Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:9669
Strafrecht
Raadkamer
2,016 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [datum] 1997 te [plaats]
woonplaats kiezende op het kantoor van mr N. Assouiki, Bisschop Zwijsenstraat 25, 5038 VA Tilburg
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 16 april 2024 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 3 juli 2023 onder klager in beslag is genomen: een geldbedrag ter hoogte van € 21.798,35;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 6 juli 2023 onder klager in beslag is genomen: een geldbedrag ter hoogte van € 3.539,76 (hierna: het geldbedrag;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 3 juli 2023 onder klager in beslag is genomen: de personenauto voorzien van [kenteken] (hierna: de personenauto);
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 3 juli 2023 onder klager in beslag is genomen: de portomonnee (hierna: de portomonnee);
de reactie van de officier van justitie;
de vordering machtiging conservatoir beslag van 18 oktober 2023 voor (met name) een totaalbedrag aan geld van € 25.338,11;
de machtiging conservatoir beslag van 7 november 2023 tot verhaal van een eventuele ontnemingsmaatregel;
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 24 september 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. J.J. Peerboom, klager en mr. N. Assouiki de raadsvrouw van klager gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat er inmiddels een pro forma behandeling van de inhoudelijke strafzaak jegens klager is geweest waar het uitbrengen van een ontnemingsvordering is aangekondigd. Daarnaast is er op de geldbedragen conservatoir beslag gelegd. Ten aanzien van de personenauto is het van belang dat klager door de inbeslagneming genoodzaakt is geweest om in loondienst te gaan. Klager wordt ernstig bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan. Daarbij is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend een verbeurdverklaring over de personenauto zal uitspreken aangezien het allerminst zeker is dat er een bewezenverklaring zal volgen dat klager – met zijn personenauto – bij strafbare feiten betrokken is geweest. Het onderzoek is immers nog in volle gang.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldbedragen, de personenauto en de portomonnee in beslag zijn genomen in een groot onderzoek jegens klager. Op de geldbedragen rust naast klassiek ook conservatoir beslag. Ten aanzien van de personenauto is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend die auto verbeurd zal verklaren. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende vandat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Uit het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis is de rechtbank gebleken dat er ten aanzien van klager ernstige bezwaren bestaan voor drugshandel en witwassen. Daarbij rijst uit het dossier de verdenking dat klager de inbeslaggenomen personenauto bij deze drugshandel heeft gebruikt. De rechtbank acht het dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later verbeurdverklaring van de auto zal bevelen. Dat geldt ook voor het totaalbedrag aan geld, waar bovendien conservatoir beslag op rust. De rechtbank zal het klaagschrift, voor zover deze ziet op de beslagen op grond van artikel 94 Sv, dan ook ongegrond verklaren.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een betalingsverplichting van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot tenminste de hoogte van de waarde van de inbeslaggenomen geldbedragen zal opleggen. Aangezien deze geldbedragen dus strekken tot zekerheid van de nakoming van die verplichtingen, zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ook het klaagschrift, voor zover gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag, ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 8 oktober 2024 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 8 oktober 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.