Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:1095
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,335 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10917007 \ MB VERZ 24-104
CJIB-nummer : 1062 5422 5463 1400
uitspraakdatum : 17 januari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. B. de Jong (Adviesbureau Skandara B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 januari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op een parkeergelegenheid terwijl het voertuig niet tot de aangegeven categorie of groep voertuigen behoorde op de [adres] te [plaats] op 19 december 2022 om 13:36 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Gemachtigde stelt dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat uit het bijgevoegde uittreksel blijkt dat [naam] als bevoegd bestuurder van [betrokkene] B.V. gemachtigd was om namens hen beroep in te stellen. Inhoudelijk behoorde het betrokken voertuig toe aan een arts werkzaam bij [betrokkene] B.V., die als arts bevoegd is om van de parkeerplaats gebruik te maken. Voor de verbalisant was dit ook duidelijk. Het had op de weg van de verbalisant gelegen om, gelet op dat het voertuig voor de ingang van de praktijk geparkeerd stond, in de praktijk navraag te doen naar het voertuig. Gemachtigde geeft verder aan dat de hoorplicht is geschonden, waardoor de boete volgens jurisprudentie met 25% gematigd dient te worden. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat het op de weg van de officier van justitie had gelegen om via Company.info in te zien dat betrokkene zelfstandig bestuurder was van de besloten vennootschap. De officier van justitie had dit in één opslag kunnen zien, volgens gemachtigde ontbreekt dan ook de menselijke maat. Tot slot is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De sanctie dient met 25% gematigd te worden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren omdat gemachtigde terecht niet-ontvankelijk is verklaard door de officier van justitie. Subsidiair heeft de zittingsvertegenwoordiger zich op het standpunt gesteld het beroep gegrond te verklaren omdat de betreffende auto wel tot de aangegeven categorie voertuigen behoorde die daar mocht parkeren.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat het weliswaar op de weg van betrokkene lag om een juiste machtiging over te leggen in de administratieve beroepsfase, maar dat het nalaten hiervan niet zodanig verwijtbaar is dat dit in deze fase moet leiden tot een ongegrondverklaring. Dit geldt temeer nu alsnog een correcte machtiging is overgelegd. Inhoudelijk is de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat het betrokken voertuig toebehoort aan een arts werkzaam bij [betrokkene] B.V., die als arts bevoegd is om van de parkeerplaats gebruik te maken. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 647,- = € 323,50
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
totaal € 1.230,50
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 1.230,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: