Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:9615
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,530 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/422793 / JE RK 24-976
Datum uitspraak: 28 juni 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2016 in Breda,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C.A. Pietsch te Eindhoven,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 mei 2024;
de e-mail met bijlagen van de vader van 11 juni 2024;
de e-mail met bijlage van de vader van 14 juni 2024;
de e-mail met bijlagen van de vader van 15 juni 2024;
de e-mail met bijlagen van de vader van 17 juni 2024;
de e-mail met bijlage van de vader van 24 juni 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 25 juni 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI sinds 4 april 2023. De ondertoezichtstelling is sindsdien door de kinderrechter van deze rechtbank verlengd, voor het laatst tot 4 juli 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangegeven dat de situatie in positieve zin is gewijzigd. Er was eerst sprake van een conflictueuze sfeer tussen de ouders. Zij konden toen geen overeenstemming bereiken over de afspraken over [minderjarige] . In de afgelopen maanden is er echter rust gekomen in de verhouding tussen de ouders. Er is sprake van onderlinge samenwerking en zij hebben een ouderschapsplan opgesteld. De omgang tussen [minderjarige] en de vader is in opbouw. Er wordt gewerkt naar een co-ouderschapsregeling. Er is danstherapie voor [minderjarige] ingezet. De vader had veel wantrouwen richting de jeugdbeschermer van de GI, omdat er in het verleden zaken niet goed zijn verlopen. Door de inzet van de jeugdbeschermer te richten op [minderjarige] is er een goede samenwerking met de vader ontstaan. Twee weken geleden is er echter een kink in de kabel gekomen. De moeder had de vader meegevraagd naar een oudergesprek op school. De school heeft de aanwezigheid van de vader echter geweigerd wegens eerdere incidenten. De vader is toch naar de school gekomen en in het bijzijn van [minderjarige] verwijderd. De vader heeft een eigen strijd te voeren over de zaken die niet goed zijn verlopen, maar het is belangrijk dat hij weer in samenwerking komt met de GI en de moeder. Hier moet nog een gesprek over worden gevoerd. De verlenging van de ondertoezichtstelling is nog voor de duur van zes maanden nodig. Beide ouders hebben bij de GI aangegeven in te stemmen met dit verzoek.
4.2
Door en namens de moeder is aangegeven dat zij instemt met het verzoek en de doelen die de GI heeft gesteld. De samenwerking met de vader verliep goed. Ze vindt het belangrijk dat [minderjarige] contact heeft met de vader. Sinds het incident op school wordt de zorgregeling echter niet meer nagekomen en reageert de vader ook niet meer op berichten van de moeder. [minderjarige] mist haar vader.
4.3.
De vader heeft aangegeven dat hij vindt dat de huidige jeugdbeschermer zijn werk veel beter doet dan zijn voorgangers, maar dat hij nog tegen teveel dingen aanloopt die in het verleden onrechtmatig zijn verlopen. Hij vindt het van belang dat de kinderrechter alle objectiveerbare en van belang zijnde feiten en omstandigheden weet. Hij heeft daarom meerdere stukken overgelegd om te laten zien welke zaken er niet goed zijn verlopen. Hij wil dat - onder andere - de vorige jeugdbeschermers van de GI worden gehoord door de kinderrechter. Om verder te kunnen moeten voor de vader alle blokkades worden verwijderd. Het incident op school is weer een voorbeeld. Hij heeft als vader het recht om op gelijke wijze geïnformeerd te worden over [minderjarige] . Hij mist [minderjarige] op dit moment ook. Hij weet niet hoe hij voor zijn kind moet zorgen als hij door de omstandigheden zijn woning niet meer heeft.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
- de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
- de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat de gronden van de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. De vader en de moeder hebben in de afgelopen periode onder begeleiding van de GI de stappen gezet die in het belang van [minderjarige] nodig zijn. Er zal in de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader gewerkt worden naar een co-ouderschap. Dit zal wederom een groot beroep doen op de samenwerking tussen de ouders. Met de GI acht de kinderrechter begeleiding in het gedwongen kader voor de komende zes maanden nog noodzakelijk.
5.3
De moeder heeft ingestemd met het verzoek. De vader heeft bij de GI aangegeven akkoord te zijn met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader geen bezwaren geuit tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zijn standpunten zijn gericht op zaken die eerder niet goed zijn verlopen en waarvan hij nu nog de gevolgen ondervindt. De vader heeft aan de kinderrechter verzocht meerdere personen, waaronder de vorige jeugdbeschermers van de GI, te horen. De kinderrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat zij op dit moment enkel een beslissing kan nemen over het verzoek dat voorligt en zij zich voldoende voorgelicht acht om hierover een beslissing te kunnen nemen.
5.4.
Gezien het voormelde zal de kinderrechter het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van zes maanden.
5.5.
De GI heeft aangegeven tijdens de ondertoezichtstelling te werken aan de volgende twee doelen:
- [minderjarige] groeit op in een veilige opvoedomgeving;
- [minderjarige] heeft onbelast contact met haar beide ouders.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.7.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 4 juli 2024 tot 4 januari 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2024 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 11 juli 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.