GI kan in het kader van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing geen drugstesten afnemen bij de moeder. Daarnaast is er ook geen concreet aantoonbaar vermoeden dat de moeder verdovende middelen gebruikt. Ook houdt de GI er contacten op na met de mogelijke vader van [minderjarige] terwijl er expliciet tegen de moeder is gezegd dat zij het contact met hem moest verbreken. Verder geeft de advocaat aan dat hij in de stukken niets leest over de ontwikkelingsproblematiek van [minderjarige] . De GI geeft aan dat er verschillende zorgsignalen binnen zijn gekomen, maar deze zijn niet nader geconcretiseerd. Het gaat er om of de moeder in staat is om de zorg voor [minderjarige] te dragen. Uit de verslagen van de (paarden)therapie en de omgangsverslagen – die het meest objectiveerbaar zijn - volgt dat het goed gaat met de moeder. Hierin is niks terug te lezen over middelengebruik. De moeder heeft therapie en volgt de aanwijzingen goed op. De moeder begrijpt dat zij de komende periode nog begeleiding nodig heeft in het kader van de ondertoezichtstelling. De GI moet echter wel keuzes gaan maken. [minderjarige] is bijna drie jaar en is het is belangrijk dat er hechting gaat plaatsvinden tussen [minderjarige] en de moeder.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Beoordeling
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar, met ingang van 10 februari 2025 en tot 10 februari 2026. Tevens zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van drie maanden, met ingang van 10 februari 2025 en tot 10 mei 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
5.4.
De kinderrechter licht de beslissing hieronder toe.
5.5.
Allereerst wil de kinderrechter opmerken dat er sprake is van een prille positieve ontwikkeling. De moeder woont sinds december 2024 in haar eigen woning en accepteert hulpverlening voor haar persoonlijke problematiek in de vorm van paardentherapie. Dit verloopt goed. De kinderrechter stelt vast dat de moeder van ver komt en dat zij sinds de geboorte van [minderjarige] veel voor haar kiezen heeft gehad. Het lijkt erop dat moeder zich wil inzetten om stappen te zetten in de goede richting.
5.6.
De kinderrechter constateert dat de moeder weliswaar op de goede weg zit, maar dat zij zelf ook onderkent dat zij nog steeds begeleiding nodig heeft vanuit de GI. De kinderrechter stelt echter vast dat er geen sprake is van een positieve samenwerking tussen de moeder en de GI. Dit moet in het belang van [minderjarige] snel veranderen. Hij heeft het nodig dat er een stabiele opvoedomgeving ontstaat, waarbij moeder zich ondersteund voelt door de GI en niet tegengewerkt. Het is immers van groot belang voor [minderjarige] dat de ingezette positieve lijn wordt voortgezet.
5.7.
Daarnaast blijkt uit de mondelinge behandeling dat er bij de GI recent verschillende zorgsignalen binnen zijn gekomen. Vanuit de GI zijn er zorgen omtrent het (mogelijk) middelengebruik van de moeder, de emotieregulatie van de moeder en of de moeder de verantwoordelijkheden van de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich kan nemen. Hier moet de komende periode duidelijkheid over komen. Als de zorgen waar zijn, moeten deze concreet gemaakt worden en herleidbaar zijn in de stukken. De GI heeft voor de onderhavige zaak ook geen gezinsplan overgelegd en uit de wel overgelegde stukken blijken niet de zorgen die door de GI tijdens de mondelinge behandeling zijn genoemd. De moeder heeft zich daar aldus niet op kunnen voorbereiden en is daarmee logischerwijs overvallen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling. De rechtbank gaat ervan uit dat de GI ter gelegenheid van een eventuele volgende mondelinge behandeling een volledig beeld zal schetsen van de bij haar bestaande zorgen, zodat de moeder zich daar deugdelijk tegen kan verweren, maar ook zodat moeder weet wat de GI van haar verwacht.
5.8.
Verder overweegt de kinderrechter dat [minderjarige] sinds kerst 2023 bij de pleegmoeder woont en hij heeft het daar naar zijn zin. [minderjarige] is nog vrij jong, ontwikkelt zich goed maar er moet ook duidelijkheid komen over waar [minderjarige] mag opgroeien. De kinderrechter begrijpt dat de insteek van de ondertoezichtstelling nog altijd is om te werken aan een terugthuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. In de afgelopen periode heeft er een uitbreiding van de omgangsregeling plaatsgevonden. De moeder ziet [minderjarige] momenteel drie keer in de week, met een overnachting van donderdag op vrijdag. Gezien de omgangsverslagen stelt de kinderrechter vast dat dit goed verloopt. De kinderrechter ziet het echter niet gebeuren dat [minderjarige] binnen een maand weer terug thuis kan wonen, maar vindt dat er in de komende drie maanden wel stappen gezet moeten worden.
5.9.
De kinderrechter verwacht van de GI uiterlijk een week voor de volgende mondelinge behandeling een briefrapportage met daarin een actueel werkplan en een actueel gezinsplan, waaruit ook het perspectief van [minderjarige] blijkt en een onderbouwing daarvan. De kinderrechter wil een overzicht waar aan wordt gewerkt en waar naar toe wordt gewerkt. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat de zorgen – zoals die door de GI tijdens de mondelinge behandeling naar voren zijn gebracht – concreet op papier komen te staan en dat de GI onderzoekt of die zorgen ook terecht zijn en daarover ook het gesprek met moeder aangaat. Tot slot moet de samenwerking tussen de moeder en de GI worden verbeterd. Het is belangrijk dat zij goed communiceren en de samenwerking opzoeken.
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, met ingang van 10 februari 2025 en tot 10 februari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van drie maanden, met ingang van 10 februari 2025 en tot 10 mei 2025;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin aan tot een nader te bepalen datum voor 10 mei 2025 en verzoekt de advocaat van de moeder en de GI uiterlijk een maand voorafgaand aan die datum hun verhinderdata te sturen;
6.4.
verzoekt de GI om uiterlijk een week voorafgaand aan de nader te bepalen mondelinge behandeling schriftelijk verslag uit te brengen over de ontwikkelingen en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.9. is overwogen;
6.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 28 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/430575 / JE RK 25-44
Datum uitspraak: 6 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI.
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 januari 2025, ontvangen op 7 januari 2025;
het e-mailbericht van mr. Bronsveld van 6 februari 2025, ontvangen op 6 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI (via een Teamsverbinding).
1.3.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was tevens bij de mondelinge behandeling aanwezig een vriendin van de moeder.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 27 mei 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 mei 2022 en tot 16 augustus 2022.
2.3.
Bij beschikking van 10 augustus 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 augustus 2022 en tot 10 februari 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 februari 2025.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 maart 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 7 maart 2023 tot 21 maart 2023, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 maart 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 7 juni 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling op 26 mei 2023.
2.6.
In mei 2023 is [minderjarige] na een periode uit huis te zijn geplaatst weer bij de moeder teruggeplaatst.
2.7.
Bij beschikking van 1 februari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 1 februari 2024 en tot 10 februari 2024. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met ingang van 10 februari 2024 en tot 1 april 2024.
2.8.
Bij beschikking van 21 maart 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 1 april 2024 en tot 10 augustus 2024.
2.9.
Bij beschikking van 9 augustus 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 10 november 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.10.
Bij beschikking van 31 oktober 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 10 november 2024 en tot 10 februari 2025.
2.11.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen met ingang van 11 februari 2024 voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter neemt aan dat het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing bedoeld is betrekking te hebben op de periode vanaf 10 februari 2025.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Vorige week heeft er een uitgebreide evaluatie plaatsgevonden waarbij de moeder, de GI en de betrokken hulpverleners aanwezig waren. Pleegzorg kon hierbij niet aansluiten. Er is toen duidelijk naar voren gekomen dat er vanuit diverse kanalen zorgen zijn gemeld over de moeder. Deze zorgen worden door de moeder niet erkend. De GI merkt dat zij en de moeder niet op een lijn zitten. De moeder geeft aan dat het goed gaat en dat zij positieve stappen zet, maar tegelijkertijd maakt de GI zich nog zorgen over bepaalde aspecten. Zo ook over het middelengebruik van de moeder. De afgelopen maanden is vanuit de moeder aangegeven dat zij niet afhankelijk is van wiet maar zij neemt geen initiatief om dit aan te tonen. De GI heeft zelf contact opgenomen met de bewindvoerder van de moeder zodat er testen gekocht kunnen worden. De GI zou testen willen afnemen zodat zij feitelijk kan vaststellen of het de moeder lukt om abstinent te blijven van verdovende middelen, om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen. Dit omdat er vanuit de kinderopvang signalen zijn dat moeder mogelijk verdovende middelen gebruikt. Het kinderdagverblijf heeft tweemaal (op 16 en 23 januari 2025) de GI gebeld met de mededeling dat de moeder, ruikend naar wiet, [minderjarige] van het kinderdagverblijf heeft opgehaald. De GI wilde de kinderopvang in de gelegenheid stellen om dit vandaag eerst zelf met de moeder te bespreken maar wil ook open en eerlijk zijn over de zorgsignalen die (recent) binnen zijn gekomen. Daarnaast zijn er ook nog zorgen over de emotieregulatie van de moeder. De GI heeft van de pleegmoeder vernomen dat de moeder een spraakbericht heeft gestuurd waarin de moeder de pleegmoeder uitscheldt. Daarnaast is het belangrijk dat de moeder haar verantwoordelijkheden oppakt, de omgangsmomenten (die deels begeleid zijn) consequent nakomt en op alle momenten de zorg voor [minderjarige] kan dragen, ook op het moment dat hij ziek is. Gezien de zorgen is de GI niet voornemens om de omgang tussen de moeder en [minderjarige] uit te breiden. Verder geeft de GI aan dat zij gebeld is door de mogelijke vader van [minderjarige] . Hij wil een rol spelen in het leven van [minderjarige] en hij komt hier samen met de moeder niet uit. Het klopt dat er is afgesproken dat de moeder geen contact met de mogelijke vader van [minderjarige] mag hebben. Hij geeft echter aan dat dit wel is gebeurd. Hij zegt ook dat hij [minderjarige] regelmatig heeft gezien. De GI vraagt zich dan ook af of het echt zo goed met de moeder gaat als dat zij vertelt. De GI wil met zekerheid kunnen zeggen dat het goed gaat met de moeder voordat [minderjarige] terug thuis geplaatst kan worden. [minderjarige] heeft veel verschillende verblijfplaatsen gehad en dit moet verder voorkomen worden.
4.2.
De advocaat geeft aan dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd voor een beperkte duur, namelijk voor de duur van zes maanden. Wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is de advocaat van mening dat deze moet worden afgewezen. Indien de kinderrechter niet tot afwijzing overgaat, moet de machtiging tot uithuisplaatsing buitengewoon beperkt worden voor de duur van drie maanden, waarbij er een opbouw moet plaatsvinden ten aanzien van de omgangsregeling. De advocaat merkt op dat hij grote moeite heeft met de gang van zaken. De GI geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat er verschillende zorgen zijn over de moeder, maar deze zorgen zijn niet terug te lezen in de stukken. Het is niet de eerste keer dat de jeugdbeschermer op zitting dingen beweert die niet terug te lezen zijn in de stukken en waarvan er geen onderbouwing is. Het optreden van de GI is in deze zaak schandalig en klachtwaardig. Daarnaast staan er onjuistheden in de rapportage. [minderjarige] heeft namelijk wel zijn basisinentingen gehad. De GI kan in het kader van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing geen drugstesten afnemen bij de moeder. Daarnaast is er ook geen concreet aantoonbaar vermoeden dat de moeder verdovende middelen gebruikt. Ook houdt de GI er contacten op na met de mogelijke vader van [minderjarige] terwijl er expliciet tegen de moeder is gezegd dat zij het contact met hem moest verbreken. Verder geeft de advocaat aan dat hij in de stukken niets leest over de ontwikkelingsproblematiek van [minderjarige] . De GI geeft aan dat er verschillende zorgsignalen binnen zijn gekomen, maar deze zijn niet nader geconcretiseerd. Het gaat er om of de moeder in staat is om de zorg voor [minderjarige] te dragen. Uit de verslagen van de (paarden)therapie en de omgangsverslagen – die het meest objectiveerbaar zijn - volgt dat het goed gaat met de moeder. Hierin is niks terug te lezen over middelengebruik. De moeder heeft therapie en volgt de aanwijzingen goed op. De moeder begrijpt dat zij de komende periode nog begeleiding nodig heeft in het kader van de ondertoezichtstelling. De GI moet echter wel keuzes gaan maken. [minderjarige] is bijna drie jaar en is het is belangrijk dat er hechting gaat plaatsvinden tussen [minderjarige] en de moeder.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Beoordeling
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar, met ingang van 10 februari 2025 en tot 10 februari 2026. Tevens zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van drie maanden, met ingang van 10 februari 2025 en tot 10 mei 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
5.4.
De kinderrechter licht de beslissing hieronder toe.
5.5.
Allereerst wil de kinderrechter opmerken dat er sprake is van een prille positieve ontwikkeling. De moeder woont sinds december 2024 in haar eigen woning en accepteert hulpverlening voor haar persoonlijke problematiek in de vorm van paardentherapie. Dit verloopt goed. De kinderrechter stelt vast dat de moeder van ver komt en dat zij sinds de geboorte van [minderjarige] veel voor haar kiezen heeft gehad. Het lijkt erop dat moeder zich wil inzetten om stappen te zetten in de goede richting.
5.6.
De kinderrechter constateert dat de moeder weliswaar op de goede weg zit, maar dat zij zelf ook onderkent dat zij nog steeds begeleiding nodig heeft vanuit de GI. De kinderrechter stelt echter vast dat er geen sprake is van een positieve samenwerking tussen de moeder en de GI. Dit moet in het belang van [minderjarige] snel veranderen. Hij heeft het nodig dat er een stabiele opvoedomgeving ontstaat, waarbij moeder zich ondersteund voelt door de GI en niet tegengewerkt. Het is immers van groot belang voor [minderjarige] dat de ingezette positieve lijn wordt voortgezet.
5.7.
Daarnaast blijkt uit de mondelinge behandeling dat er bij de GI recent verschillende zorgsignalen binnen zijn gekomen. Vanuit de GI zijn er zorgen omtrent het (mogelijk) middelengebruik van de moeder, de emotieregulatie van de moeder en of de moeder de verantwoordelijkheden van de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich kan nemen. Hier moet de komende periode duidelijkheid over komen. Als de zorgen waar zijn, moeten deze concreet gemaakt worden en herleidbaar zijn in de stukken. De GI heeft voor de onderhavige zaak ook geen gezinsplan overgelegd en uit de wel overgelegde stukken blijken niet de zorgen die door de GI tijdens de mondelinge behandeling zijn genoemd. De moeder heeft zich daar aldus niet op kunnen voorbereiden en is daarmee logischerwijs overvallen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling. De rechtbank gaat ervan uit dat de GI ter gelegenheid van een eventuele volgende mondelinge behandeling een volledig beeld zal schetsen van de bij haar bestaande zorgen, zodat de moeder zich daar deugdelijk tegen kan verweren, maar ook zodat moeder weet wat de GI van haar verwacht.
5.8.
Verder overweegt de kinderrechter dat [minderjarige] sinds kerst 2023 bij de pleegmoeder woont en hij heeft het daar naar zijn zin. [minderjarige] is nog vrij jong, ontwikkelt zich goed maar er moet ook duidelijkheid komen over waar [minderjarige] mag opgroeien. De kinderrechter begrijpt dat de insteek van de ondertoezichtstelling nog altijd is om te werken aan een terugthuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. In de afgelopen periode heeft er een uitbreiding van de omgangsregeling plaatsgevonden. De moeder ziet [minderjarige] momenteel drie keer in de week, met een overnachting van donderdag op vrijdag. Gezien de omgangsverslagen stelt de kinderrechter vast dat dit goed verloopt. De kinderrechter ziet het echter niet gebeuren dat [minderjarige] binnen een maand weer terug thuis kan wonen, maar vindt dat er in de komende drie maanden wel stappen gezet moeten worden.
5.9.
De kinderrechter verwacht van de GI uiterlijk een week voor de volgende mondelinge behandeling een briefrapportage met daarin een actueel werkplan en een actueel gezinsplan, waaruit ook het perspectief van [minderjarige] blijkt en een onderbouwing daarvan. De kinderrechter wil een overzicht waar aan wordt gewerkt en waar naar toe wordt gewerkt. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat de zorgen – zoals die door de GI tijdens de mondelinge behandeling naar voren zijn gebracht – concreet op papier komen te staan en dat de GI onderzoekt of die zorgen ook terecht zijn en daarover ook het gesprek met moeder aangaat. Tot slot moet de samenwerking tussen de moeder en de GI worden verbeterd. Het is belangrijk dat zij goed communiceren en de samenwerking opzoeken.
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, met ingang van 10 februari 2025 en tot 10 februari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van drie maanden, met ingang van 10 februari 2025 en tot 10 mei 2025;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin aan tot een nader te bepalen datum voor 10 mei 2025 en verzoekt de advocaat van de moeder en de GI uiterlijk een maand voorafgaand aan die datum hun verhinderdata te sturen;
6.4.
verzoekt de GI om uiterlijk een week voorafgaand aan de nader te bepalen mondelinge behandeling schriftelijk verslag uit te brengen over de ontwikkelingen en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.9. is overwogen;
6.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 28 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.