Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:9624
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
6,090 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/428004 / KG ZA 24-516
4 december 2024
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de man,
eiser bij dagvaarding van 29 oktober 2024,
hierna te noemen eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. A. Elias te Oisterwijk,
tegen:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren te Breda.
Over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011,
roepnaam: [minderjarige 1];
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2015,
roepnaam: [minderjarige 2].
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geschreven brieven.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 28 november 2024 tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4
Nu het hier niet gaat om financiële aspecten doch om een zorg- en contactregeling kan is de betrokkenheid van de bewindvoerder in deze niet benodigd. De man zal dus zelfstandig als eiser worden aangemerkt.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Tussen de man en de vrouw staat het volgende vast. De man en de vrouw hebben een geregistreerd partnerschap gehad. Bij beschikking van de rechtbank van 2 februari 2018 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken, welke beschikking op 27 februari 2018 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het geregistreerd partnerschap van de man en de vrouw zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2015.
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.3.
In de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 10 november 2017 heeft de rechtbank bepaald dat de man en de minderjarigen recht hebben op contact eenmaal per twee weken op zondag, waarbij de man en de vrouw naar evenredigheid zorgdragen voor het halen en brengen van de minderjarigen. Daarbij is aan de Raad verzocht onderzoek te doen. Bij vonnis in kort geding van 9 maart 2018 is de vrouw veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling, zoals opgenomen in de beschikking van 10 november 2017. Daarbij is bepaald dat zij bij niet-nakoming een dwangsom van € 250,00 per dag zal verbeuren. De Raad heeft een rapport uitgebracht op 29 juni 2018. In dat rapport heeft de Raad geadviseerd een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur en de helft van de vakanties bij de man zijn. Beide partijen hebben vervolgens aan de rechtbank verzocht deze zorgregeling vast te leggen. Bij beschikking van 26 februari 2019 heeft de rechtbank vervolgens onder meer bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- in de even weekenden van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen naar de vrouw terugbrengt; een en ander met inachtneming van rechtsoverweging 2.5;
- gedurende de vakanties en feestdagen op de wijze zoals is overwogen in rechtsoverweging 2.6, nader in onderling overleg door partijen te regelen. In rechtsoverweging 2.5 staat onder meer dat partijen overeengekomen zijn dat de vrouw de minderjarigen op zaterdagochtend naar de man brengt en de man de minderjarigen op zondag bij de vrouw terugbrengt. Verder zijn partijen overeengekomen dat, indien de vrouw de minderjarigen in verband met haar onregelmatige diensten niet naar de man kan brengen, de man de minderjarigen in dat geval ook bij de vrouw ophaalt.
2.4.
In het vonnis van 27 november 2019 heeft de voorzieningenrechter bepaald, dat de vrouw de bij beschikking van 26 februari 2019 vastgestelde contactregeling dient na te komen, inhoudende dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- in de even weekenden van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen naar de vrouw terugbrengt; een en ander met inachtneming van rechtsoverweging 2.5 van die beschikking;
- gedurende de vakanties en feestdagen op de wijze zoals is overwogen in rechtsoverweging 2.6 van die beschikking, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
waarbij is bepaald dat de vrouw een dwangsom van € 250,00 per dag zal verbeuren indien zij in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen maximaal € 5.000,00 kan worden verbeurd.
2.5.
Bij beschikking van 9 juni 2020 is, conform de overeenstemming tussen partijen, bepaald dat de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd is tot het hebben van contact met de minderjarigen:
- gedurende eenmaal in de twee weken in de even weekenden, waarbij de man de minderjarigen ophaalt,
- zolang de scholen nog maar beperkt open zijn, haalt de man de minderjarigen op vrijdag om 14.30 uur op van school. Op zondag om 17.00 uur worden de minderjarigen in de straat afgezet en lopen zij zelf terug naar huis;
- wanneer de scholen weer volledig draaien, haalt de man op vrijdag [minderjarige 2] om 14.30 uur bij de vrouw op ([minderjarige 2] loopt zelf naar buiten naar de auto) en [minderjarige 1] om 15.15 uur op school. Op zondag om 17.00 uur worden de minderjarigen in de straat afgezet en lopen zij zelf terug naar huis;
- wanneer [minderjarige 2] dezelfde schooltijden heeft als [minderjarige 1], worden de minderjarigen om 15.15 uur van school opgehaald. Op zondag om 17.00 uur worden de minderjarigen in de straat afgezet en lopen zij zelf terug naar huis;
- de overige regelingen zoals opgenomen in de beschikking van 26 februari 2019 blijven onverminderd van kracht.
2.6.
Bij beschikking van 29 juni 2021 heeft de rechtbank de bij beschikkingen van 9 juni 2020 en 26 februari 2019 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd ten aanzien van de vakanties en feestdagen, in die zin dat die als volgt zijn komen te luiden:
Herfstvakantie
: de minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man, waarbij de regeling aansluit bij de weekendregeling. Dit betekent dat wanneer het eerste weekend het weekend van de man betreft, het overdrachtsmoment op de vrijdag om 14:30 uur is. Wanneer het tweede weekend het weekend van de man betreft, vangt de herfstvakantie aan op de zondagavond in het eerste weekend om 17:00 uur;
Kerstvakantie: deze vakantie wordt verdeeld in twee gelijke weken. De minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw, van vrijdag 14:30 uur tot de vrijdag daarop om 14:30 uur. In de oneven jaren verblijven de minderjarigen bij de vrouw en in de even jaren bij de man, vanaf vrijdag 14:30 aan het einde van de eerste week tot vrijdag 14:30 uur in de tweede week. Vervolgens is het laatste weekend van deze vakantie weer conform de reguliere regeling waarbij de minderjarigen in de even weekenden bij de man zijn en in de oneven weekenden bij de vrouw;
Voorjaarsvakantie/Carnavalsvakantie: deze vakantie wordt bij helfte verdeeld. De weekendregeling is leidend wie het eerste deel van de vakantie heeft en wie het tweede deel. Het wisselmoment ligt op woensdagochtend om 10:00 uur;
Meivakantie: de minderjarigen verblijven altijd de eerste week bij de man, van vrijdag 14:30 tot de vrijdag daarop om 14:30 uur. De tweede week verblijven de minderjarigen dus van vrijdag 14:30 tot de vrijdag in de tweede week 14:30 bij de vrouw. Het laatste weekend dient dan weer te lopen conform de zorg- en contactregeling. Dit betreft dus weer een regulier weekend;
Pasen: de minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man, van vrijdag 14:30 uur tot maandag 17:00 uur;
Pinksteren: de minderjarigen verblijven in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, van vrijdag 14:30 uur tot maandag 17:00 uur;
Hemelvaart
: de minderjarigen verblijven altijd bij de vrouw, van 9:00 uur tot 17:00 uur;
Koningsdag
: de minderjarigen verblijven altijd bij de man, van 9:00 uur tot 17:00 uur;
Zomervakantie 2021: de minderjarigen verblijven bij:
De man, op vrijdag 23 juli 2021 vanaf 14:30 uur tot woensdag 4 augustus 2021 10:00 uur.
De vrouw, op woensdag 4 augustus 2021 vanaf 10:00 uur tot vrijdag 13 augustus 2021 10:00 uur.
Beoordeling
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast.
4.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.3.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De vorderingen over en weer zijn door partijen in het kader van een kort geding procedure aan de voorzieningenrechter voorgelegd. Dit betekent dat voor de beoordeling daarvan de voorzieningenrechter is gehouden aan de voorlopige merites van de zaak en de belangen van partijen (in beginsel) zal afwegen naar de toestand ten tijde van het vonnis. Een kort geding procedure is er op gericht om in het geval van een acute situatie een ordemaatregel te kunnen treffen, in die situaties dat van partijen niet kan worden verlangd dat zij een bodemprocedure kunnen doorlopen.
4.4.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. Tussen partijen is niet in geschil, dat er een incident is geweest en dat na dat incident de omgangsregeling niet meer is nageleefd. De man en de minderjarigen hebben ieder een heel eigen beleving van dat incident. De minderjarigen geven daarbij aan dat er vaker incidenten zijn geweest, waarbij de man [minderjarige 2] heeft geslagen. Beide minderjarigen geven verder aan, dat zij hulp willen bij een gesprek met de man en herstel van het contact. De Raad heeft geadviseerd om de ondersteuning van dit gesprek via het CJG te laten verlopen, omdat het CJG al bij het gezin van de moeder betrokken is. In dit gesprek moet het incident op een open manier met de man en de minderjarigen besproken worden. Ook moet aan de orde komen wat het met de minderjarigen heeft gedaan en hoe zij het contact in de toekomst met de man zien. Aan de hand van het verloop van dat gesprek kan het vervolg worden bepaald en kan er worden beoordeeld of de minderjarigen nog een aanvullende vorm van hulp nodig hebben. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen over en weer afwijzen. De omstandigheden zijn op dit moment niet zodanig dat de contactregeling onmiddellijk kan worden hervat. Anderzijds is het de verwachting, dat als de minderjarigen passende hulpverlening krijgen in het hervatten van het contact met de man, er binnen afzienbare tijd op een opbouwende wijze kan worden gewerkt naar het weer uitvoeren van de huidige contactregeling. Een opschorting ligt voor de rechtbank dan ook niet in de rede. De afwijzing van de vorderingen over en weer betekent dat de huidige contactregeling vast blijft staan. De voorzieningenrechter gaat er echter vanuit dat de man de nakoming hiervan vooralsnog niet gaat afdwingen en dat hij het CJG en het tempo van de minderjarigen zal volgen in het weer opbouwen van de contactregeling.
4.5
[minderjarige 1] heeft aangegeven graag zelf een brief van de rechtbank te ontvangen met daarin een terugkoppeling over de beslissing. Hieronder treft u de inhoud van deze brief aan
Beste [minderjarige 1],
Op 21 november 2024 heb je samen met [minderjarige 2] een gesprek gehad met de kinderrechter. Toen hebben jullie gepraat over het contact met je vader. Ook heb je verteld dat je je vader al een tijdje niet meer ziet en dat je hem geblokkeerd hebt. Je hebt verder verteld dat je wel het contact weer langzaam zou willen opbouwen, ook voor [minderjarige 2]. Eerst zou je dan een telefoongesprek met je vader willen. Je gaf ook aan dat het fijn zou zijn als er iemand is die de eerste contacten gaat begeleiden.
Op 28 november 2024 heeft de kinderrechter met jouw beide ouders en een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming gesproken. De kinderrechter heeft toen kort tegen je ouders verteld wat [minderjarige 2] en jij tegen haar hebben verteld. Je vader heeft toen aangegeven dat hij graag met [minderjarige 2] en jou wil praten over wat er gebeurd is. Hij vindt het goed als het CJG bij dat gesprek is. Je moeder vindt het ook belangrijk dat jullie begeleiding krijgen van het CJG en dat het contact met je vader weer langzaam wordt opgebouwd. De vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming zal het CJG bellen, om te vragen of jullie heel snel hulp kunnen krijgen met het herstellen van het contact met je vader.
Je vader en je moeder zullen zelf ook hulp gaan vragen bij het CJG om het contact weer op te bouwen. De kinderrechter heeft daarom besloten om zowel het verzoek van je vader (er moet meteen weer contact zijn) en het verzoek van je moeder (er mag geen contact zijn) af te wijzen. Dat betekent dat de oude regeling blijft bestaan. Je vader heeft wel gezegd dat hij de begeleiding van het CJG gaat afwachten en dat hij samen met hen en jullie gaat werken aan het weer opbouwen van contact. De zaak bij de rechtbank wordt afgesloten.
4.6.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen redenen om een van de partijen in de kosten van de procedure te veroordelen.
Dictum
De voorzieningenrechter
In conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vorderingen over en weer af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Jansen, voorzieningenrechter, en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 4 december 2024 in tegenwoordigheid van Joosen, griffier.
Feiten
De man, op vrijdag 13 augustus vanaf 10:00 uur tot woensdag 25 augustus 2021 10:00 uur.
De vrouw, op woensdag 25 augustus 2021 vanaf 10:00 uur tot vrijdag 3 september 2021 14:30 uur.
Vervolgens vangt de reguliere contactregeling weer aan;
De daarop volgende zomervakanties: de minderjarigen verblijven altijd in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie bij de man. In de even jaren verblijven de minderjarigen de eerste drie weken bij de man en de laatste drie bij de vrouw.
3De vorderingen in conventie en reconventie
In conventie
3.1.
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals deze is opgenomen in de beschikkingen van deze rechtbank van 9 juni 2020 en 29 juni 2021, na te komen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de vrouw de minderjarigen niet meegeeft met een maximum van € 10.000,00, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.
3.2.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
Volgens de man werd de contactregeling tussen hem en de minderjarigen sinds de beschikking van 29 juni 2021 uitgevoerd en leken de minderjarigen blij en gelukkig. Op 7 juli 2024 vond er een incident plaats in de woning van de man. Op het moment dat de man de minderjarigen op die dag naar bed wil brengen, luistert [minderjarige 2] niet naar de man. De man geeft hem een kleine tik in het gezicht. De minderjarigen raken overstuur en eisen dat zij met de vrouw mogen bellen met de vraag of zij naar huis mogen komen. De man laat dit toe. Volgens de minderjarigen mogen zij terug naar de moeder, waarop de man en zijn partner de minderjarigen terugbrengen naar de vrouw. De vrouw was op dat moment in de bioscoop. Volgens de man kwam de vrouw hoogst geëmotioneerd aangereden. Zij beschuldigde de man – in het bijzijn van de minderjarigen – dat hij onder invloed van alcohol zou zijn. Ook roept zij naar de partner van de man wat zij met zo’n man moet. De vriend van de oudste zoon van de vrouw riep dat hij de man in elkaar ging slaan en sloeg met zijn elleboog op de ruit van de auto. De partner van de man heeft toen de politie gebeld, omdat zij doodsbang was. Uiteindelijk zijn de man en zijn partner vertrokken. De man heeft daarna contact opgenomen met de vrouw en aangegeven dat hij graag met de kinderen zou willen afspreken om het een en ander uit te praten. De man is niet ingegaan op het voorstel van de vrouw om eerst met de minderjarigen te bellen. Hij wilde graag in persoon met de kinderen praten. Ook heeft de man gevraagd om de contactregeling weer te hervatten in week 34. De man heeft ook hulp gezocht bij [hulpverlening]. De man vindt het belangrijk dat hij met de minderjarigen kan praten over het voorval zodat hij de lucht kan klaren en het contact weer kan opbouwen. Hij heeft voorgesteld om de minderjarigen te ontmoeten op neutraal terrein, zijnde bij de [winkel] in [geboorteplaats 1]. Na die ontmoeting zou de contactregeling dan wat de man betreft weer kunnen worden hervat. Deze ontmoeting heeft helaas nooit plaatsvonden. De man krijgt de indruk dat er veel speelt in het leven van de vrouw en de kinderen dat meekrijgen. De man krijgt nu echter deels de schuld van deze onrust. De man stelt dat er geen zorgen over hem zijn. De vrouw is duidelijk niet bereid gebleken om de contactregeling weer te hervatten. De vrouw projecteert haar gevoel van onveiligheid bij de man op de minderjarigen. Het incident moet echter niet groter worden gemaakt dan het feitelijk is geweest. De man wil dat het contact tussen hem en de minderjarigen zo snel mogelijk weer wordt hersteld. Hij is bereid om een eerste gesprek met de minderjarigen door het CJG te laten begeleiden. De man heeft ook met zijn maatschappelijk werker besproken, hoe hij hier het beste mee om kan gaan. De man is bang dat de vrouw dit incident aangrijpt om de situatie te laten escaleren, terwijl de man lang heeft gevochten voor de huidige contactregeling met de minderjarigen. De man realiseert zich dat er hulp nodig is om de contactregeling te hervatten en dat de minderjarigen niet weer meteen bij hem kunnen overnachten.
In reconventie
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man in conventie en concludeert tot afwijzing van die vordering. In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om de uitvoering van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op te schorten en te bepalen dat de man en de minderjarigen onder begeleiding van het CJG zullen gaan toewerken naar contactherstel tussen de man en de minderjarigen, door eerst een gesprek tussen de man en de minderjarigen in te plannen en daarna via een opbouwregeling de contactregeling weer op te starten en verder uit te breiden, met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.4.
De vrouw trekt het verweer ten aanzien van het spoedeisend belang. Wel stelt zij zich op het standpunt dat de vordering van de man moet worden afgewezen. Daartoe voert zij - kort samengevat - het volgende. De vrouw betwist met klem dat het zou gaan om een tikje, maar stelt dat [minderjarige 2] van de man een flinke klap heeft gekregen. Ook waren het niet de minderjarigen, maar was het juist de man die vervolgens aangaf dat de minderjarigen naar de vrouw teruggebracht zouden worden. De vrouw kreeg de minderjarigen huilend aan de telefoon en heeft geprobeerd de minderjarigen gerust te stellen, door te zeggen dat de man hen niet terug zou brengen. De man heeft de minderjarigen echter, zonder met de vrouw te overleggen, naar haar woning teruggebracht. Dit heeft geleid tot een escalatie bij de voordeur, waarbij de vrouw overstuur was over wat er met [minderjarige 2] was gebeurd. De vrouw heeft het CJG benaderd om professionele hulpverlening in te zetten voor het uitpraten van het incident. Op 21 oktober 2024 stond er een gesprek gepland met de man, zijn maatschappelijk werker en [naam] van het CJG. Het doel van het gesprek was om tussen de man en de minderjarigen de lucht te klaren en daarna weer de contactregeling te kunnen opstarten en verder op te bouwen tussen de man en de minderjarigen. Na het gesprek zou er dan ook een afspraak kunnen worden gemaakt, wanneer de man een paar uurtjes met de minderjarigen zou gaan doorbrengen, zodat er stappen op het gebied van contactherstel konden worden gemaakt. De klap had en heeft een behoorlijke impact op de minderjarigen gehad. Het vertrouwen tussen de minderjarigen en de man moet daarom rustig worden opgebouwd. De man heeft het gesprek echter kort tevoren afgezegd. De vrouw was op dat moment al met de minderjarigen onderweg naar het CJG. Ook dit was weer een negatieve ervaring voor de minderjarigen. De minderjarigen begrijpen niet waarom de man niet met hen in gesprek wil gaan en waarom hij geen excuus wil maken voor de gebeurtenis. De vrouw begrijpt ook niet waarom de man een kort geding procedure is gestart, waarin hij ook nog eens dreigt met een dwangsom en een kostenveroordeling, terwijl er al hulpverlening door het CJG was ingeschakeld. Het is volgens de vrouw zeker niet in het belang van de minderjarigen en allerminst helpend te noemen. Het is juist de man die wegens onnodig procederen in de proceskosten moet worden veroordeeld, aldus de vrouw. De vrouw vraagt zich af hoe de man het contactherstel voor zich ziet, als het incident niet besproken wordt. De man moet zich verder realiseren dat hij nooit en te nimmer meer een tik aan de minderjarigen mag uitdelen. De man moet eerst met de minderjarigen in gesprek gaan en proberen het vertrouwen te herstellen. De vrouw wordt er onterecht van beschuldigd, dat zij haar angst voor de man op de minderjarigen projecteert.