Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-24
ECLI:NL:RBZWB:2025:1360
Civiel recht
Rekestprocedure
3,702 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:1360 text/xml public 2026-04-10T16:07:02 2025-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-01-24 C/02/429139 / FA RK 24-5530 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBZWB:2026:2306 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:1360 text/html public 2026-03-31T09:24:16 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:1360 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-01-2025 / C/02/429139 / FA RK 24-5530 provo beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/429139 / FA RK 24-5530 datum uitspraak: 24 januari 2025 beschikking betreffende een provisionele voorziening in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. P.C. van der Kuijl in Middelburg, tegen [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. R. Wouters in Middelburg, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 20 november 2024 ontvangen verzoek met bijlagen; - het op 6 januari 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen; - het op 8 januari 2024 door mr. Van der Kuijl ingediende F9-formulier met bijlagen. 1.2 Het verzoek is mondeling behandeld op 10 januari 2025. Bij die behandeling is gekomen de advocaat van de vrouw en de man met zijn advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad. Niet aanwezig was de vrouw. De rechtbank heeft bijzondere toestemming verleend om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn aan mevrouw [persoon] , begeleidster van de man, werkzaam bij [begeleiding] . 1.3 Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. 2.2 [minderjarige] verblijft bij de vrouw. 2.3 Bij beschikking van 25 mei 2020 heeft de rechtbank beslist dat partijen gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] worden belast. Hiernaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] één keer in de veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 18:00 uur bij de man verblijft alsmede om de twee weken op woensdagmiddag van 12:00 uur tot 18:00 uur, vakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld waarbij gedurende de zomervakantie (zes weken) de man in de oneven weken en de vrouw in de even weken de zorg heeft voor [minderjarige] . 2.4 Op 20 november 2024 heeft de vrouw eveneens een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij verzoekt mr. E. Sijnesael te benoemen tot bijzondere curator over [minderjarige] om haar in deze procedure in rechte bij te staan, de vastgestelde zorgregeling in dier voege te wijzigen dat [minderjarige] zelf mag bepalen wanneer en in welke vorm zij contact zal hebben met haar vader, en het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag voor de vrouw. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer C/02/429131/ FA RK 24-5524. 3 Het verzoek 3.1 De vrouw verzoekt de bij beschikking van de rechtbank van 25 mei 2020 vastgestelde zorgregeling tussen de minderjarige [minderjarige] en de man op te schorten voor de duur van het geding en te bepalen dat dat [minderjarige] zelf mag bepalen wanneer en in welke vorm zij contact zal hebben met haar vader, dan wel een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat ze verzoekt te bepalen dat de man en [minderjarige] één keer in de maand en twee keer één week in de zomervakantie omgang met elkaar hebben. 3.2 De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen. 3.3 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Wettelijk kader 4.1 Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. 4.2 In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). 4.3 Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek. Inhoudelijke beoordeling 4.4 Namens de vrouw is verklaard dat de problemen waar de man mee kampte in de tijd dat het gezamenlijk gezag werd toegewezen, zijn verergerd. De man heeft psychische problemen en weigert medicatie. Ook rookt hij als zelfmedicatie joints en is hij verslaafd aan alcohol. De afgelopen jaren zijn moeizaam verlopen. De vrouw wil de vastgestelde zorgregeling nakomen en wil dat [minderjarige] contact heeft met de man, maar ze vindt het moeilijk om haar mee te geven aan een man die psychische problematiek heeft, drinkt en blowt. Op het moment dat de vrouw hierover met de man in gesprek wil gaan, gaat hij door het lint. Hij dreigt ook zichzelf van het leven te beroven als hij [minderjarige] niet meer mag zien. Wanneer [minderjarige] terugkomt van de man stinkt ze naar wiet en is ze erg moe. [minderjarige] heeft angst en moeite moeten overwinnen om aan de vrouw te vertellen dat de man blowt en drinkt, dat ze alleen maar friet eten en dat ze laat naar bed gaat. Hiernaast heeft de man tegen [minderjarige] gezegd dat hij niet meer wil leven als hij haar niet meer ziet. [minderjarige] maakt zich dan ook erge zorgen om de man. Tegelijkertijd zit ze in een loyaliteitsconflict waarbij ze aan de ene kant de man niet wil kwetsen en aan de andere kant wil opkomen voor haar eigen persoonlijke belangen, haar welbevinden en haar veiligheid. Momenteel wil [minderjarige] niet meer zo vaak naar de man toe. Vanaf 3 december 2024 is de zorgregeling tussen [minderjarige] en de man beperkt. Sindsdien lijkt [minderjarige] meer ontspannen en opmerkelijk is dat ook haar cijfers en prestaties op school aanzienlijk verbeterd zijn. Echter wil [minderjarige] het contact niet verbreken; ze houdt van de man en wil hem geen pijn doen, maar ze wil graag één keer in de maand omgang met de man en twee keer een week in de zomervakantie. Hierbij wordt gesteld dat wanneer de vrouw merkt dat de situatie bij de man verbetert zij [minderjarige] altijd zal stimuleren om contact te hebben met de man en hem te bezoeken. Ze verwacht dat [minderjarige] dat zelf ook zal willen. 4.5 Door en namens de man is verklaard dat de man met persoonlijke problemen kampt en dat hij hier hulpverlening bij heeft gezocht. Deze hulpverlening is inmiddels opgestart. De man zit sinds januari 2024 bij een psycholoog voor zijn ADHD en voor depressieve klachten. Ook zit hij sinds kort bij een psychiater, zodat hij medicatie kan krijgen voor zijn ADHD. Dit kon niet eerder, omdat er lange wachtlijsten zijn. Het is dan ook onjuist dat de man medicatie voorgeschreven heeft gekregen die hij niet neemt, zoals de vrouw stelt. Ook is de man niet verslaafd aan alcohol en drugs. Hij drinkt wel eens een biertje, maar niet dagelijks. Momenteel drinkt hij zelfs geen alcohol meer, omdat hij dan beter om kan gaan met zijn emoties. De vrouw stelt dat er bij de man blikjes bier in beeld staan op het moment dat [minderjarige] en de vrouw met elkaar beeldbellen. Dit kan kloppen, omdat de man verschillende blikjes bier verzamelt. Als [minderjarige] dit vervelend vindt, zal de man deze blikjes opruimen. De vrouw weet dat de man persoonlijke problematiek heeft en probeert dit te gebruiken om hem te diskwalificeren. Ze is [minderjarige] voor haar karretje aan het spannen. Er is geen acuut gevaar voor [minderjarige] als ze bij de man verblijft.
Volledig
Bij de man is er juist meer structuur en regelmaat dan bij de vrouw. Partijen hebben in de afgelopen jaren redelijk over [minderjarige] kunnen overleggen. Echter vindt de man het jammer dat de vrouw er nu voor heeft gekozen een zaak aan te spannen, terwijl de man van niks wist. De man wil juist overleggen met de vrouw of de zorgregeling moet worden aangepast, omdat hij begrijpt dat [minderjarige] ouder wordt en andere behoeften krijgt. De man is echter wel van mening dat er een vaste zorgregeling moet zijn. Mocht het nodig zijn, dan is de man altijd al bereid om een hulptraject, IPT of hulpverlening vanuit bijvoorbeeld [hulpverlening 1] te accepteren, ondanks dat [hulpverlening 1] eerder heeft vastgesteld dat hulpverlening in de thuissituatie van de man niet noodzakelijk is. 4.6 Door de Raad is tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat het duidelijk is dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders. Ze is 12 jaar oud en krijgt steeds meer mee van de conflicten tussen de ouders. Ook is ze op een leeftijd waarop ze zich steeds meer op haar eigen leven richt. De ouders moeten hier een plan omheen bedenken waardoor [minderjarige] zo evenwichtig mogelijk opgroeit. Hulpverlening vanuit bijvoorbeeld de gemeente kan hier passend bij zijn. Het contact tussen de man en [minderjarige] moet niet opgeschort worden, omdat dit erg ingrijpend is en niet in het belang is van [minderjarige] . Hiernaast is dat ook niet de wens van [minderjarige] . De Raad kan zich voorstellen dat er een raadsonderzoek moet worden uitgevoerd, omdat de verhalen van de ouders haaks op elkaar staan. Dit kan worden ingezet in het kader van de bodemprocedure. Tot die tijd moet er echter wel een voorlopige zorgregeling worden bepaald. De Raad adviseert te bepalen dat [minderjarige] en de man één keer in de vier weken een dag samen iets leuks doen en dat er daarnaast één omgangsweekend per maand plaatsvindt. Omdat de zorgregeling momenteel stil ligt, moet dit zo snel als mogelijk worden opgestart. Ook is het belangrijk dat de ouders hulpverlening aan gaan vragen via de gemeente, zodat ze samen kunnen toewerken naar de oude zorgregeling. De ouders kunnen zichzelf hiervoor aanmelden. De Raad adviseert ten overvloede dat het fijner voor ouders kan zijn wanneer ze via de mail met elkaar communiceren, in plaats van via WhatsApp. Dit schept wat meer afstand en laat minder ruimte voor discussies. 4.7 Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het noodzakelijk is dat er een raadsonderzoek gelast wordt ten behoeve van de bodemprocedure met zaaknummer C/02/429131/ FA RK 24-4424. De rechtbank acht het van belang dat de Raad onderzoek gaat uitvoeren naar de volgende vragen: Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? Past een verandering van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders bij de belangen van [minderjarige] ? Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)? Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? 4.8 Omdat het uitvoeren van dit onderzoek tijd kost en de Raad heeft laten weten dat er een wachtlijst is van drie tot vier maanden voordat er gestart kan worden met het onderzoek, zal de rechtbank de zaak aanhouden tot juli 2025. De rechtbank verwacht van de Raad dat hij de rechtbank twee weken voor de nader te bepalen zittingsdatum in juli 2025 op de hoogte stelt van de uitkomst van het onderzoek en zijn advies hieromtrent. 4.9 Hiernaast is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat partijen zich kunnen vinden in het voorstel van de Raad. Ze hebben de volgende voorlopige afspraken gemaakt, die gelden totdat het raadsonderzoek is afgerond en er een nadere beslissing zal zijn genomen over de omgang (of ouders samen een andere afspraak overeenkomen): - [minderjarige] verblijft één dag per vier weken, op zaterdag van 10:00 uur tot 20:00 uur, en één weekend per vier weken, van vrijdag na school tot zondag 18:00 uur bij de man. De losse zaterdag kan eventueel, na overleg, een losse zondag worden als beide ouders hiermee instemmen. Op deze dag ondernemen [minderjarige] en de man samen, in overleg met elkaar, iets leuks; - de regeling start op zaterdag 18 januari 2025 met een losse zaterdag. Twee weken erna is het eerste weekend dat [minderjarige] bij de man verblijft. De regeling loopt dan op die manier door; - de ouders melden zich allebei aan bij [hulpverlening 2] in [woonplaats 1] en gaan hulpverlening aan om onder meer toe te werken naar de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 25 mei 2020; - de ouders communiceren met elkaar via de e-mail. Alleen bij spoedzaken wordt er via WhatsApp gecommuniceerd. Uitvoerbaar bij voorraad 4.10 De rechtbank zal de beslissing met betrekking tot de voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat die beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1 bepaalt dat als voorlopige zorgregeling geldt de zorgregeling zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.9; 5.2 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3 verzoekt de Raad om onderzoek te doen naar de vragen vermeld onder rechtsoverweging 4.7 en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk twee weken voor de nadere mondelinge behandeling in juli 2025 bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen; 5.4 houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken aan tot een nader te bepalen zittingsdatum in juli 2025. Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025 in aanwezigheid van drs. Swint, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.