Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:9621
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,650 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/427871 / JE RK 24-1910
Datum uitspraak: 5 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 oktober 2024;
het e-mailbericht van de advocaat van de moeder van 19 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
Feiten
2.1.
De moeder heeft het gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 20 juni 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. [minderjarige] heeft een beneden gemiddeld IQ en loopt achter in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Er zijn grote zorgen om de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige] . De moeder lijkt overvraagd in haar draagkracht en heeft verbale en fysieke agressie laten zien richting hulpverleners, in het bijzijn van [minderjarige] . Inmiddels zijn de contacten met de vader beëindigd. De vader van [minderjarige] is op grote afstand van [minderjarige] gaan wonen en de moeder doet geen moeite om het contact tussen [minderjarige] en de vader toe te staan. De moeder wil pertinent geen contact met de vader en zij geeft [minderjarige] geen emotionele toestemming om contact met zijn vader te hebben. De GI vindt het nodig dat de moeder ondersteuning gaat krijgen in de opvoedsituatie van [minderjarige] . Voor [minderjarige] vindt de GI het noodzakelijk dat hij speltherapie krijgt. Hierbij is het belangrijk dat wat [minderjarige] leert in speltherapie, thuis in de praktijk gebracht kan worden. De moeder weigert echter alle vormen van hulpverlening en doet er alles aan om de hulpverlening buiten de deur te houden. De moeder wordt bijvoorbeeld agressief naar de hulpverleners of plant andere afspraken op de momenten dat de hulpverlening bij haar thuis aan de slag wil. De moeder is ernstig zorgmijdend. De GI vraagt zich af of [minderjarige] bij de moeder kan blijven wonen. Er zijn signalen dat [minderjarige] boven zijn moeder uitstijgt en dat dit in de toekomst nog meer zal blijken. De GI overweegt om de moeder en [minderjarige] te plaatsen in een moeder-kindhuis. De GI geeft aan dat de moeder niet meewerkt aan de hulpverlening aan [minderjarige] . De speltherapeut heeft aangegeven dat [minderjarige] niet meer kwam, omdat de moeder zwemles belangrijker vond. Als de moeder hierop door de GI aangesproken wordt, dan bedreigt ze de jeugdbeschermer waar [minderjarige] bij is. De speltherapie is inmiddels weer opgestart, maar de GI heeft niet de indruk dat de moeder het belang van die therapie inziet. SDW heeft aangegeven dat er grote zorgen zijn of de moeder de opvoeding van [minderjarige] wel aan kan. [minderjarige] laat thuis en op school boosheid en agressie zien. De moeder was aanwezig bij het gesprek met school, waarin deze zorgen besproken zijn. Nadat SDW de ondersteuning voortijdig heeft beëindigd, is [traject] ingezet om te onderzoeken hoe het met [minderjarige] gaat in de thuissituatie. De moeder moet met de hulpverlening gaan samenwerken, om er voor te zorgen dat [minderjarige] zich niet meer zo grof uitlaat.
4.2.
Door en namens de moeder wordt aangegeven dat zij niet instemt met het verzoek van de GI. Volgens de moeder zijn er geen doelen meer waar in het kader van de ondertoezichtstelling aan gewerkt moet worden. De moeder heeft agressieregulatietherapie gevolgd, waardoor er van agressie geen sprake meer is. Het is verder niet meer nodig om te werken aan contact tussen [minderjarige] en de vader, omdat de vader is verhuisd en hij geen contact meer wil met [minderjarige] . De moeder is heel goed in staat om [minderjarige] zelf te bieden wat hij nodig heeft. [minderjarige] volgt speciaal onderwijs en ontwikkelt zich daar goed. De GI heeft geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat [minderjarige] op school zorgelijk gedrag vertoont. Verder zorgt de moeder er voor dat [minderjarige] naar speltherapie gaat, dat hij zwemles krijgt en dat hij naar de scouting gaat. De moeder erkent dat de samenwerking met de hulpverlening niet goed verloopt. De moeder staat sceptisch tegenover hulpverlening. De GI grijpt steeds terug op het beeld van de moeder uit het verleden. Er zijn echter nagenoeg geen incidenten meer geweest. De moeder is wat grof in de mond, maar er is geen sprake van kindermishandeling door haar. Volgens de moeder is de ondertoezichtstelling beklemmend en voegt het niets toe aan de opvoedsituatie van [minderjarige] . De moeder vindt het belangrijk dat er voor iedereen rust komt en dat de ondertoezichtstelling beëindigd wordt. Volgens de moeder wordt er niet voldaan aan de wettelijke grond, dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige] gaat dagelijks naar school, komt thuis niets te kort, heeft vriendjes en heeft sociale activiteiten. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is volgens de moeder in strijd met het belang van [minderjarige] .
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat het de moeder zelfstandig niet lukt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Vanuit de school van [minderjarige] en vanuit SDW zijn er grote zorgen gemeld over de ontwikkeling en het gedrag van [minderjarige] . De GI heeft geprobeerd om zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [minderjarige] , maar slaagt hier niet in, omdat de moeder de hulpverlening niet toelaat tot haar woning of op andere wijze blokkeert. Het is voor [minderjarige] heel belangrijk dat hij de juiste hulp krijgt en dat het traject door blijft lopen. De moeder zegt dat zij meewerkt aan de hulpverlening, maar doet dit feitelijk niet. De weerstand die de moeder heeft tegen de hulpverlening, maakt dat verlenging van de ondertoezichtstelling nog dringend noodzakelijk is. De kinderrechter vindt het voor [minderjarige] belangrijk dat er ondersteuning komt in de opvoedsituatie en dat de moeder leert hoe zij met het gedrag van [minderjarige] om moet gaan. [minderjarige] is nog erg jong en heeft kindeigenproblematiek, waardoor hij meer vraagt van zijn opvoeder. Het is noodzakelijk dat de GI in de komende periode de opvoedcapaciteiten van de moeder in kaart brengt en beziet of de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd is, als hij bij de moeder woont.
5.3.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 22 december 2024 tot 22 december 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Joosen, als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 12 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/427871 / JE RK 24-1910
Datum uitspraak: 5 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 oktober 2024;
het e-mailbericht van de advocaat van de moeder van 19 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
Feiten
2.1.
De moeder heeft het gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 20 juni 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. [minderjarige] heeft een beneden gemiddeld IQ en loopt achter in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Er zijn grote zorgen om de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige] . De moeder lijkt overvraagd in haar draagkracht en heeft verbale en fysieke agressie laten zien richting hulpverleners, in het bijzijn van [minderjarige] . Inmiddels zijn de contacten met de vader beëindigd. De vader van [minderjarige] is op grote afstand van [minderjarige] gaan wonen en de moeder doet geen moeite om het contact tussen [minderjarige] en de vader toe te staan. De moeder wil pertinent geen contact met de vader en zij geeft [minderjarige] geen emotionele toestemming om contact met zijn vader te hebben. De GI vindt het nodig dat de moeder ondersteuning gaat krijgen in de opvoedsituatie van [minderjarige] . Voor [minderjarige] vindt de GI het noodzakelijk dat hij speltherapie krijgt. Hierbij is het belangrijk dat wat [minderjarige] leert in speltherapie, thuis in de praktijk gebracht kan worden. De moeder weigert echter alle vormen van hulpverlening en doet er alles aan om de hulpverlening buiten de deur te houden. De moeder wordt bijvoorbeeld agressief naar de hulpverleners of plant andere afspraken op de momenten dat de hulpverlening bij haar thuis aan de slag wil. De moeder is ernstig zorgmijdend. De GI vraagt zich af of [minderjarige] bij de moeder kan blijven wonen. Er zijn signalen dat [minderjarige] boven zijn moeder uitstijgt en dat dit in de toekomst nog meer zal blijken. De GI overweegt om de moeder en [minderjarige] te plaatsen in een moeder-kindhuis. De GI geeft aan dat de moeder niet meewerkt aan de hulpverlening aan [minderjarige] . De speltherapeut heeft aangegeven dat [minderjarige] niet meer kwam, omdat de moeder zwemles belangrijker vond. Als de moeder hierop door de GI aangesproken wordt, dan bedreigt ze de jeugdbeschermer waar [minderjarige] bij is. De speltherapie is inmiddels weer opgestart, maar de GI heeft niet de indruk dat de moeder het belang van die therapie inziet. SDW heeft aangegeven dat er grote zorgen zijn of de moeder de opvoeding van [minderjarige] wel aan kan. [minderjarige] laat thuis en op school boosheid en agressie zien. De moeder was aanwezig bij het gesprek met school, waarin deze zorgen besproken zijn. Nadat SDW de ondersteuning voortijdig heeft beëindigd, is [traject] ingezet om te onderzoeken hoe het met [minderjarige] gaat in de thuissituatie. De moeder moet met de hulpverlening gaan samenwerken, om er voor te zorgen dat [minderjarige] zich niet meer zo grof uitlaat.
4.2.
Door en namens de moeder wordt aangegeven dat zij niet instemt met het verzoek van de GI. Volgens de moeder zijn er geen doelen meer waar in het kader van de ondertoezichtstelling aan gewerkt moet worden. De moeder heeft agressieregulatietherapie gevolgd, waardoor er van agressie geen sprake meer is. Het is verder niet meer nodig om te werken aan contact tussen [minderjarige] en de vader, omdat de vader is verhuisd en hij geen contact meer wil met [minderjarige] . De moeder is heel goed in staat om [minderjarige] zelf te bieden wat hij nodig heeft. [minderjarige] volgt speciaal onderwijs en ontwikkelt zich daar goed. De GI heeft geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat [minderjarige] op school zorgelijk gedrag vertoont. Verder zorgt de moeder er voor dat [minderjarige] naar speltherapie gaat, dat hij zwemles krijgt en dat hij naar de scouting gaat. De moeder erkent dat de samenwerking met de hulpverlening niet goed verloopt. De moeder staat sceptisch tegenover hulpverlening. De GI grijpt steeds terug op het beeld van de moeder uit het verleden. Er zijn echter nagenoeg geen incidenten meer geweest. De moeder is wat grof in de mond, maar er is geen sprake van kindermishandeling door haar. Volgens de moeder is de ondertoezichtstelling beklemmend en voegt het niets toe aan de opvoedsituatie van [minderjarige] . De moeder vindt het belangrijk dat er voor iedereen rust komt en dat de ondertoezichtstelling beëindigd wordt. Volgens de moeder wordt er niet voldaan aan de wettelijke grond, dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [minderjarige] gaat dagelijks naar school, komt thuis niets te kort, heeft vriendjes en heeft sociale activiteiten. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is volgens de moeder in strijd met het belang van [minderjarige] .
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat het de moeder zelfstandig niet lukt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Vanuit de school van [minderjarige] en vanuit SDW zijn er grote zorgen gemeld over de ontwikkeling en het gedrag van [minderjarige] . De GI heeft geprobeerd om zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [minderjarige] , maar slaagt hier niet in, omdat de moeder de hulpverlening niet toelaat tot haar woning of op andere wijze blokkeert. Het is voor [minderjarige] heel belangrijk dat hij de juiste hulp krijgt en dat het traject door blijft lopen. De moeder zegt dat zij meewerkt aan de hulpverlening, maar doet dit feitelijk niet. De weerstand die de moeder heeft tegen de hulpverlening, maakt dat verlenging van de ondertoezichtstelling nog dringend noodzakelijk is. De kinderrechter vindt het voor [minderjarige] belangrijk dat er ondersteuning komt in de opvoedsituatie en dat de moeder leert hoe zij met het gedrag van [minderjarige] om moet gaan. [minderjarige] is nog erg jong en heeft kindeigenproblematiek, waardoor hij meer vraagt van zijn opvoeder. Het is noodzakelijk dat de GI in de komende periode de opvoedcapaciteiten van de moeder in kaart brengt en beziet of de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd is, als hij bij de moeder woont.
5.3.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 22 december 2024 tot 22 december 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Joosen, als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 12 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.