Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-10
ECLI:NL:RBZWB:2024:964
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,721 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/417770 / FA RK 24/82
Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling
Beschikking van 10 januari 2024 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[client] ,
geboren op [geboortedag] 1936 te [geboorteplaats] ,
wonende [woonadres] ,
thans verblijvende Mijzo, [locatie] , [adres] ,
hierna te noemen: cliënt,
advocaat: mr. C.G. Matze te Breda.
Procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 5 januari 2024.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de beschikking van de burgemeester van de gemeente Breda van 4 januari 2024;
- de medische verklaring van 4 januari 2024.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 januari 2024, in de hierboven genoemde accommodatie.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;
- de heer [naam 1] , zoon van cliënt;
- mevrouw [naam 2] , verpleegkundige;
- mevrouw [naam 3] , specialist ouderengeneeskunde;
- mevrouw [naam 4] , verzorgende.
2Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van cliënt te verlenen.
3Standpunten
3.1
Cliënt antwoordt op de vraag of er in de zorgaccommodatie waar hij nu verblijft goed voor hem wordt gezorgd, bevestigend. Op de vraag of hij in de zorgaccommodatie wil blijven geeft hij aan “als het niet anders kan dan moet dat maar”. Vervolgens voegt hij daaraan toe dat hij het liefst als dat mogelijk is naar een zorgaccommodatie in zijn woonplaats [plaats] zou willen.
3.2
De zoon van cliënt merkt op dat hij achter de crisisopname van zijn vader in de zorgaccommodatie kan staan.
3.3
De specialist ouderengeneeskunde deelt mede dat bij cliënt al aan het begin van het jaar 2023 in belangrijke mate een achteruitgang van de cognitieve functies werd waar-genomen. Vervolgens is cliënt pas in een later stadium geriatrisch onderzocht, op basis waarvan als vermoedelijke diagnose dementie is gesteld. Cliënt kampt met forse geheugen- en oriëntatieproblemen in tijd en plaats.
3.4
De verpleegkundige brengt naar voren dat cliënt voorafgaand aan de crisisopname thuis risicovol gedrag vertoonde, waarbij er brandgevaar was ontstaan, dat er sprake was van vervuiling van zijn woning en dat hij in de nachtelijke uren dwaalgedrag buitenshuis vertoonde. Ten tijde van de crisisopname verkeerde cliënt in verwarde toestand en had hij last van hallucinaties. Cliënt maakte een onrustige indruk en liet op meerdere momenten zien, door bij de deur te gaan staan, dat hij weg wilde uit de zorgaccommodatie. Intussen is dit beeld aanmerkelijk veranderd. Cliënt heeft geen last meer van hallucinaties. Ook stelt hij zich open voor de hem geboden zorg en ondersteuning - voor zover nodig - bij het verrichten van de algemene dagelijkse handelingen. Verder laat hij blijken dat hij het contact met medebewoners en het zorgpersoneel als prettig ervaart. Omdat cliënt zich niet langer verzet tegen de crisisopname is op 8 januari 2024 een procedure tot aanvraag voor een besluit tot opname en verblijf op grond van artikel 21 Wzd gestart. Cliënt is met het oog hierop bij Thebe Zorg aangemeld.
3.5
De verzorgende sluit zich aan bij hetgeen door de verpleegkundige naar voren is gebracht.
3.6
De advocaat van cliënt voert aan dat haar cliënt tijdens het voorbereidende gesprek op
5 januari 2024 nog duidelijk liet blijken niet langer in de zorgaccommodatie te willen zijn. Van verzet bij haar cliënt tegen zijn huidige verblijf in de zorgaccommodatie is echter geen sprake meer. Zij zich daarom namens haar cliënt op het standpunt dat het voorliggende verzoek dient te worden afgewezen.
Beoordeling
4.1
Op 4 januari 2024 heeft de burgemeester van de gemeente Breda ten behoeve van de cliënt een last tot inbewaringstelling afgegeven.
4.2
Uit de overgelegde stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en het ernstige vermoeden bestaat dat het gedrag van de cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening, te weten vasculaire dementie, dit ernstig nadeel veroorzaakt.
4.3
Het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is gelegen in levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing, de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
4.4
Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat bij cliënt inmiddels sprake is van voldoende bereidheid om aan de crisisopname en het verblijf en de hem geboden zorg mee te werken. Nu duidelijk is geworden dat cliënt zich niet langer verzet en zich derhalve de situatie voordoet dat er een minder bezwarend alternatief is met hetzelfde beoogde effect om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden, dient het onderhavige verzoek te worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Pellikaan, rechter en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2024 in tegenwoordigheid van Baremans, als griffier, en op 22 januari 2024 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.