Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:9673
Strafrecht
Raadkamer
1,872 tokens
Dictum
[klaagster]
geboren op [datum] 1987 te [plaats]
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. D.T. Stoof, Spinveld 12 4815 HS Breda
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 12 juli 2024 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94a Sv, waaruit blijkt dat op 10 juni 2024 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [naam] in beslag is genomen: een Porsche Cayenne voorzien van het [kenteken] ;
de vordering machtiging conservatoir beslag tot bewaring van het recht op geldboeteverhaal van 30 mei 2024 in de strafzaak tegen klaagster;
de machtiging conservatoir beslag van 4 juni 2024 in de strafzaak tegen klaagster;
het proces-verbaal conservatoir beslag onder klaagster van 13 juni 2023 geldend voor (o.a.) een Porsche Cayenne met [kenteken] ;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 24 september 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. J.J. Peerboom, klaagster en mr. D.T. Stoof, als gemachtigd raadsman van klaagster gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Hiertoe is aangevoerd dat klaagster zowel privé als zakelijk ernstig wordt bezwaard door de inbeslagneming van haar Porsche Cayenne en het voortduren daarvan.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster, samen met haar partner, wordt verdacht van witwassen. De partner van klaagster wordt ook verdacht van grootschalige, internationale cocaïnehandel. Klaagster is de tenaamgestelde van drie voertuigen, waaronder de in 2020 aangekochte Porsche Cayenne waar conservatoir beslag op rust. Het is onduidelijk hoe deze voertuigen zijn aangekocht. Volgens de belastingdienst had klaagster van 2020 tot en met 2022 geen inkomen. De rechter-commissaris heeft voor klaagster een machtiging conservatoir beslag afgegeven voor een bedrag van € 103.000,-. Het Openbaar Ministerie verzet zich dan ook tegen teruggave van de personenauto aan klaagster.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in haar beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende vandat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In deze doet zich de bijzondere situatie voor dat de Porsche Cayenne in beslag is genomen in het strafrechtelijk onderzoek tegen de partner van klaagster, maar dat tegen klaagster zelf ook een strafrechtelijk onderzoek loopt. Daarin wordt ze verdacht van witwassen samen met haar partner. Haar partner wordt daarnaast verdacht van grootschalige, internationale cocaïnehandel.
De rechtbank is van oordeel dat klaagster vooralsnog redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Zij is de tenaamgestelde van de Porsche Cayenne en haar status als rechthebbende is ook niet weersproken door de officier van justitie. Gelet op de verdenking tegen haar partner is de rechtbank echter van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurd verklaring van de Porsche Cayenne zal bevelen. Dat klaagster rechthebbende is staat daar niet aan in de weg, nu zij zelf verdachte is van witwassen in vereniging met haar partner en de aankoop van de Porsche Cayenne vooralsnog niet uit (legale) inkomsten van klaagster kan worden verklaard. De rechtbank zal daarom het klaagschrift, voor zover gericht tegen het 94 Sv-beslag, ongegrond verklaren.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete of een betalingsverplichting van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Het klaagschrift zal daarom ook ongegrond verklaard worden voor zover gericht tegen het cobncervatoir beslag op grond van 94a Sv.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 8 oktober 2024 genomen door mr. mr. R.J.H. de Brouwer rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 8 oktober 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).