Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:9665
Strafrecht
Raadkamer
1,941 tokens
Dictum
[veroordeelde],
geboren op [datum] 2008 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg (Bisschop Zwijsenstraat 25, 5038 VA Tilburg),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 15 maart 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 24 september 2024 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, de advocaat, mr. N. Assouiki en de officier van justitie op zitting gehoord.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Namens veroordeelde is aangevoerd dat het onderhavige geval een incident betreft en de Raad voor de Kinderbescherming het recidiverisico als laag inschat. Het bepalen en verwerken van het DNA van veroordeelde schendt het recht op eerbiediging van de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van veroordeelde en vormt daarbij een schending van het IVRK. Bovendien zijn er vele maanden verstreken tussen de datum van het feit en de datum van de oproep voor DNA-afname.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Op de uitzondering ten aanzien van de ‘aard van het misdrijf’ is terecht geen beroep gedaan door veroordeelde, maar de uitzondering ‘in de persoon van de veroordeelde’ is ook niet aan de orde gelet op de eerdere veroordeling voor openlijk geweld.
Beoordeling
Bij vonnis van 19 februari 2024 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van openlijk geweld tot een leerstraf van 20 uren en een werkstraf van 60 uren.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
Uitgangspunt van de Wet DNA is dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, lid 1 van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is in beginsel verplicht een daartoe strekkend bevel te geven. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet DNA geen plaats. Het DNA-onderzoek kan ook plaatsvinden bij een onnodig lang tijdsverloop tussen de veroordeling en het bevel tot afname van celmateriaal, ook al moet het bevel tot afname van celmateriaal door de officier van justitie zo spoedig mogelijk na de veroordeling worden gegeven. Als aan die eis niet is voldaan, kan niet worden gezegd dat de veroordeelde daardoor in enig, door de Wet DNA beschermd, belang is geschaad. Daarbij verdient opmerking dat de in artikel 18 Besluit voorgeschreven bewaartermijnen van DNA-profielen aanvangen wanneer een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is gedaan. Zij staan dus los van het moment waarop het bevel wordt gegeven.
De officier van justitie is alleen dan niet verplicht een daartoe strekkend bevel te geven als zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Wat door en namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. In raadkamer heeft veroordeelde haar goede voornemens uitgesproken voor haar toekomst met haar nog hele jonge zoontje. Ze wordt daarbij ook ondersteund door haar moeder, die ook aanwezig was. De rechter gelooft die goede voornemens en veroordeelde is ook goed bezig voor haar toekomst en die van haar zoontje. Maar veroordeelde was wel op 3 april 2023 door de meervoudige kamer veroordeeld voor openlijk geweld. Dit is heel kort voordat ze op 17 mei 2023 weer openlijk geweld pleegde. Zij zou toen zijn uitgedaagd door wat er tegen haar werd gezegd. De rechtbank merkt daarover op dat veroordeelde nog een heel leven voor zich heeft waar ze nog vaker uitgedaagd kan worden. Er is dus geen sprake van de uitzondering dat er geen kans op herhaling bestaat.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.J.H. de Brouwer rechter,
in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen griffier,
en uitgesproken op 8 oktober 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.