Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:9653
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,887 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11135921 \ MB VERZ 24-693
CJIB-nummer: 4062 5422 4994 7463
uitspraakdatum: 5 december 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. J. Piet (Verkeersboete.nl)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 december 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bromfietser niet de rijbaan gebruiken als er geen verplicht fiets/bromfietspad aanwezig is (bord G12a) op de Lunetstraat te Breda op 27 mei 2022 om 04:43 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de bestuurder van het voertuig ten onrechte niet is staande gehouden. Uit de verklaring van verbalisant, zoals weergegeven in het zaakoverzicht, volgt dat de verbalisant heeft afgezien van staandehouding vanwege -kort gezegd- ‘voertuig uit het oog verloren’. Gemachtigde verwijst naar uitspraken van het gerechtshof. De inleidende beschikking komt voor vernietiging in aanmerking, omdat dit in strijd is met artikel 5 Wahv. Gemachtigde stelt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt de boete te matigen met 25%. Tot slot verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat uit het zaakoverzicht niet valt op te maken in welk voertuig de verbalisant reed. Dat de collega’s van de verbalisant vanwege de geplaatste palen niet achter betrokkene aan konden komen, doet niet ter zake.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De verbalisant had geen reële mogelijkheid tot staandehouding. De verbalisant heeft in zowel het zaakoverzicht als het aanvullend proces-verbaal verklaard hoe de gedraging is geconstateerd en dat er geen reële mogelijkheid was om betrokkene staande te houden. Daarbij is het niet van belang in wat voor voertuig de verbalisant reed. De verbalisant heeft terecht op kenteken bekeurd.
De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het boetebedrag te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt het beroep voor het overige ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Vaststelling van de gedraging
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
De boete is dus terecht opgelegd.
Staandehouding
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaaksoverzicht en het aanvullend proces-verbaal was sprake van een achtervolging waarbij betrokkene kort ervoor een voetgangersgebied was ingereden waar paaltjes stonden zodat de politie er niet achteraan kon. Nadien heeft deze verbalisant de achtervolging overgenomen en niet tot staandehouding kunnen overgaan omdat het verkeerslicht op rood bleef staan waardoor hij betrokkene uit het zicht is verloren.
Naar het oordeel van de kantonrechter was er dan ook geen reële mogelijkheid tot staandehouding. Niet verwacht kan worden van een verbalisant om de verkeersregels te overtreden, in dit geval door een rood uitstralend verkeerslicht te rijden, uitsluitend om betrokkene staande te houden.
De boete is dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 14 juni 2022 en is de redelijke termijn dus met ruim vijf maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50
totaal € 875,00
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 75,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 25,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: