Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:1037
Strafrecht
Op tegenspraak
1,752 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-263289-24
vonnis van de meervoudige kamer van 25 februari 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2004 te [plaats] ( [land] )
wonende te [woonadres]
raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Roosendaal
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 februari 2025, waarbij de officier van justitie, mr. G. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het
feit 1: medeplegen van het in bezit hebben van een automatisch vuurwapen;feit 2: medeplegen van het in bezit hebben van een pistool;feit 3: medeplegen van het in bezit hebben van achttien kogelpatronen.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich hierbij op de tenaamstelling van de auto, de verklaring van de medeverdachte en de gegevens die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat er geen sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte dacht dat de medeverdachte wiet zou gaan vervoeren en was het daar niet mee eens. Daarnaast gaan de gesprekken in zijn telefoon met zijn vriendin over lachgas. Verdachte had daarom geen kennis van de aanwezigheid van vuurwapens.
4.3
Beoordeling
Om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen dient er bewijs te zijn dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer medeverdachten ten aanzien van het voorhanden hebben van de vuurwapens en munitie zoals vermeld in de tenlastelegging. Voor het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is allereerst vereist dat verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig heeft gehad. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie. Daarnaast is vereist dat verdachte daarover feitelijke macht heeft kunnen uitoefenen in die zin dat hij daarover kon beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
De rechtbank stelt vast dat de vriendin van verdachte (de medeverdachte) is aangehouden in een auto die op naam van verdachte staat, en dat in de kofferbak een pakket met onder meer twee vuurwapens en munitie zijn aangetroffen. Medeverdachte was de enige inzittende van de auto op dat moment. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat de medeverdachte die nacht wiet zou vervoeren. In de WhatsApp-gesprekken die in de telefoon van de medeverdachte zijn aangetroffen, en waarin afspraken over het bewuste transport zijn gemaakt, wordt ook gesproken over het vervoer van wiet. Daarnaast hebben zowel verdachte als medeverdachte verklaard dat zij een handel in lachgas hadden, en dat medeverdachte die bewuste avond lachgas meenam in de auto om deze te verkopen, voordat zij doorreed om het bewuste pakket op te halen. Er zijn geen bewijsmiddelen in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat verdachte kennis had dat de medeverdachte niet (alleen) wiet en lachgas zou vervoeren op die 19 juli 2024, maar (ook) vuurwapens en munitie. Het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was daarom gericht op het voorhanden hebben van wiet en lachgas, maar er is geen bewijs dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en zal hem dan ook van de feiten 1, 2 en 3 vrijspreken.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Remerie, voorzitter, mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. J.F.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 februari 2024.
Mr. J.F.C. Janssen en mr. K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 12 juli 2024 tot en
met 19 juli 2024 te Breda althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te
weten een machinepistool, van het merk CZ, model VZ61 (model
Skorpion), kaliber 7,65 mm zijnde een vuurwapen geschikt om
automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 12 juli 2024 tot en
met 19 juli 2024 te Breda althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pistool, van het merk Glock, kaliber 9 mm zijnde een
vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
3
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 12 juli 2024 tot en
met 19 juli 2024 te Breda althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 4 stuks kogelpatronen, merk CBC, van het kaliber .32 en/of
- 14 stuks kogelpatronen, merk MMS, van het kaliber 9
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )