Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:9659
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
1,388 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11329855 \ VV EXPL 24-63
Vonnis van 5 december 2024
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
2.3.
De vordering bij dagvaarding komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd tot € 20.000,00. [eiser] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een akte eisvermeerdering en inbrengen productie toegestuurd, maar deze is wegens de verstekverlening niet toegelaten. [eiser] heeft de betreffende akte immers niet bij exploot aan [gedaagde] kenbaar gemaakt overeenkomstig artikel 130 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.4.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,84
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.113,84
2.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde (zijnde het onroerend goed staande en gelegen aan [adres] te [plaats]) binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met de zijnen en het zijne en aan [eiser] ter vrije beschikking te stellen onder afgifte van alle sleutels van het gehuurde, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 20.000,00,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.159,57 aan achterstallige huur en stroomgebruik over de periode 26 juni 2024 tot en met oktober 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke vervaldata van elke huurtermijn zoals die op de facturen vermeld staat, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.936,00 voor elke maand dat [gedaagde] het gehuurde onder zich houdt na de ontruimingsdatum,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 682,98 ter compensatie van buitengerechtelijke kosten,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.113,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024.