Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-10
ECLI:NL:RBZWB:2024:9627
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,578 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/412877 / FA RK 23-3829
datum uitspraak: 10 december 2024
beschikking over wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur in Oosterhout,
tegen
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2].
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010, hierna: [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het nadere procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 13 februari 2024;
- het op 8 augustus 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier;
- het op 3 oktober 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier met bijlage.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 12 november 2024. Bij die behandeling zijn gekomen de vrouw met haar advocaat en de man. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
De rechtbank heeft, met instemming van de aanwezigen, bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van een tweede vertegenwoordigster van de Raad.
2De verdere beoordeling
2.1
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij belast zal worden met het eenhoofdige gezag over [minderjarige].
2.2
In de beschikking van deze rechtbank van 13 februari 2024 is de behandeling van het verzoek van de vrouw aangehouden in afwachting van het bericht van partijen over de volgende vragen:
- heeft er contact plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de man, zo ja, wanneer en in welke vorm;
- heeft de man betrokkenheid getoond bij de hulpverlening rondom [minderjarige];
- hoe is de communicatie tussen [minderjarige] en de man verlopen.
Partijen zijn daarbij verzocht om zich uit te laten over de verdere afdoening van de zaak.
2.3
In het bericht van de advocaat van de vrouw van 8 augustus 2024 geeft zij aan dat de man tot begin juli de afspraken nauwelijks is nagekomen. [minderjarige] is tot die tijd twee keer een nachtje gaan slapen bij de man. De man heeft twee keer een contactmoment afgezegd. Het initiatief voor de contacten ging steeds van [minderjarige] uit. In de weken tot 8 augustus 2024 is het beter gegaan en is [minderjarige] zelfs een aantal dagen op rij gaan logeren bij de man. De vrouw ondersteunt [minderjarige] in het contact met de man. Wel blijft het beeld bestaan dat de man wisselend is in zijn betrokkenheid bij [minderjarige]. Bij bericht van 3 oktober 2024 legt de advocaat van de vrouw een brief van de ambulant begeleider van [minderjarige] over aan de rechtbank. Volgens deze begeleider komt de man de afspraken met [minderjarige] niet of nauwelijks na. Uit de whatsappberichten tussen [minderjarige] en de man is een opeenstapeling te zien van afwijzingen en teleurstellingen. [minderjarige] verlangt enorm naar erkenning en bevestiging van de man, maar krijgt deze niet. Het doet [minderjarige] veel verdriet. [minderjarige] gaat naar speciaal onderwijs. Hij heeft ADHD en LVB-problematiek. Het is voor hem daarom lastig om te snappen waarom de man zo met hem omgaat. [minderjarige] en zijn gezin krijgen ondersteuning vanuit [organisatie], in de vorm van ambulante hulpverlening. [minderjarige] heeft een eigen coach/begeleider. Verder is de afdeling Jeugd van de [gemeente] nauw betrokken en verantwoordelijk voor de beschikkingen van de hulpverleners. Het gezin van [minderjarige] draagt al een behoorlijke rugzak met zich mee. Het afwijzende gedrag van de man past daar niet bij. Het stagneert het proces van begeleiding en herstel. De hulpverlening steunt de vrouw in haar verzoek om de man het gezag te ontnemen. De man is voor de hulpverlening vaak lastig te bereiken. Ook komt hij de afspraken met de hulpverlening niet na. Het is steeds een heel gedoe om een handtekening van de man te krijgen als er beslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden. De moeder handhaaft haar verzoek om het gezag over [minderjarige] voortaan aan haar alleen toe te wijzen.
2.4
Tijdens de mondelinge behandeling is door en namens de vrouw aangegeven dat de man er niet in is geslaagd om het beeld dat van hem bestaat, te ontkrachten. De man neemt geen enkel initiatief om zelf in contact te komen met de school of de begeleiders van [minderjarige]. Het contact tussen de man en [minderjarige] verloopt heel wisselend. De man komt telkens met nieuwe redenen waarom er geen structureel contact kan zijn. [minderjarige] gaat eens per twee weken een weekend naar [kinderopvang]. De man laat, als hij al contact met [minderjarige] wil hebben, steeds kort tevoren weten dat hij – in een weekend – [minderjarige] wil zien. Het lukt de vrouw dan niet meer om de afspraak met [kinderopvang] op het laatste moment af te zeggen. De man verwijt de vrouw dat zij hem onvoldoende betrekt in de beslissingen over [minderjarige], maar de oorzaak daarvan ligt bij de man. De vrouw werkt mee aan een contactregeling, omdat [minderjarige] de man graag ziet. De huidige regeling is wat de vrouw betreft het hoogst haalbare. [minderjarige] heeft een intensief zorgsysteem om hem heen. De vrouw moet in staat zijn om mee te kunnen bewegen met de hulpverlening, zodat er geen vertraging komt in de hulp aan [minderjarige]. De vrouw heeft haar baan opgezegd, zodat zij zich kan wijden aan de zorg voor [minderjarige]. [minderjarige] heeft voortdurend zorg en aansturing nodig. De vrouw kan zich niet vinden in het advies van de Raad. Volgens de vrouw is het anderszins in het belang van [minderjarige] om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. De man toont onvoldoende betrokkenheid bij [minderjarige], die veel hulpverlening nodig heeft. De vrouw verwijt de Raad dat deze met twee maten meet en verwijst daarbij naar de publicatie van David Mandel: “Stop blaming mothers and ignoring fathers.”. De man en zijn handelen jegens [minderjarige] wordt door de Raad naar een andere standaard beoordeeld, dan voor de vrouw zou gelden. De man is al jaren niet betrokken bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige]. Hij heeft een duidelijke taak gekregen van de rechtbank en heeft deze niet kunnen volbrengen. Dan zou het niet zo mogen zijn, dat hij daarmee toch voldoet aan de eisen die aan een gezagdragende ouder gesteld mogen worden.
2.5
De man geeft aan dat hij een turbulent jaar achter de rug heeft en dat hij geen gelegenheid heeft gehad om een verslag aan de rechtbank te sturen, waarin hij de vragen uit de beschikking van 13 februari 2024 beantwoordt. De man heeft in het afgelopen jaar drie personen verloren die hem zeer na stonden. De man zou een gesprek krijgen met de begeleider van [minderjarige], maar hij heeft daar niets meer van vernomen. De man denkt dat de advocaat van de vrouw het verloop van de contacten met [minderjarige] wel goed heeft omschreven. In de periode tussen begin augustus 2024 en de dag van de mondelinge behandeling is [minderjarige] nog een keer een weekend bij de man geweest. De man probeert [minderjarige] via whatsapp te bereiken, maar omdat de telefoon van [minderjarige] steeds kapot is of ingenomen is, lukt dit niet. Als er al contact is tussen de man en de vrouw, komt het initiatief daarvoor vanuit de vrouw. De man neemt zelf geen contact op met de vrouw, omdat zij dan toch weer met elkaar in conflict komen.
Beoordeling
Gezag
3.1
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen het gezamenlijk gezag werd vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.2
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling blijkt het volgende. [minderjarige] is een minderjarige, die kampt met ernstige kind-eigen problematiek. [minderjarige] volgt speciaal onderwijs en bezoekt in het weekend [kinderopvang], een dagopvang voor kinderen met een speciale zorgbehoefte. De man en de vrouw hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige]. Hierin is opgenomen dat de man eenmaal per twee weken contact heeft met [minderjarige] van vrijdag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur. De man heeft sinds 2020 geen uitvoering meer gegeven aan deze contactregeling en is ook niet ingegaan op het aanbod van de vrouw, dat zij het vervoer van [minderjarige] naar de man voor haar rekening zou nemen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 12 januari 2024 heeft de man gesteld dat hij in de gelegenheid is om deel uit te maken van het leven van [minderjarige] en dat hij bereid is om samen met de vrouw op te trekken met de instanties die bij [minderjarige] betrokken zijn. De rechtbank heeft in de beschikking van 12 februari 2024 overwogen dat de man niet (voldoende) betrokken is geweest in het leven van [minderjarige]. Omdat [minderjarige] uitdrukkelijk en bij herhaling heeft aangegeven dat hij de man weer terug wil in zijn leven, heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek van de vrouw aangehouden voor de duur van zes maanden. In die periode heeft de man de gelegenheid gekregen om te laten zien dat hij zijn woorden om kan zetten in daden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat van de man verwacht wordt dat hij contact legt met [minderjarige] en met de vrouw en dat hij in overleg met hen komt tot afspraken over contacten met [minderjarige] en dat hij die afspraken nakomt. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de man betrokkenheid moet laten zien bij de hulpverlening rondom [minderjarige], bijvoorbeeld door deel te nemen aan geplande overleggen met instanties of school of door bij die instanties of school zelf te vragen om informatie, om een gesprek of om in de mailwisseling met de vrouw te worden meegenomen.
3.3
De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin de man zich bevond ten tijde van de vorige beschikking. De man heeft sindsdien een vaste woon- en verblijfplaats gevonden en heeft ook een persoonlijk begeleider gekregen, die hem ondersteunt. De man blijft op de mondelinge behandeling tot uitdrukking brengen dat hij de rol als gezagdragende ouder van [minderjarige] wil dragen, maar de rechtbank ziet een vader die feitelijk onmachtig is om deze verantwoordelijke taak uit te oefenen. De man is een betrokken ouder, maar hij krijgt het niet voor elkaar om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Zelfs met hulp van zijn persoonlijk begeleider lukt het de man niet om in contact te treden met de instanties of de school die bij [minderjarige] betrokken zijn. [minderjarige] heeft echter een grote hulpvraag, waarover regelmatig beslissingen genomen moeten worden. Daarvoor is het nodig dat de gezagdragende ouder de ontwikkeling van [minderjarige] nauwgezet volgt en dat er inzicht is in de hulp die [minderjarige] krijgt. Uit het verleden, maar ook uit de afgelopen periode moet geconcludeerd worden dat de man niet in staat is gebleken om een structurele verbetering te laten zien. De man heeft de tijd gekregen om te laten zien dat hij, al dan niet met ondersteuning, structureel contact heeft met [minderjarige], dat hij zich door school en de hulpverlening laat informeren over [minderjarige] en dat hij met de vrouw over [minderjarige] communiceert. De man erkent dat hij hierin niet is geslaagd en dat de situatie nagenoeg ongewijzigd is. Om het gezag over [minderjarige] samen uit te oefenen, moet er op zijn minst een basis zijn van oudercommunicatie, waarin partijen samen over [minderjarige] kunnen overleggen. Die basis is er in het geheel niet. De man heeft geen enkel zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] of de hulpverlening die bij hem betrokken is. De man is hierdoor onvoldoende geïnformeerd over [minderjarige] om weloverwogen beslissingen over hem te kunnen nemen. Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat de man de totstandkoming van beslissingen over [minderjarige] wel hindert. De man heeft geen werkend e-mailadres en is voor de hulpverlening niet of nauwelijks te bereiken. Hierdoor lopen de beslissingen over [minderjarige] en daarmee ook over zijn hulpverleningstraject, onnodig vertraging op. Dit blijkt ook duidelijk uit de brief die de ambulant begeleider heeft opgesteld. Het uitoefenen van gezag is bovendien meer dan alleen het zetten van een handtekening als daarom gevraagd wordt. De rechtbank stelt verder vast dat niet te verwachten is dat er binnen afzienbare termijn een positieve verandering bij de man te verwachten is. De vrouw en [minderjarige] moeten echter wel verder in hun leven. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag voortaan alleen door de vrouw wordt uitgeoefend. Het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen.
Deze beslissing laat echter onverlet dat de man altijd de vader zal zijn van [minderjarige] en dat hij onverminderd recht heeft op contact met [minderjarige]. Het zou goed zijn voor [minderjarige], als de man meer structuur, voorspelbaarheid en continuïteit brengt in het contact dat hij met [minderjarige] heeft.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.4
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing per direct moeten worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissingen niet schorst.
Proceskosten
3.5
De rechtbank zal ten slotte de kosten van partijen in deze procedures tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank
4.1
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010;
4.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/412877 / FA RK 23-3829
datum uitspraak: 10 december 2024
beschikking over wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur in Oosterhout,
tegen
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2].
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010, hierna: [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het nadere procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 13 februari 2024;
- het op 8 augustus 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier;
- het op 3 oktober 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen F9-formulier met bijlage.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 12 november 2024. Bij die behandeling zijn gekomen de vrouw met haar advocaat en de man. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
De rechtbank heeft, met instemming van de aanwezigen, bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van een tweede vertegenwoordigster van de Raad.
2De verdere beoordeling
2.1
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij belast zal worden met het eenhoofdige gezag over [minderjarige].
2.2
In de beschikking van deze rechtbank van 13 februari 2024 is de behandeling van het verzoek van de vrouw aangehouden in afwachting van het bericht van partijen over de volgende vragen:
- heeft er contact plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de man, zo ja, wanneer en in welke vorm;
- heeft de man betrokkenheid getoond bij de hulpverlening rondom [minderjarige];
- hoe is de communicatie tussen [minderjarige] en de man verlopen.
Partijen zijn daarbij verzocht om zich uit te laten over de verdere afdoening van de zaak.
2.3
In het bericht van de advocaat van de vrouw van 8 augustus 2024 geeft zij aan dat de man tot begin juli de afspraken nauwelijks is nagekomen. [minderjarige] is tot die tijd twee keer een nachtje gaan slapen bij de man. De man heeft twee keer een contactmoment afgezegd. Het initiatief voor de contacten ging steeds van [minderjarige] uit. In de weken tot 8 augustus 2024 is het beter gegaan en is [minderjarige] zelfs een aantal dagen op rij gaan logeren bij de man. De vrouw ondersteunt [minderjarige] in het contact met de man. Wel blijft het beeld bestaan dat de man wisselend is in zijn betrokkenheid bij [minderjarige]. Bij bericht van 3 oktober 2024 legt de advocaat van de vrouw een brief van de ambulant begeleider van [minderjarige] over aan de rechtbank. Volgens deze begeleider komt de man de afspraken met [minderjarige] niet of nauwelijks na. Uit de whatsappberichten tussen [minderjarige] en de man is een opeenstapeling te zien van afwijzingen en teleurstellingen. [minderjarige] verlangt enorm naar erkenning en bevestiging van de man, maar krijgt deze niet. Het doet [minderjarige] veel verdriet. [minderjarige] gaat naar speciaal onderwijs. Hij heeft ADHD en LVB-problematiek. Het is voor hem daarom lastig om te snappen waarom de man zo met hem omgaat. [minderjarige] en zijn gezin krijgen ondersteuning vanuit [organisatie], in de vorm van ambulante hulpverlening. [minderjarige] heeft een eigen coach/begeleider. Verder is de afdeling Jeugd van de [gemeente] nauw betrokken en verantwoordelijk voor de beschikkingen van de hulpverleners. Het gezin van [minderjarige] draagt al een behoorlijke rugzak met zich mee. Het afwijzende gedrag van de man past daar niet bij. Het stagneert het proces van begeleiding en herstel. De hulpverlening steunt de vrouw in haar verzoek om de man het gezag te ontnemen. De man is voor de hulpverlening vaak lastig te bereiken. Ook komt hij de afspraken met de hulpverlening niet na. Het is steeds een heel gedoe om een handtekening van de man te krijgen als er beslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden. De moeder handhaaft haar verzoek om het gezag over [minderjarige] voortaan aan haar alleen toe te wijzen.
2.4
Tijdens de mondelinge behandeling is door en namens de vrouw aangegeven dat de man er niet in is geslaagd om het beeld dat van hem bestaat, te ontkrachten. De man neemt geen enkel initiatief om zelf in contact te komen met de school of de begeleiders van [minderjarige]. Het contact tussen de man en [minderjarige] verloopt heel wisselend. De man komt telkens met nieuwe redenen waarom er geen structureel contact kan zijn. [minderjarige] gaat eens per twee weken een weekend naar [kinderopvang]. De man laat, als hij al contact met [minderjarige] wil hebben, steeds kort tevoren weten dat hij – in een weekend – [minderjarige] wil zien. Het lukt de vrouw dan niet meer om de afspraak met [kinderopvang] op het laatste moment af te zeggen. De man verwijt de vrouw dat zij hem onvoldoende betrekt in de beslissingen over [minderjarige], maar de oorzaak daarvan ligt bij de man. De vrouw werkt mee aan een contactregeling, omdat [minderjarige] de man graag ziet. De huidige regeling is wat de vrouw betreft het hoogst haalbare. [minderjarige] heeft een intensief zorgsysteem om hem heen. De vrouw moet in staat zijn om mee te kunnen bewegen met de hulpverlening, zodat er geen vertraging komt in de hulp aan [minderjarige]. De vrouw heeft haar baan opgezegd, zodat zij zich kan wijden aan de zorg voor [minderjarige]. [minderjarige] heeft voortdurend zorg en aansturing nodig. De vrouw kan zich niet vinden in het advies van de Raad. Volgens de vrouw is het anderszins in het belang van [minderjarige] om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. De man toont onvoldoende betrokkenheid bij [minderjarige], die veel hulpverlening nodig heeft. De vrouw verwijt de Raad dat deze met twee maten meet en verwijst daarbij naar de publicatie van David Mandel: “Stop blaming mothers and ignoring fathers.”. De man en zijn handelen jegens [minderjarige] wordt door de Raad naar een andere standaard beoordeeld, dan voor de vrouw zou gelden. De man is al jaren niet betrokken bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige]. Hij heeft een duidelijke taak gekregen van de rechtbank en heeft deze niet kunnen volbrengen. Dan zou het niet zo mogen zijn, dat hij daarmee toch voldoet aan de eisen die aan een gezagdragende ouder gesteld mogen worden.
2.5
De man geeft aan dat hij een turbulent jaar achter de rug heeft en dat hij geen gelegenheid heeft gehad om een verslag aan de rechtbank te sturen, waarin hij de vragen uit de beschikking van 13 februari 2024 beantwoordt. De man heeft in het afgelopen jaar drie personen verloren die hem zeer na stonden. De man zou een gesprek krijgen met de begeleider van [minderjarige], maar hij heeft daar niets meer van vernomen. De man denkt dat de advocaat van de vrouw het verloop van de contacten met [minderjarige] wel goed heeft omschreven. In de periode tussen begin augustus 2024 en de dag van de mondelinge behandeling is [minderjarige] nog een keer een weekend bij de man geweest. De man probeert [minderjarige] via whatsapp te bereiken, maar omdat de telefoon van [minderjarige] steeds kapot is of ingenomen is, lukt dit niet. Als er al contact is tussen de man en de vrouw, komt het initiatief daarvoor vanuit de vrouw. De man neemt zelf geen contact op met de vrouw, omdat zij dan toch weer met elkaar in conflict komen.
Beoordeling
Gezag
3.1
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen het gezamenlijk gezag werd vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.2
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling blijkt het volgende. [minderjarige] is een minderjarige, die kampt met ernstige kind-eigen problematiek. [minderjarige] volgt speciaal onderwijs en bezoekt in het weekend [kinderopvang], een dagopvang voor kinderen met een speciale zorgbehoefte. De man en de vrouw hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige]. Hierin is opgenomen dat de man eenmaal per twee weken contact heeft met [minderjarige] van vrijdag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur. De man heeft sinds 2020 geen uitvoering meer gegeven aan deze contactregeling en is ook niet ingegaan op het aanbod van de vrouw, dat zij het vervoer van [minderjarige] naar de man voor haar rekening zou nemen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 12 januari 2024 heeft de man gesteld dat hij in de gelegenheid is om deel uit te maken van het leven van [minderjarige] en dat hij bereid is om samen met de vrouw op te trekken met de instanties die bij [minderjarige] betrokken zijn. De rechtbank heeft in de beschikking van 12 februari 2024 overwogen dat de man niet (voldoende) betrokken is geweest in het leven van [minderjarige]. Omdat [minderjarige] uitdrukkelijk en bij herhaling heeft aangegeven dat hij de man weer terug wil in zijn leven, heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek van de vrouw aangehouden voor de duur van zes maanden. In die periode heeft de man de gelegenheid gekregen om te laten zien dat hij zijn woorden om kan zetten in daden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat van de man verwacht wordt dat hij contact legt met [minderjarige] en met de vrouw en dat hij in overleg met hen komt tot afspraken over contacten met [minderjarige] en dat hij die afspraken nakomt. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de man betrokkenheid moet laten zien bij de hulpverlening rondom [minderjarige], bijvoorbeeld door deel te nemen aan geplande overleggen met instanties of school of door bij die instanties of school zelf te vragen om informatie, om een gesprek of om in de mailwisseling met de vrouw te worden meegenomen.
3.3
De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin de man zich bevond ten tijde van de vorige beschikking. De man heeft sindsdien een vaste woon- en verblijfplaats gevonden en heeft ook een persoonlijk begeleider gekregen, die hem ondersteunt. De man blijft op de mondelinge behandeling tot uitdrukking brengen dat hij de rol als gezagdragende ouder van [minderjarige] wil dragen, maar de rechtbank ziet een vader die feitelijk onmachtig is om deze verantwoordelijke taak uit te oefenen. De man is een betrokken ouder, maar hij krijgt het niet voor elkaar om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Zelfs met hulp van zijn persoonlijk begeleider lukt het de man niet om in contact te treden met de instanties of de school die bij [minderjarige] betrokken zijn. [minderjarige] heeft echter een grote hulpvraag, waarover regelmatig beslissingen genomen moeten worden. Daarvoor is het nodig dat de gezagdragende ouder de ontwikkeling van [minderjarige] nauwgezet volgt en dat er inzicht is in de hulp die [minderjarige] krijgt. Uit het verleden, maar ook uit de afgelopen periode moet geconcludeerd worden dat de man niet in staat is gebleken om een structurele verbetering te laten zien. De man heeft de tijd gekregen om te laten zien dat hij, al dan niet met ondersteuning, structureel contact heeft met [minderjarige], dat hij zich door school en de hulpverlening laat informeren over [minderjarige] en dat hij met de vrouw over [minderjarige] communiceert. De man erkent dat hij hierin niet is geslaagd en dat de situatie nagenoeg ongewijzigd is. Om het gezag over [minderjarige] samen uit te oefenen, moet er op zijn minst een basis zijn van oudercommunicatie, waarin partijen samen over [minderjarige] kunnen overleggen. Die basis is er in het geheel niet. De man heeft geen enkel zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] of de hulpverlening die bij hem betrokken is. De man is hierdoor onvoldoende geïnformeerd over [minderjarige] om weloverwogen beslissingen over hem te kunnen nemen. Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat de man de totstandkoming van beslissingen over [minderjarige] wel hindert. De man heeft geen werkend e-mailadres en is voor de hulpverlening niet of nauwelijks te bereiken. Hierdoor lopen de beslissingen over [minderjarige] en daarmee ook over zijn hulpverleningstraject, onnodig vertraging op. Dit blijkt ook duidelijk uit de brief die de ambulant begeleider heeft opgesteld. Het uitoefenen van gezag is bovendien meer dan alleen het zetten van een handtekening als daarom gevraagd wordt. De rechtbank stelt verder vast dat niet te verwachten is dat er binnen afzienbare termijn een positieve verandering bij de man te verwachten is. De vrouw en [minderjarige] moeten echter wel verder in hun leven. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag voortaan alleen door de vrouw wordt uitgeoefend. Het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen.
Deze beslissing laat echter onverlet dat de man altijd de vader zal zijn van [minderjarige] en dat hij onverminderd recht heeft op contact met [minderjarige]. Het zou goed zijn voor [minderjarige], als de man meer structuur, voorspelbaarheid en continuïteit brengt in het contact dat hij met [minderjarige] heeft.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.4
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing per direct moeten worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissingen niet schorst.
Proceskosten
3.5
De rechtbank zal ten slotte de kosten van partijen in deze procedures tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank
4.1
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010;
4.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.