Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:9635
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,420 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11136256 \ MB VERZ 24-707
CJIB-nummer : 2062 5422 5693 8064
uitspraakdatum : 5 december 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. J. Piet (Verkeersboete.nl)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 5 december 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I. M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: een voertuig parkeren binnen 5 meter van een kruispunt op de Nieuwe Prinsenkade te Breda op 2 april 2023 om 03:17 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt dat er geen sprake was van parkeren. Betrokkene is een taxi chauffeur en liet op dat moment twee personen instappen. Dit gebeurde ruim voor het kruispunt. Daarbij stelt betrokkene dat de verbalisanten niet hebben kunnen zien hoe ver betrokkene van het kruispunt af stond aangezien zij kwamen aanrijden toen betrokkene weer wegreed. Gemachtigde stelt dat de verbalisant niet exact heeft aangegeven vanaf welk punt de beweerde vijf meter is berekend. Gemachtigde verwijst hiervoor naar een arrest van het gerechtshof. Daarnaast ontbreekt een foto van de gedraging terwijl de verweten gedraging een parkeerfeit betreft. Onder deze omstandigheden kan de initiële beschikking niet in stand blijven. Tot slot verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat onvoldoende uit het dossier blijkt dat er sprake was van parkeren. Dat betrokkene geen verklaring heeft afgegeven is hem niet toe te rekenen, hij is geen jurist.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verbalisant heeft in het zaakoverzicht duidelijk aangegeven dat betrokkene stond geparkeerd en in het aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant ook nog aangegeven dat het overige verkeer werd gehinderd. Betrokkene wenste na de cautie geen verklaring af te leggen terwijl betrokkene dan duidelijk had kunnen maken dat het ging om twee passagiers die uit moest stappen en dat hij daar maar enkele seconden heeft gestaan.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant in zowel het zaakoverzicht als het aanvullend proces-verbaal - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De verbalisant heeft duidelijk verklaard dat hij betrokkene zag komen aanrijden en dat er sprake was van parkeren en dat er geen laad- en/of losactiviteiten zijn waargenomen. Als dit wel het geval zou zijn geweest, zou de verbalisant dit hebben verklaard. Daarnaast heeft de verbalisant verklaard dat er sprake was van hinder voor het overige verkeer.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
Dictum
De kantonrechter verklaart:
- het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.