Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-18
ECLI:NL:RBZWB:2024:9660
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,838 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11166660 \ CV EXPL 24-2191
Vonnis van 18 december 2024
in de zaak van
[de zoon]
,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de zoon] ,
gemachtigde: Arag Rechtsbijstand,
tegen
DE VERENIGING MET VOLLEDIGE RECHTSBEVOEGDHEID LAURENTIUS,
te Breda,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Laurentius,
gemachtigde: mr. Y.F. Rijswijk.
1De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of [de zoon] de huurovereenkomst van zijn overleden vader mag voortzetten. Voor de beantwoording van die vraag is onder meer van belang of [de zoon] en zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden. Om dat te kunnen beoordelen heeft de kantonrechter meer informatie nodig. Daarom zal de kantonrechter [de zoon] in dit vonnis een bewijsopdracht geven. Hoe de kantonrechter tot dit (tussen)oordeel is gekomen, legt de kantonrechter hieronder uit.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 augustus 2024
- de conclusie van antwoord in reconventie- het bericht van 30 september 2024 met productie(s) van [de zoon]- het bericht van 3 oktober 2024 met productie(s) van Laurentius- de mondelinge behandeling van 7 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Op 15 mei 1997 hebben [de vader] ( [de vader] van [de zoon] , hierna te noemen: [de vader] ) en zijn echtgenote wijlen [de moeder] ( [de moeder] van [de zoon] , hierna te noemen: [de moeder] ) een huurovereenkomst (hierna te noemen: de huurovereenkomst) gesloten met Laurentius voor de woning met aanhorigheden te [plaats] aan [adres] (hierna te noemen: de woning). De woning betreft een sociale huurwoning.
3.2.
[de zoon] – geboren [1989] – woonde vanaf het begin van de huurovereenkomst (toen [de zoon] 7 jaar was) tot 10 september 2007 (toen [de zoon] 18 jaar was) in de woning met zijn ouders. Daarna is [de zoon] zelfstandig gaan wonen.
3.3.
In november 2012 is [de moeder] overleden. Kort daarna, op 11 januari 2013, is [de zoon] ingetrokken bij [de vader] in de woning. Vanaf die datum staat [de zoon] ook op het adres van de woning ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente Breda. In 2014 is [de vader] hertrouwd met [naam partner] . [de zoon] bleef met [de vader] wonen in de woning.
3.4.
Op 3 juni 2015 is ook de echtgenote van [de zoon] ingetrokken in de woning. Op [datum 1] 2020 is het eerste kind van [de zoon] geboren en op [datum 2] 2021 was de geboorte van het tweede kind van [de zoon] . Deze kinderen wonen sinds hun geboorte ook in de woning.
3.5.
Op [datum 3] 2023 is [de vader] in Marokko overleden. Vervolgens heeft [de zoon] vanaf 23 januari 2024 tevergeefs geprobeerd om via Laurentius de huurovereenkomst voort te zetten.
3.6.
[de zoon] heeft een vast dienstverband bij [bedrijf] B.V. Uit een salarisspecificatie van mei 2024 blijkt dat het jaarloon van [de zoon] ruim € 150.000,00 bedraagt.
Geschil
in conventie
4.1.
[de zoon] vordert – samengevat – om te bepalen dat de huurovereenkomst door [de zoon] voor onbepaalde tijd wordt voortgezet, met veroordeling van Laurentius in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten als deze niet tijdig worden betaald. [de zoon] legt aan de vordering ten grondslag dat aan de eisen van artikel 7:268 BW voor voortzetting van de huur is voldaan.
4.2.
Laurentius voert verweer. Laurentius concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de zoon] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de zoon] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de zoon] in de kosten van deze procedure. Laurentius voert aan dat [de zoon] niet voldoet aan de vereisten van hoofdverblijf en een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
Laurentius vordert – samengevat – ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [de zoon] in de proceskosten. Laurentius legt aan de vordering ten grondslag dat [de zoon] zonder recht of titel in de woning van Laurentius verblijft.
4.5.
[de zoon] voert verweer. [de zoon] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Laurentius, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Laurentius, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Laurentius in de kosten van deze procedure. [de zoon] voert aan dat hij niet onrechtmatig in de woning verblijft zolang niet onherroepelijk is beslist op de vordering van [de zoon] tot voortzetting van de huurovereenkomst.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
5.1.
De vordering van [de zoon] kan alleen worden toegewezen als aan de eisen van artikel 7:268 leden 2 en 3 BW is voldaan. Het gaat daarbij om de volgende eisen:
[de zoon] moet vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg bieden voor een behoorlijke nakoming van de huur;
[de zoon] moet in de woning zijn hoofdverblijf hebben;
[de zoon] moet met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad.
Financiële waarborg
5.2.
Partijen zijn het erover eens dat [de zoon] voldoende financiële waarborg biedt voor het nakomen van de huur. Daarom is aan deze eis voldaan.
Hoofdverblijf
5.3.
[de zoon] stelt dat hij vanaf 11 januari 2013 zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Als toelichting geeft [de zoon] dat in november 2012 [de moeder] is overleden en dat hij kort daarna bij zijn vader is ingetrokken om elkaar te ondersteunen. Ter onderbouwing van zijn stelling overlegt [de zoon] onder meer een bewijs van opneming in de basisregistratie personen van de gemeente Breda, waaruit blijkt dat [de zoon] vanaf 11 januari 2013 de woning als zijn adres heeft. Ook op de door [de zoon] overgelegde salarisspecificatie van mei 2024 staat als adres van [de zoon] het adres van de woning ( [adres] , [plaats] ). Laurentius betwist dat [de zoon] zijn hoofdverblijf heeft (gehad). Echter, in het licht van de onderbouwde stellingen van [de zoon] hieromtrent is de kantonrechter van oordeel dat Laurentius deze betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarom gaat de kantonrechter er in deze procedure van uit dat [de zoon] zijn hoofdverblijf in de woning had en heeft. Ook aan deze tweede eis is dus voldaan.
Duurzame gemeenschappelijke huishouding
5.4.
Over (het antwoord op) de vraag wanneer er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding – al dan niet tussen ouder en volwassen kind – is in de literatuur en jurisprudentie al veel geschreven.
5.5.
Over de gemeenschappelijkheid van de huishouding zijn in de jurisprudentie (zie met name HR 22 januari 1993, NJ 1993/549 (van Schellen/Dijkstra) en Ktr. Amsterdam 18 december 2020, WR 2021/54, ECLI:NL:RBAMS:2020:6370) onder meer de volgende uitgangspunten genoemd:
Alle omstandigheden zijn van belang;
De inwoner moet zelf voldoende concrete feiten aanvoeren (verzwaarde stelplicht);
Van belang is de grootte van de woning en de manier waarop de bewoners de woning/kamers feitelijk gebruiken;
Van belang is of de huurder en de inwoner samen voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud;
Doen ze dat niet, dan kunnen andere omstandigheden de huishouding toch gemeenschappelijk maken. Bijvoorbeeld huishoudelijke taken delen, samen eten, dezelfde vrienden of vrijetijdsbesteding;
Er is een zekere wederkerigheid nodig. Verzorgt de één de ander? Of is sprake van wederkerigheid?
5.6.
Wat betreft de duurzaamheid komen in de jurisprudentie (zie met name HR 12 maart 1982, NJ 1982/352 (Van den Brink). HR 10 augustus 1983, NJ 1984/201 (Aben). HR 6 maart 1987, NJ 1988/3 (Breukink/De Goede Woning). HR 8 oktober 2004, NJ 2004/658 (Weitner/Duyts). HR 17 januari 2014, NJ 2014, 249 (R/Eggink) onder meer de volgende uitganspunten naar voren:
Hoofdregel: de samenwoning tussen ouders en kinderen is ‘naar zijn aard’ niet duurzaam, maar aflopend. Het is normaal dat kinderen uitvliegen;
Uitzondering: onder bijzondere omstandigheden is een samenwoning tussen een meerderjarig van kind en ouder(s) wél duurzaam;
Alle omstandigheden kunnen daarbij van belang zijn:
o Zo kan terugkeren naar het ouderlijk huis duiden op duurzaamheid (zie bijvoorbeeld HR 10 augustus 1983, NJ 1984/201 (Aben));
o Ook de subjectieve bedoeling van ouder en kind kan van belang zijn. En deze subjectieve bedoeling kan onderbouwd worden met objectieve feiten en omstandigheden, zoals culturele achtergrond en verklaringen van derden (zie bijvoorbeeld Ktr. Amsterdam 18 december 2020, WR 2021/54, ECLI:NL:RBAMS:2020:6370 en Hof Amsterdam 22 februari 2011, WR 2011/84);
o Een langere samenleving kan een indicatie zijn voor duurzaamheid;
o Mantelzorg kan ook een indicatie zijn voor duurzaamheid zijn (zie bijvoorbeeld Rb. Overijssel 23 februari 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:840 en Hof ’s-Gravenhage 10 mei 2011, Prg. 2012/43).
5.7.
In deze zaak stelt [de zoon] dat hij (met zijn gezin) met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad. [de zoon] licht deze stelling toe door op het volgende te wijzen.
5.8.
[de zoon] stelt dat uit de volgende feiten en omstandigheden blijkt dat hij en zijn vader een gemeenschappelijke huishouding voerden:
[de zoon] en zijn vader deelden de woonkamer, de keuken, het toilet en de badkamer met elkaar;
[de zoon] en zijn vader deelden een wasmachine;
[de zoon] en zijn vader deelden de maandelijkse kosten;
[de zoon] en zijn vader aten in de avond altijd samen;
[de zoon] en zijn vader dronken samen koffie;
[de zoon] en zijn vader keken samen televisie en ze vierden verjaardagen met elkaar, gingen samen uit eten en gingen samen op vakantie.
5.9.
Daarnaast stelt [de zoon] dat uit de volgende feiten en omstandigheden blijkt dat de gemeenschappelijke huishouding van hem en zijn vader ook een duurzaam karakter had:
[de zoon] is na het overlijden van [de moeder] bewust teruggekeerd naar de woning waar hij is opgegroeid, mede om voor zijn vader te zorgen en om steun en gezelschap bij elkaar te vinden;
[de zoon] en zijn vader hebben een Marokkaanse achtergrond en in die cultuur is een op de toekomst gerichte samenleving tussen ouder en (volwassen) kind gebruikelijk;
[de zoon] heeft sinds januari 2013 tot het overlijden van [de vader] in december 2023 ruim 10 jaar met [de vader] samengewoond.
5.10.
Laurentius betwist dat [de zoon] en zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. Zij wijst daarbij op de verzwaarde stelplicht en voert aan dat [de zoon] onvoldoende concrete feiten heeft aangevoerd waaruit de duurzame gemeenschappelijke huishouding zou blijken. Zo stelt [de zoon] wel dat de maandelijkse kosten werden gedeeld, maar die stelling heeft [de zoon] volgens Laurentius niet (voldoende) onderbouwd. Ook wat betreft de gestelde gezamenlijke activiteiten (zoals eten, koffie drinken, verjaardagen vieren en op vakantie gaan) en de gestelde mantelzorg voert Laurentius aan dat elke onderbouwing ontbreekt. Verder voert Laurentius aan dat de vereiste wederkerigheid ontbreekt. Tot slot wijst Laurentius erop dat de feiten dat [de zoon] ingeschreven stond als woningzoekende en ook reageerde op woningen erop duiden dat van duurzaamheid geen sprake was.
5.11.
Gelet op het toetsingskader van artikel 7:268 leden 2 en 3 BW, de relevante feiten en omstandigheden en de stellingen van partijen daaromtrent oordeelt de kantonrechter als volgt.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
6.1.
draagt [de zoon] op om met inachtneming van wat de kantonrechter heeft overwogen onder 5.11. van dit vonnis te bewijzen dat hij (met zijn gezin) een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [de vader] heeft gehad,
6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 22 januari 2025 voor uitlating door [de zoon] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.3.
bepaalt dat, als [de zoon] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.4.
bepaalt dat, als [de zoon] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden februari 2025 tot en met juni 2025 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Van 't Nedereind, in het gerechtsgebouw te Breda, Stationslaan 10,
6.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
6.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.