Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-20
ECLI:NL:RBZWB:2024:9683
Strafrecht
Raadkamer
1,363 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [datum] 2007 te [plaats] ([land])
wonende te [adres]
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. B.M.C.F. de Groen, postbus 1878 4801 BW Breda
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 6 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 20 mei 2024 onder klager in beslag is genomen: een snorfiets van het merk Vespa, voorzien van [kenteken] (hierna: de snorfiets);
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 6 augustus 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. S. Jacobs, en mr. M.C. Kersemaekers-Schraven als waarnemend raadsvrouw van klager gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat er ten aanzien van de verdenking geen proces-verbaal voorhanden is waaruit blijkt dat is gezien dat klager daadwerkelijk op de snorfiets heeft gereden. Daarnaast wordt klager ernstig bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan, klager heeft namelijk lang gespaard voor zijn snorfiets en is inmiddels bezig om zijn rijbewijs te halen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de processen-verbaal van
19 mei 2024 en 20 mei 2024 is af te leiden dat de verbalisanten klager twéémaal op de snorfiets hebben zien rijden. Vanwege een eerder opgelegde strafbeschikking voor het rijden zonder rijbewijs op dezelfde snorfiets, is de snorfiets op 20 mei 2024 in beslag genomen. Het is dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later een verbeurdverklaring van de snorfiets zal bevelen.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende vandat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank stelt vast dat het er vooralsnog voor moet worden gehouden dat klager op 29 februari 2024, 19 mei 2024 en 20 mei 2024 met dezelfde snorfiets is staandegehouden voor het rijden zonder rijbewijs. De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter een verbeurdverklaring van deze snorfiets zal uitspreken. Er is dus sprake van een strafvorderlijk belang dat het beslag rechtvaardigt. De rechtbank acht het beslag ook proportioneel, zeker gelet op het feit dat is gebleken dat klager tot op heden niet over enig rijbewijs beschikt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 20 augustus 2024 genomen door mr. R.J.H. Goossens rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van
20 augustus 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beschikking mede te ondertekenen
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
ECLI:NL:HR:2023:81.