Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:1103
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,110 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 11028985 \ MB VERZ 24-389
CJIB-nummer : 5062 5422 5677 0840
uitspraakdatum : 17 januari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 januari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 16 februari 2023 om 17:10 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt dat de voertuigen enkel op vrijdag of zaterdag bekeurd kunnen worden, aangezien ze dan gebruikt worden op de weg naar Tilburg en op de markten in Tilburg. Op de andere dagen staan ze in de loods of op privéterrein in [plaats]. Daarbij komt dat de nummerborden nog steeds niet zijn gemonteerd op de veegwagens. Ze zijn wel aanwezig maar liggen los in de veegwagens en tot nu toe is dat bij de controle van de politie geen probleem. Concluderend kan niet worden aangetoond dat op de pleegdatum de veegwagen op de weg was of is gefotografeerd. De veegwagens zijn altijd verzekerd geweest, aangezien ze anders de markten niet op mochten. Eerst waren de veegwagens verzekerd bij VCN-verzekeringen en daarna bij Zicht-verzekeringen. Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat er sinds 1 juli 2022 een kenteken- en registratieplicht geldt en dat het een rommelige tijd was waarin de instanties ook niet wisten hoe een en ander geregeld moest worden. De verzekering voor de veegwagens loopt al vanaf 2017 en is tussendoor niet gestopt.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft zijn stelling onvoldoende aannemelijk gemaakt middels bewijsstukken. Niet is gebleken dat het voertuig verzekerd was op de peildatum.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat het verzekeringsoverzicht van VCN verzekeringen, dat betrokkene heeft toegevoegd aan het beroepschrift, stelt dat het voertuig vanaf 1 april 2023 verzekerd was. De registercontrole van het RDW geeft aan dat de ingangsdatum van de verzekering op 14 april 2023 was. De verklaring van de verzekeringsmaatschappij en het register van het RDW zijn dan ook tegenstrijdig. Betrokkene krijgt op dit punt het voordeel van de twijfel. Dit betekent dat niet duidelijk is of de boete terecht is opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 409,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: