Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:9620
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,146 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/427555 / JE RK 24-1839
Datum uitspraak: 5 en 13 december 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten -Leur ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De rechtbank merkt als informant aan:
[de opa] ,
hierna te noemen de opa,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda , hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de resterende verzoeken geadviseerd.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 oktober 2024;
het op 28 november 2024 van opa ontvangen e-mailbericht met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
de opa van [minderjarige] ;
een vertegenwoordiger van de GI;
een vertegenwoordigster van de Raad.
De ouders van [minderjarige] zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft via haar jeugdbeschermer laten weten geen behoefte te hebben, om haar mening over het verzoek te geven.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 13 juni 2023 in het huidige gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2023 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 december 2024.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 mei 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 8 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. Door de spanningen rondom de contacten met haar ouders en haar opa, heeft [minderjarige] in mei 2024 gevraagd om de contacten met hen te pauzeren. [minderjarige] heeft het idee dat zij enorm haar best doet, maar dat haar ouders en opa niet veranderen. Opa was op uitnodiging aanwezig bij de musical op school van [minderjarige] . Op dat moment ging er iets mis in de communicatie tussen de gezinshuismoeder en opa, waardoor er een gespannen situatie is ontstaan. [minderjarige] had daar last van. De GI heeft hierover naderhand met opa gesproken, maar opa blijft bij het standpunt dat hij niets geks heeft gezegd. De belcontacten tussen [minderjarige] en haar ouders zijn ontspannen verlopen, maar de gesprekken kwamen maar moeizaam op gang. Het belcontact met opa is lastig verlopen voor [minderjarige] , waardoor zij weer verdrietig werd. Opa blijft steeds vragen waarom [minderjarige] alleen wil videobellen en of hij op bezoek mag komen. [minderjarige] houdt hierdoor meer afstand van opa. De GI heeft geprobeerd om aan opa uit te leggen, dat er eerst een paar telefonische contacten moeten zijn, waarin hij haar niet belast met deze vragen. In september 2024 is het gezinshuis verhuisd naar [plaats] . Na de zomervakantie was er weer een belcontact gepland. De moeder kon vanwege haar nieuwe baan niet bellen met [minderjarige] . De belmomenten met opa en de vader zijn ontspannen verlopen. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij voorlopig alleen éénmaal per maand via beeldbellen contact wil hebben met de ouders en opa. Het gezinshuis zal de ouders en opa maandelijks een update sturen over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] ontwikkelt zich positief. Ze is enthousiast over de verhuizing en ze is blij met haar nieuwe kamer. [minderjarige] is gestart op de HAVO in de regio. Ze heeft meteen al vriendinnen uit het dorp. [minderjarige] past heel goed in het gezinshuis. Ze heeft zich helemaal verbonden aan de gezinshuisouders. [minderjarige] geeft aan de GI aan dat zij geen behoefte heeft aan een vertrouwenspersoon. Uit het onderzoek door [naam] is gebleken dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de opa en niet bij de moeder ligt. De GI heeft na intern overleg het advies van [naam] overgenomen. Volgens de GI moeten de maatregelen nu voor de duur van een jaar verlengd worden. De moeder heeft de GI gemeld dat zij, gelet op hoe de situatie nu is, zich voortaan gaat richten op haar eigen ontwikkeling. Zij heeft meer afstand genomen van [minderjarige] . Het contact tussen opa en de vader is hersteld en gaat nu goed. De vader is in zijn houding naar de GI een stuk milder geworden. De vader zou meer contact willen met [minderjarige] , maar ziet ook dat het goed met haar gaat. Hij heeft vrede met hoe de situatie nu is. De GI zal in de komende periode gaan onderzoeken of beëindiging van het gezag van de ouders in het belang van [minderjarige] is.
4.2.
De opa zou het liefst zien dat [minderjarige] weer bij hem komt wonen, maar hij ziet ook dat [minderjarige] in het gezinshuis goed op haar plaats is. Opa geeft aan dat hij graag meer contact wil met [minderjarige] . Het is voor opa en zijn omgeving moeilijk te bevatten dat [minderjarige] zelf niet meer contact wil hebben. Opa zou graag zien dat [minderjarige] een vertrouwenspersoon krijgt, met wie zij kan praten en bij wie ze kan aangeven of ze meer contact met haar ouders en opa wil hebben. Als opa het antwoord dan van die vertrouwenspersoon terug hoort zal hij het kunnen aanvaarden en beter los kunnen laten. Opa zou daarnaast de mogelijkheid willen hebben om rechtstreeks weer met de gezinshuisouders te communiceren. Volgens opa willen de gezinshuisouders nu niet meer met hem praten, omdat hij had voorgesteld om jeugdstem bij [minderjarige] te betrekken. Hij wilde daarmee de gezinshuisouders niet diskwalificeren; opa zocht en zoekt een uitweg in iets wat hij moeilijk kan begrijpen: waarom zou [minderjarige] niet wat meer contact willen ?
4.3.
De Raad stemt in met het verzoek van de GI.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
Mondelinge uitspraak
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek heeft de rechtbank mondeling gedeeltelijk uitspraak gedaan. Aldus is het verzoek van de GI met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder mondeling toegewezen, waardoor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd van 8 december 2024 tot 8 december 2025. Aan alle wettelijke vereisten voor het toewijzen van het verzoek is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd en de ouders (en opa) zijn niet in staat om die bedreiging zelfstandig weg te nemen. Ook is het voor [minderjarige] belangrijk dat zij blijft wonen in het gezinshuis, nu er van een terugkeer naar een van de ouders of naar opa op dit moment geen sprake kan zijn.
5.4.
Deze beschikking is tot zover een schriftelijke vastlegging van die mondelinge beslissing. Besproken is dat de rechtbank zich vóór 19 december 2024 zal buigen over het perspectiefbesluit van de GI en daarover schriftelijk uitspraak zal doen.
Schriftelijke uitspraak
5.5.
De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsingang, waarin het door de GI genomen perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Uit de beschikking van de Hoge Raad van 1 september 2023, bekend onder ECLI:NL:HR:2023:1148, volgt evenwel dat de rechter een perspectiefbesluit wel mag beoordelen in het kader van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opvoedperspectief van het kind. Aangezien die situatie zich hier voordoet, is de rechtbank bevoegd om zich in het kader van het verzoek van de GI uit te laten over het perspectiefbesluit.
5.6.
De rechtbank is in dit verband van oordeel dat de GI in redelijkheid, met inachtneming van de door [naam] geschreven adviesverslagen van 5 februari 2024 over de opvoedsituatie bij opa en van 19 april 2024 over de opvoedsituatie bij de moeder, tot het perspectiefbesluit is gekomen. Het uitgangspunt bij de beoordeling van dit besluit is dat het belang van [minderjarige] voorop staat. Uit het onderzoek door [naam] is gebleken dat [minderjarige] alleen onbelast contact met haar ouders en opa kan hebben, als zij op een neutrale plaats woont. Als [minderjarige] teruggeplaatst zou worden bij haar moeder of haar opa, is het risico te groot dat [minderjarige] , haar ouders en opa terugvallen in de oude patronen en [minderjarige] opnieuw met de onderlinge conflicten op ernstige wijze belast wordt. Binnen het gezinshuis laat [minderjarige] een positieve ontwikkeling zien. [minderjarige] past goed binnen het gezinshuis en heeft zich verbonden aan de gezinshuisouders. Ook na de verhuizing van het gezinshuis naar [plaats] , laat [minderjarige] zien in het gezinshuis op haar plaats te zijn. [minderjarige] is gestart op de HAVO en heeft al vriendinnen gekregen in het dorp. De rechtbank vindt het voor [minderjarige] belangrijk dat zij rust en duidelijkheid krijgt over de plaats waar zij de komende jaren zal gaan opgroeien. Het zou de ontwikkeling van [minderjarige] zeer bedreigen, als er twijfel blijft bestaan over de plaats waar zij mag wonen. De rechtbank ondersteunt dan ook de visie die de GI voor [minderjarige] heeft uitgezet.
5.7.
Het blijft voor [minderjarige] ook van groot belang dat zij contact kan en mag houden met haar ouders en opa. De contacten tussen [minderjarige] en opa verlopen momenteel stroef, omdat opa niet begrijpt waarom [minderjarige] maar één keer per maand wil videobellen met hem. Opa zou graag zien dat er voor [minderjarige] een vertrouwenspersoon wordt aangesteld, met wie zij kan praten over de wijze en frequentie van de contacten met haar familie. De rechtbank kan zich voorstellen dat het inzetten van een vertrouwenspersoon voor [minderjarige] op dit specifieke punt voor opa meer duidelijkheid kan brengen en dit een positief effect kan hebben op het verloop van de videobelmomenten en eventuele vervolgcontacten. De rechtbank wil de GI dan ook in overweging geven om [minderjarige] te laten praten met een persoon die zij en opa vertrouwen en die de opa kan inlichten over de wensen die [minderjarige] heeft ten aanzien van het contact met hem en haar ouders.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 8 december 2024 tot 8 december 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 8 december 2024 tot 8 december 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, mr. Tempel en
mr. Van de Kraats, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 en 13 december 2024, in aanwezigheid van Joosen als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/427555 / JE RK 24-1839
Datum uitspraak: 5 en 13 december 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten -Leur ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De rechtbank merkt als informant aan:
[de opa] ,
hierna te noemen de opa,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda , hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de resterende verzoeken geadviseerd.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 oktober 2024;
het op 28 november 2024 van opa ontvangen e-mailbericht met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
de opa van [minderjarige] ;
een vertegenwoordiger van de GI;
een vertegenwoordigster van de Raad.
De ouders van [minderjarige] zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft via haar jeugdbeschermer laten weten geen behoefte te hebben, om haar mening over het verzoek te geven.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 13 juni 2023 in het huidige gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2023 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 december 2024.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 mei 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 8 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. Door de spanningen rondom de contacten met haar ouders en haar opa, heeft [minderjarige] in mei 2024 gevraagd om de contacten met hen te pauzeren. [minderjarige] heeft het idee dat zij enorm haar best doet, maar dat haar ouders en opa niet veranderen. Opa was op uitnodiging aanwezig bij de musical op school van [minderjarige] . Op dat moment ging er iets mis in de communicatie tussen de gezinshuismoeder en opa, waardoor er een gespannen situatie is ontstaan. [minderjarige] had daar last van. De GI heeft hierover naderhand met opa gesproken, maar opa blijft bij het standpunt dat hij niets geks heeft gezegd. De belcontacten tussen [minderjarige] en haar ouders zijn ontspannen verlopen, maar de gesprekken kwamen maar moeizaam op gang. Het belcontact met opa is lastig verlopen voor [minderjarige] , waardoor zij weer verdrietig werd. Opa blijft steeds vragen waarom [minderjarige] alleen wil videobellen en of hij op bezoek mag komen. [minderjarige] houdt hierdoor meer afstand van opa. De GI heeft geprobeerd om aan opa uit te leggen, dat er eerst een paar telefonische contacten moeten zijn, waarin hij haar niet belast met deze vragen. In september 2024 is het gezinshuis verhuisd naar [plaats] . Na de zomervakantie was er weer een belcontact gepland. De moeder kon vanwege haar nieuwe baan niet bellen met [minderjarige] . De belmomenten met opa en de vader zijn ontspannen verlopen. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij voorlopig alleen éénmaal per maand via beeldbellen contact wil hebben met de ouders en opa. Het gezinshuis zal de ouders en opa maandelijks een update sturen over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] ontwikkelt zich positief. Ze is enthousiast over de verhuizing en ze is blij met haar nieuwe kamer. [minderjarige] is gestart op de HAVO in de regio. Ze heeft meteen al vriendinnen uit het dorp. [minderjarige] past heel goed in het gezinshuis. Ze heeft zich helemaal verbonden aan de gezinshuisouders. [minderjarige] geeft aan de GI aan dat zij geen behoefte heeft aan een vertrouwenspersoon. Uit het onderzoek door [naam] is gebleken dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de opa en niet bij de moeder ligt. De GI heeft na intern overleg het advies van [naam] overgenomen. Volgens de GI moeten de maatregelen nu voor de duur van een jaar verlengd worden. De moeder heeft de GI gemeld dat zij, gelet op hoe de situatie nu is, zich voortaan gaat richten op haar eigen ontwikkeling. Zij heeft meer afstand genomen van [minderjarige] . Het contact tussen opa en de vader is hersteld en gaat nu goed. De vader is in zijn houding naar de GI een stuk milder geworden. De vader zou meer contact willen met [minderjarige] , maar ziet ook dat het goed met haar gaat. Hij heeft vrede met hoe de situatie nu is. De GI zal in de komende periode gaan onderzoeken of beëindiging van het gezag van de ouders in het belang van [minderjarige] is.
4.2.
De opa zou het liefst zien dat [minderjarige] weer bij hem komt wonen, maar hij ziet ook dat [minderjarige] in het gezinshuis goed op haar plaats is. Opa geeft aan dat hij graag meer contact wil met [minderjarige] . Het is voor opa en zijn omgeving moeilijk te bevatten dat [minderjarige] zelf niet meer contact wil hebben. Opa zou graag zien dat [minderjarige] een vertrouwenspersoon krijgt, met wie zij kan praten en bij wie ze kan aangeven of ze meer contact met haar ouders en opa wil hebben. Als opa het antwoord dan van die vertrouwenspersoon terug hoort zal hij het kunnen aanvaarden en beter los kunnen laten. Opa zou daarnaast de mogelijkheid willen hebben om rechtstreeks weer met de gezinshuisouders te communiceren. Volgens opa willen de gezinshuisouders nu niet meer met hem praten, omdat hij had voorgesteld om jeugdstem bij [minderjarige] te betrekken. Hij wilde daarmee de gezinshuisouders niet diskwalificeren; opa zocht en zoekt een uitweg in iets wat hij moeilijk kan begrijpen: waarom zou [minderjarige] niet wat meer contact willen ?
4.3.
De Raad stemt in met het verzoek van de GI.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
Mondelinge uitspraak
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek heeft de rechtbank mondeling gedeeltelijk uitspraak gedaan. Aldus is het verzoek van de GI met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder mondeling toegewezen, waardoor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd van 8 december 2024 tot 8 december 2025. Aan alle wettelijke vereisten voor het toewijzen van het verzoek is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd en de ouders (en opa) zijn niet in staat om die bedreiging zelfstandig weg te nemen. Ook is het voor [minderjarige] belangrijk dat zij blijft wonen in het gezinshuis, nu er van een terugkeer naar een van de ouders of naar opa op dit moment geen sprake kan zijn.
5.4.
Deze beschikking is tot zover een schriftelijke vastlegging van die mondelinge beslissing. Besproken is dat de rechtbank zich vóór 19 december 2024 zal buigen over het perspectiefbesluit van de GI en daarover schriftelijk uitspraak zal doen.
Schriftelijke uitspraak
5.5.
De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsingang, waarin het door de GI genomen perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Uit de beschikking van de Hoge Raad van 1 september 2023, bekend onder ECLI:NL:HR:2023:1148, volgt evenwel dat de rechter een perspectiefbesluit wel mag beoordelen in het kader van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opvoedperspectief van het kind. Aangezien die situatie zich hier voordoet, is de rechtbank bevoegd om zich in het kader van het verzoek van de GI uit te laten over het perspectiefbesluit.
5.6.
De rechtbank is in dit verband van oordeel dat de GI in redelijkheid, met inachtneming van de door [naam] geschreven adviesverslagen van 5 februari 2024 over de opvoedsituatie bij opa en van 19 april 2024 over de opvoedsituatie bij de moeder, tot het perspectiefbesluit is gekomen. Het uitgangspunt bij de beoordeling van dit besluit is dat het belang van [minderjarige] voorop staat. Uit het onderzoek door [naam] is gebleken dat [minderjarige] alleen onbelast contact met haar ouders en opa kan hebben, als zij op een neutrale plaats woont. Als [minderjarige] teruggeplaatst zou worden bij haar moeder of haar opa, is het risico te groot dat [minderjarige] , haar ouders en opa terugvallen in de oude patronen en [minderjarige] opnieuw met de onderlinge conflicten op ernstige wijze belast wordt. Binnen het gezinshuis laat [minderjarige] een positieve ontwikkeling zien. [minderjarige] past goed binnen het gezinshuis en heeft zich verbonden aan de gezinshuisouders. Ook na de verhuizing van het gezinshuis naar [plaats] , laat [minderjarige] zien in het gezinshuis op haar plaats te zijn. [minderjarige] is gestart op de HAVO en heeft al vriendinnen gekregen in het dorp. De rechtbank vindt het voor [minderjarige] belangrijk dat zij rust en duidelijkheid krijgt over de plaats waar zij de komende jaren zal gaan opgroeien. Het zou de ontwikkeling van [minderjarige] zeer bedreigen, als er twijfel blijft bestaan over de plaats waar zij mag wonen. De rechtbank ondersteunt dan ook de visie die de GI voor [minderjarige] heeft uitgezet.
5.7.
Het blijft voor [minderjarige] ook van groot belang dat zij contact kan en mag houden met haar ouders en opa. De contacten tussen [minderjarige] en opa verlopen momenteel stroef, omdat opa niet begrijpt waarom [minderjarige] maar één keer per maand wil videobellen met hem. Opa zou graag zien dat er voor [minderjarige] een vertrouwenspersoon wordt aangesteld, met wie zij kan praten over de wijze en frequentie van de contacten met haar familie. De rechtbank kan zich voorstellen dat het inzetten van een vertrouwenspersoon voor [minderjarige] op dit specifieke punt voor opa meer duidelijkheid kan brengen en dit een positief effect kan hebben op het verloop van de videobelmomenten en eventuele vervolgcontacten. De rechtbank wil de GI dan ook in overweging geven om [minderjarige] te laten praten met een persoon die zij en opa vertrouwen en die de opa kan inlichten over de wensen die [minderjarige] heeft ten aanzien van het contact met hem en haar ouders.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 8 december 2024 tot 8 december 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 8 december 2024 tot 8 december 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, mr. Tempel en
mr. Van de Kraats, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 5 en 13 december 2024, in aanwezigheid van Joosen als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.