Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:9642
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,119 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11174142 \ MB VERZ 24-818
CJIB-nummer: 1062 5422 5469 5069
uitspraakdatum: 5 december 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 december 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12 op de Arendstraat 37 te Oosterhout op 29 november 2022 om 17:49 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Gemachtigde wist niet dat een ontheffing nodig was om het voetgangersgebied in te mogen rijden. Betrokkene beschikt over een parkeervergunning maar niet over een ontheffing om naar de parkeerplaats te rijden en er ook weer uit te mogen rijden. Betrokkene heeft kort achter elkaar drie boetes ontvangen.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd ervan uit te zijn gegaan dat met het verstrekken van een parkeervergunning door haar werkgever ook een ontheffing was gegeven voor het rijden op de pleeglocatie. Het was gemachtigde bij ontvangst van de twee boetes niet duidelijk waar dit betrekking op had, dat was pas na ontvangst van de derde boete na navraag bij de gemeente. Gemachtigde parkeert alleen bij haar werk als haar baas er niet is, anders parkeert ze elders.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het is een eigen verantwoordelijkheid om een ontheffing voor een geslotenverklaring aan te vragen. Gemachtigde kon weten dat inrijden niet toegestaan was zonder ontheffing.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Dit wordt ook niet betwist door gemachtigde. Het blijft een eigen verantwoordelijkheid te controleren of een ontheffing is verleend om bij een geslotenverklaring door te mogen rijden.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat gemachtigde voldoende aannemelijk heeft gemaakt in de veronderstelling te zijn geweest dat haar werkgever een ontheffing zou hebben geregeld net zoals een parkeervergunning was aangevraagd.
De boete zal worden gematigd tot € 50,-.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 50,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 50,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: