Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-22
ECLI:NL:RBZWB:2025:1155
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,534 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11105626 \ CV EXPL 24-2508
Vonnis van 22 januari 2025
in de zaak van
[opdrachtnemer]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtnemer] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[opdrachtgever] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
[opdrachtnemer] vordert in deze procedure betaling van twee facturen. [opdrachtgever] voert als verweer dat zij juist nog een vordering op [opdrachtnemer] heeft. Volgens [opdrachtgever] heeft zij schade geleden door het handelen van [opdrachtnemer] . [opdrachtgever] stelt hiervoor ook een tegenvordering in. De kantonrechter zal de vordering van [opdrachtnemer] toewijzen. De tegenvordering van [opdrachtgever] zal worden afgewezen, omdat [opdrachtgever] deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juli 2024
- de conclusie van antwoord in reconventie- de mondelinge behandeling van 12 november 2024, waarbij [opdrachtnemer] zonder zijn gemachtigde is verschenen
- de aanvullende productie die [opdrachtnemer] tijdens de mondelinge behandeling heeft ingediend.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
[opdrachtnemer] heeft in opdracht van [opdrachtgever] werkzaamheden voor laatstgenoemde verricht in de periode tussen 21 februari 2022 en 4 maart 2022. Voor deze werkzaamheden heeft [opdrachtnemer] aan [opdrachtgever] twee facturen gestuurd, namelijk:- Factuur 20220012 van 24 februari 2022 ten bedrage van: € 1.279,58
- Factuur 20220014 van 6 maart 2022 ten bedrage van: € 1188,82
Totaal € 2.468,40
Geschil
in conventie
4.1.
[opdrachtnemer] vordert - samengevat - veroordeling van [opdrachtgever] tot betaling van € 2.468,40, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[opdrachtgever] voert verweer. [opdrachtgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [opdrachtnemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [opdrachtnemer] , met veroordeling van [opdrachtnemer] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[opdrachtgever] vordert - samengevat - veroordeling van [opdrachtnemer] tot betaling van € 5.700,00.
4.5.
[opdrachtnemer] voert verweer. [opdrachtnemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [opdrachtgever] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [opdrachtgever] , met veroordeling van [opdrachtgever] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
5.1.
[opdrachtgever] heeft de vordering van [opdrachtnemer] op zichzelf erkend, althans niet of onvoldoende bestreden. De vordering van [opdrachtnemer] komt de kantonrechter ook niet ongegrond of onrechtmatig voor. Daarom is de vordering van [opdrachtnemer] in beginsel toewijsbaar.
5.2.
Echter, [opdrachtgever] voert een verrekeningsverweer. In dat kader stelt [opdrachtgever] dat zij nog een vordering heeft op [opdrachtnemer] van € 5.700,00 uit hoofde van schadevergoeding.
5.3.
Volgens [opdrachtgever] is [opdrachtnemer] bij andere werkzaamheden niet komen opdagen, waardoor [opdrachtgever] schade heeft geleden. Zo stelt [opdrachtgever] dat er twee opdrachten zijn geannuleerd en dat zij voor overige opdrachten andere mensen heeft moeten inhuren tegen een hoger uurtarief. Bovendien stelt [opdrachtgever] dat zij schade heeft geleden doordat zij klachten over het werk van [opdrachtnemer] heeft moeten (laten) oplossen.
5.4.
[opdrachtnemer] betwist deze stellingen van [opdrachtgever] . [opdrachtnemer] voert aan dat hij één dag niet is komen werken (28 februari), maar voor die dag had hij vooraf vrij gevraagd. Ook betwist [opdrachtnemer] dat door hem werk niet is doorgegaan en dat [opdrachtgever] andere mensen heeft moeten inzetten. Verder voert [opdrachtnemer] aan dat hij deugdelijk werk heeft verricht.
5.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtgever] zijn tegenvordering in het licht van het door [opdrachtnemer] gevoerde verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Zo blijkt onvoldoende dat [opdrachtnemer] afspraken niet is nagekomen. Ook is onvoldoende duidelijk welke opdrachten zijn geannuleerd en voor welk werk andere mensen tegen een hoger uurtarief zijn ingehuurd. Ook over de klachten met betrekking tot het werk van [opdrachtnemer] heeft [opdrachtgever] onvoldoende informatie gegeven. Datzelfde geldt voor de hoogte van de schade(vergoeding).
5.6.
Kortom, de kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtgever] haar vordering op [opdrachtnemer] van € 5.700,00 onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom slaagt het verrekeningsverweer van [opdrachtgever] niet, zodat de door [opdrachtnemer] gevorderde hoofdsom van € 2.468,40 zal worden toegewezen.
5.7.
De primair gevorderde wettelijke rente vanaf 5 april 2022 zal niet worden toegewezen, omdat [opdrachtnemer] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat [opdrachtgever] vanaf die datum in verzuim is. De subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding is op grond van artikel 6:119a BW wel toewijsbaar.
5.8.
[opdrachtnemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 370,26 toegewezen.
5.9.
[opdrachtgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtnemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
238,00
(1 punt × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
720,22
in reconventie
5.10.
Uit de overwegingen in conventie volgt dat [opdrachtgever] de vordering in reconventie onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom zal de kantonrechter deze vordering afwijzen.
5.11.
[opdrachtgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [opdrachtnemer] worden begroot op € 119,00 (1 punt × factor 0,5 × € 238,00 aan salaris gemachtigde.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 2.838,66, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [opdrachtgever] in de proceskosten van € 720,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.4.
wijst de vorderingen van [opdrachtgever] af,
6.5.
veroordeelt [opdrachtgever] in de proceskosten van € 119,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.6.
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van de kosten van betekening als [opdrachtgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.