Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:9663
Strafrecht
Raadkamer
1,908 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [datum] 2008 te [plaats] , [land]
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. L.C.W. Wingens, postbus 760d 5000 AT Tilburg
Procesverloop
het op 23 januari 2024 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 8.970,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en/of voorlopige hechtenis;
€ 2.640,00, voor vergoeding van vrijheidsbeperking;
het op 23 januari 2024 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
het vonnis van de meervoudige kamer van 13 december 2023 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Het verzoek is behandeld op 24 september 2024. Hierbij zijn de officier van justitie mr. J.J. Peerboom, verzoeker en mr. B.J.P. van Gils als waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat het Gerechtshof in Amsterdam recent een arrest heeft gewezen waaruit volgt dat de € 15,- dagvergoeding voor de vrijheidsbeperking meer dan redelijk is.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift geheel kan worden toegewezen.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het is de rechtbank gebleken dat verzoeker in de onderhavige zaak het volgende preventieve traject heeft doorlopen.
van 16 december 2021 t/m 20 december 2021 verblijf op politiebureau (5 dagen)van 21 december 2021 t/m 1 maart 2022 geschorst met huisarrest (71 dagen)van 2 maart 2022 t/m 7 maart 2022 verblijf op politiebureau (2 dagen) en HvB (4 dagen)van 8 maart t/m 11 mei 2022 elektronisch toezicht (65 dagen)van 11 mei 2022 t/m 27 mei 2022 verblijf bij ‘Yes We Can’ Kliniek in kader schorsingvan 30 mei 2022 t/m 10 juni 2022 verblijf op politiebureau (1 dag) en HvB (11 dagen)van 11 juni 2022 t/m 20 juli 2022 schorsing met elektronisch toezicht (40 dagen)van 1 augustus 2022 t/m 3 oktober 2022 verblijf op politiebureau (1 dag) en HvB (63 dagen)
Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling als een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen en geëindigd op één en dezelfde dag en beperkt is gebleven tot enkele uren wordt er naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.
Verzoeker heeft dus 87 dagen in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 9 op het politiebureau en 78 dagen in het Huis van Bewaring. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen. Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 130,00, maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 100,00 wordt aangemerkt als één dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 100,00. De gevraagde vergoeding is conform de LOVS-uitgangspunten. De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van € 8.970,00.
Verzoeker heeft in onderhavige zaak onterecht in totaal 71 dagen aan huisarrest en 105 dagen aan elektronisch toezicht ondergaan. De rechtbank overweegt dat deze voorwaarden een volledig huisarrest betroffen en verzoeker zich enkel onder begeleiding van één van zijn ouders of een door de jeugdreclassering andere aangewezen volwassen buitenshuis mocht begeven. Hoewel er in deze periode formeel geen sprake was van voorlopige hechtenis is de rechtbank van oordeel dat deze situatie in grote lijnen gelijk gesteld dient te worden aan een voorlopige hechtenis situatie. Hierbij is van belang dat de vrijheid van verzoeker zeer ingeperkt is geweest en dit, zeker gelet op de jonge leeftijd van verzoeker, van grote impact is geweest. De rechtbank verklaart verzoeker dan ook ontvankelijk in zijn verzoek tot vergoeding van de vrijheidsbeperking en acht het toekennen van de gevraagde vergoeding van € 15,00 per dag billijk en zal dus aan verzoeker een vergoeding van
€ 2.640,00 toekennen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt ingevolge artikel 530 Sv het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van € 11.610,00, bestaande uit:
- € 8.970,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en/of voorlopige hechtenis;
- € 2.640,00, voor vergoeding van vrijheidsbeperking;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 680,00, bestaande uit:
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
wijst de verzoeken voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 12.290,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Molkenboer & Van der Kolk, onder vermelding van “[verzoeker] 24-002277, 24-001992”.
Deze beslissing is op 8 oktober 2024 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 8 oktober 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.