Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:9619
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,252 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/428945 / KG ZA 24-565
19 december 2024
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. C.J.M. Veth te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. T. Möller te Tilburg, waargenomen door mr. C.C.J. Mouwen,
betreffende de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de op 27 november 2024 van de advocaat van de vrouw ontvangen stelbrief;
- brief van de advocaat van de vrouw van 5 december 2024 met producties.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op 11 december 2024 met gesloten deuren mondeling behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
De Raad is niet verschenen wegens ziekte van de betreffende medewerker.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft op 9 december 2024 met [minderjarige] gesproken over het hebben van contact met de man. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de [minderjarige] is geboren.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.3.
[minderjarige] woont bij de vrouw. Partijen hebben onderling afgesproken dat de man en [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondag omstreeks 17.00 uur contact met elkaar hebben. De zorg tijdens de vakanties wordt tussen partijen bij helfte verdeeld.
3De vordering
3.1.
De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. Primair
de vrouw te gelasten binnen vijf dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een redelijke termijn, volledige medewerking te verlenen en te blijven verlenen aan uitvoering van de contactregeling waarbij de man en [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school, althans vanaf omstreeks 16.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man haar weer bij de vrouw terugbrengt, dan wel aan een nader door de voorzieningenrechter te bepalen contactregeling.
Subsidiair
Te oordelen zoals de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden in het belang van [minderjarige] en de man het meest geraden acht.
2. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt de man dat partijen jarenlang uitvoering hebben gegeven aan de afgesproken contactregeling. Sinds 2021 liep dit moeizamer tussen partijen. Volgens de man heeft de vrouw hem op 31 mei 2024 laten weten dat de contactregeling niet door kon gaan, vanwege ziekte van [minderjarige] . Op 6 juni 2024 heeft de vrouw de man ineens via e-mail beschuldigd van ernstig grensoverschrijdend seksueel gedrag jegens [minderjarige] . De vrouw heeft de man laten weten dat zij geen contact meer toe zou staan, tot er meer duidelijkheid zou zijn en/of het tegendeel bewezen is. De man heeft meteen bij de vrouw bezwaar gemaakt. De man ontkent met klem dat er sprake zou zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag van hem richting [minderjarige] . De man heeft op 7 juni 2024 een brief van Veilig Thuis gekregen over de zorgmelding die was gedaan. Volgens de man heeft de vrouw op 31 mei 2024 een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis. Op 4 juni 2024 heeft de politie naar aanleiding van een aangifte van de vrouw over mogelijk grensoverschrijdend gedrag door de man jegens [minderjarige] melding gedaan bij Veilig Thuis. De man heeft zich terughoudend opgesteld, omdat hij er van uit ging dat er snel duidelijkheid zou komen en dat het contact daarna hervat zou kunnen worden. Veilig Thuis gaf echter aan dat het strafrechtelijk onderzoek afgewacht zou worden en dat de man [minderjarige] kaartjes zou mogen sturen om haar te laten weten dat hij van haar houdt. De advocaat van de man heeft de vrouw verzocht om per direct mee te werken aan het hervatten van contact tussen de man en [minderjarige] . De vrouw bleek hiertoe niet bereid. Volgens de man heeft Veilig Thuis het dossier gesloten en op 4 september 2024 overgedragen aan het Sociaal Team [woonplaats 2]. Volgens de man heeft het Sociaal Team hem medegedeeld dat er volgens Veilig Thuis geen omgang kan plaatsvinden gedurende het lopende onderzoek van de politie. Daarbij werd aangegeven dat als [minderjarige] contact met de man zou willen, er gekeken zou worden hoe dit op een veilige manier zou kunnen. De man heeft op dit moment nog steeds geen contact met [minderjarige] . Volgens de man is het schadelijk voor [minderjarige] als zij geen contact meer heeft met de man. De man heeft geen enkel zicht op de stand van zaken of op de duur van het politieonderzoek. Hij heeft geen stukken ontvangen van de aangifte die de vrouw zou hebben gedaan. De man is niet door de politie gehoord of daartoe uitgenodigd. De man heeft geen idee van welke handelingen hij wordt beschuldigd. Volgens de man moet voorkomen worden dat er een situatie ontstaat dat herstel van dat herstel van contact alleen maar moeilijker wordt. De man vraagt zich af of hetgeen [minderjarige] heeft verteld voort komt uit de loyaliteit die zij naar de vrouw heeft. [minderjarige] had eerder veel moeite met de overgang van de vrouw naar de man. De uitlatingen van [minderjarige] zouden evengoed betrekking kunnen hebben op iemand anders. De vrouw stimuleert het contact tussen de man en [minderjarige] op geen enkele manier. Volgens de man is er geen contra-indicatie voor het hervatten van het contact. De man staat niet geheel afwijzend tegenover een begeleide omgangsregeling, maar alleen als deze op korte termijn wordt opgestart en dat het traject gericht is op het zo snel mogelijk hervatten van de oorspronkelijke onbegeleide contactregeling.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man en concludeert tot afwijzing van die vordering. Volgens de vrouw heeft [minderjarige] haar verteld dat de man haar onzedelijk heeft betast als zij naar bed gaan. Op advies van de politie kan de vrouw niet in detail treden over de aanklacht. De vrouw heeft aangifte gedaan en er heeft een studioverhoor van [minderjarige] plaatsgevonden. De zedenpolitie in [woonplaats 1] is met het onderzoek belast. [minderjarige] laat volgens de vrouw al jaren weerstand zien als zij naar de man gaat. Als moeder kan de vrouw niet anders, dan afgaan op wat [minderjarige] vertelt en haar veiligheid waarborgen. In de brief van Veilig Thuis van 4 september 2024 staat op pagina 4 en 5 dat [minderjarige] niet alleen met de man kan zijn, tot het netwerk en de betrokken hulpverleners het er allemaal over eens zijn dat het weer veilig is voor [minderjarige] . Dat wil zeggen totdat het duidelijk is, dat er geen sprake is geweest van seksueel overschrijdend gedrag van de man richting [minderjarige] . De hulpverlening dient met [minderjarige] en de man te kijken naar hun behoefte rondom contact (bijvoorbeeld telefonisch) en hoe dit veilig vorm te geven. Nadat het strafrechtelijk onderzoek is afgesloten, zal beoordeeld moeten worden of en zo ja op welke wijze het contact tussen [minderjarige] en de man hersteld kan worden. Tot dat moment zal met [minderjarige] bekeken moeten worden wat voor haar belangrijk is in het contact met de man. Vanuit het Sociaal Team is op 17 september 2024 aangegeven dat Veilig Thuis heeft geadviseerd en ook in de veiligheidsvoorwaarden heeft opgenomen, dat er op dit moment geen omgang kan plaatsvinden gedurende het onderzoek van de politie. Er zal contact gestimuleerd worden, maar wel naar de behoefte van [minderjarige] . Het Sociaal Team is door Veilig Thuis geadviseerd om het onderzoek af te wachten, voor er hulpverlening wordt ingezet. Bij e-mail van 5 december 2024 heeft het Sociaal Team laten weten dat het advies van Veilig Thuis gevolgd wordt, wat inhoudt dat er gedurende het onderzoek van de politie geen fysiek contact tussen de man en [minderjarige] mag zijn. De vrouw staat niet afwijzend tegen contact tussen [minderjarige] en de man, maar alleen als er een professionele derde bij is. De vrouw kan [minderjarige] niet naar de man sturen, als zij niet zeker weet dat het veilig is. De vrouw is bereid om telefonisch contact toe te staan, maar volgens haar wil de man dit niet. Volgens de vrouw heeft het Sociaal Team bewust gewacht tot na het kort geding. Als de voorzieningenrechter besluit dat er begeleid contact moet zijn, dan kan het Sociaal Team hierin een rol spelen.
3.4.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
Beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Op grond van de stukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast.
Primaire vordering
4.2.
De vordering van de man is aan de rechtbank voorgelegd in het kader van een kort geding. Een kortgedingprocedure is er op gericht, om in het geval van een acute situatie een ordemaatregel te kunnen treffen, in die situaties dat van partijen niet kan worden verlangd dat zij een bodemprocedure doorlopen. Dat betekent ook dat voor de beoordeling van de vordering, de voorzieningenrechter gehouden is aan de voorlopige merites van de zaak. De belangen van partijen zullen (in beginsel) afgewogen worden naar de toestand ten tijde van het vonnis, waarbij het belang van de minderjarige steeds voorop staat.
4.3.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen onderling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben afgesproken, die tot 6 juni 2024 tussen partijen werd uitgevoerd. De vrouw heeft de man laten weten dat zij [minderjarige] niet meer naar de man zal laten gaan, voordat er duidelijkheid is over het vermeende seksueel grensoverschrijdende gedrag van de man. De man ontkent dat sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag door hem en vindt dat de contactregeling meteen hervat moet worden.
4.4.
Op grond van de wet heeft een kind in beginsel recht op contact met zijn ouders en hebben de ouders het recht en de verplichting tot contact met het kind. Uit de brief van Veilig Thuis van 4 september 2024 blijkt echter dat de politie zorgen heeft gemeld bij Veilig Thuis naar aanleiding van een aangifte die de vrouw bij de politie heeft gedaan. Veilig Thuis geeft verder aan dat er een time-out is en dat de hulpverlening ondertussen met [minderjarige] en de man moet kijken naar hun behoefte rondom contact en hoe dit veilig vorm te geven. [minderjarige] heeft de man sinds 6 juni 2024 niet meer gezien of gesproken. Tijdens het kindgesprek heeft zij aangegeven, dat zij bang is dat de man boos op haar is, over wat zij tegen de vrouw heeft verteld. Ze is blij met de kaartjes die ze van de man heeft ontvangen en wil de man telefonisch spreken, maar liever niet videobellen.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gezien het lopende politieonderzoek, de uiteenlopende standpunten van partijen, haar gesprek met [minderjarige] en de onduidelijkheid over wat er al dan niet is voorgevallen, de contactregeling niet onmiddellijk hervat kan worden. De voorzieningenrechter kan op basis van de voorhanden zijnde informatie niet vaststellen wat er al dan niet tussen de man en [minderjarige] is voorgevallen. De veiligheid van [minderjarige] moet in alle gevallen voorop gesteld worden. Dit betekent dat de primaire vordering van de man in zoverre wordt afgewezen.
4.6.
Er moet evenwel voorkomen worden dat de man volledig uit het leven van [minderjarige] verdwijnt. Het is onduidelijk op welke termijn het politieonderzoek wordt afgerond en welke uitkomst dit zal hebben. Ook bestaat de mogelijkheid dat niet vastgesteld kan worden dat de verweten handelingen hebben plaatsgevonden. [minderjarige] heeft behoefte aan een vorm van contact met haar vader. Het lukt de ouders niet om daar samen vorm aan te geven. Er zal daarom met professionele ondersteuning gewerkt moeten worden aan een traject tot herstel van het contact tussen de man en [minderjarige] . Met de man is de voorzieningenrechter van oordeel, dat er op zeer korte termijn een traject opgestart moet worden, nu er al zes maanden geen contact meer is geweest tussen [minderjarige] en de man. Vanuit het Sociaal Team is er nog geen voornemen om een dergelijk traject te starten. De voorzieningenrechter kan partijen niet rechtstreeks verwijzen naar een zorgaanbieder, die in een dergelijk traject kan voorzien. De voorzieningenrechter zal partijen daarom in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwijzen naar het zorgloket met de opdracht om een traject van begeleid contact te faciliteren en het contact tussen de man en [minderjarige] op korte termijn te herstellen naar begeleide fysieke contacten. Het is hierbij aan de zorgaanbieder om de duur, de frequentie en de andere praktische zaken, zoals een locatie, te bepalen. Onder de huidige omstandigheden, waarin nog veel onduidelijkheid bestaat over onder meer het politieonderzoek en hoe [minderjarige] het contactherstel zal ervaren, kan de voorzieningenrechter nog niet bepalen hoeveel begeleide contacten nodig zijn en of en op welk moment weer kan worden overgegaan tot onbegeleide contacten.
Bodemprocedure
4.7.
De voorzieningenrechter geeft verder (de advocaat van) de man de opdracht om een bodemprocedure te starten, in welk kader het verloop van het traject door het zorgloket gerapporteerd kan worden. De voorzieningenrechter verzoekt de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een hulpverleningstraject gericht op een begeleid contact in het kader van UHA door middel van vermelding UHA in KG met zaaknummer C/02/428945 / KG ZA 24-565.
Verwijzing UHA
4.8.
De problematiek van de ouders omvat het volgende:
De vrouw heeft bij de politie aangifte gedaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag van de man ten aanzien van [minderjarige] . De vrouw vindt het bij de man niet veilig voor [minderjarige] en zij staat fysiek onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man niet meer toe. De man ontkent dat er sprake zou zijn geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag en wil dat het contact tussen hem en [minderjarige] weer wordt hervat.
4.9.
Het lukt partijen samen niet het probleem tussen hen op te lossen. De voorzieningenrechter vindt het daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind een passend hulpverleningstraject voor begeleid contact bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Nu eerst sprake moet zijn van contactherstel en een aantal praktische aspecten (zoals de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders) een rol spelen, kan de voorzieningenrechter op dit moment geen preciezere invulling bepalen van deze contactregeling.
De voorzieningenrechter verwijst partijen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant.
4.10.
Met de inzet van het hulptraject gaan de ouders aan het behalen van het volgende resultaat:
het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
Dit resultaat is ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1). Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.11.
Na afloop van het hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De voorzieningenrechter heeft de (advocaat van de) man de opdracht gegeven om een bodemprocedure starten. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject, waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact, wordt standaard een termijn van 9 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat de man en [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op begeleid contact met elkaar;
5.2.
verwijst partijen en hun minderjarig kind voor een hulptraject ten behoeve van het hierboven genoemde resultaat naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal partijen en de minderjarige vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.3.
verzoekt het loket om uiterlijk op 20 september 2025 Pro Forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
5.4.
verzoekt de man bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “UHA in KG met zaaknummer C/02/428945 / KG ZA 24-565”;
5.5
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.6.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.7.
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o.4.15 opgenomen vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.8.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
5.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.11.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Combee, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024 in tegenwoordigheid van Joosen, griffier.