Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-26
ECLI:NL:RBZWB:2024:9610
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,280 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4914 WAJONG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres,
(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Reitsma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering om terug te komen van de besluiten van 12 maart 2015 en 11 december 2018. Met deze besluiten is aan eiseres een Wajonguitkering geweigerd.
1.2.
Het UWV heeft met het primaire besluit van 3 maart 2022 geweigerd om terug te komen op deze besluiten. Met het bestreden besluit van 16 september 2022 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij die weigering gebleven.
1.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, gedragsdeskundige/ psycholoog
[persoon 1] en de gemachtigde van het UWV.
Op de zitting is het onderzoek geschorst om een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) nader onderzoek te laten verrichten.
1.5.
De verzekeringsarts b&b heeft op 19 februari 2024 gerapporteerd. Eiseres heeft op deze rapportage gereageerd. Daarna hebben een verzekeringsarts b&b en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) nader gerapporteerd.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek op 21 november 2024 gesloten nadat partijen is gevraagd of een nadere zitting gewenst is en het UWV heeft laten weten dat een nadere zitting niet nodig is. Eiseres heeft niet gereageerd.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiseres, geboren op [geboortedag] 1997, functioneert op laag begaafd niveau,
TIQ = 66-80, waarbij er kenmerken zijn van hechtingsproblematiek, een vertraagde sociaal-emotionele ontwikkeling, een zwakke ego-ontwikkeling en een gebrek aan passende coping, zelfinzicht- en reflectiemogelijkheden. Eiseres woonde sinds april 2014 in een woonvorm van [organisatie 1] in [plaats 2] . Sinds 2018 woont eiseres, met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz-7 indicatie plus meerzorg), op een woongroep van [organisatie 2] in [plaats 1] .
2.2.
Op 11 december 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een Wajonguitkering.
Met het besluit van 12 maart 2015 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen omdat eiseres kan werken. Aan dit besluit liggen de rapportage en conclusies van verzekeringsarts [persoon 2] van 9 maart 2015 en van arbeidsdeskundige [persoon 3] van 11 maart 2015 ten grondslag.
2.3.
Op 13 juli 2018 heeft eiseres een Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend.
Met het besluit van 11 december 2018 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen omdat eiseres arbeidsvermogen heeft. Aan dit besluit liggen de rapportages en conclusies van verzekeringsarts [persoon 2] van 8 november 2018 en van arbeidsdeskundige [persoon 4] van 10 december 2018 ten grondslag.
2.4.
Op 5 oktober 2020 heeft eiseres weer een Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen gedaan.
Met het besluit van 11 januari 2021 heeft het UWV deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen op de besluiten van 12 maart 2015 en 11 december 2018 en dat verzoek afgewezen omdat eiseres geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd. Het UWV heeft dit besluit gebaseerd op de conclusies van arts [persoon 5] van 11 januari 2021.
Eiseres heeft tegen het besluit van 11 januari 2021 bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dit bezwaar met het besluit van 2 augustus 2021 ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op de conclusies van verzekeringsarts [persoon 6] van 22 juli 2021.
[persoon 6] concludeerde dat sprake is van toegenomen beperkingen (door PTSS met dissociatieve symptomen) maar dat die niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als die op de 18e verjaardag (licht verstandelijke beperking en een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emoties in gedrag).
Eiseres heeft tegen het besluit van 2 augustus 2021 beroep ingesteld. De rechtbank heeft dat beroep op 3 december 2021 niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn.
2.5.
Met de brief van 4 januari 2022 heeft eiseres verzocht om herziening van de eerdere besluiten waarbij een Wajonguitkering is geweigerd (het herzieningsverzoek).
2.6.
Met het primaire besluit van 3 maart 2022 heeft het UWV dit verzoek afgewezen, omdat eiseres geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd. Het UWV blijft bij zijn besluiten van 12 maart 2015 en 11 december 2018.
2.7.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.8.
Met het bestreden besluit van 16 september 2022 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.
Beroep
3.1.
Eiseres erkent dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn bij het herzieningsverzoek. De besluiten tot weigering van een Wajonguitkering zijn echter onmiskenbaar onjuist omdat helder is dat eiseres nooit kon en kan deelnemen aan het arbeidsproces. De weigering die besluiten te herzien is daarom evident onredelijk.
3.2.
Eiseres heeft een zeer traumatische jeugd gehad waarin PTSS, dissociaties, agressief gedrag en automutilaties zijn ontstaan. Vanaf de eerste aanvraag heeft eiseres een sociaal emotionele ontwikkeling gelijk aan de leeftijd van 6-18 maanden. Eiseres is met zwakbegaafdheid (op de grens van lichte zwakzinnigheid) geboren en de psychiatrische problematiek is in haar vroege jeugd ontstaan. Vanwege haar lage sociaal emotionele ontwikkeling en ernstige gedragsproblematiek met aanvallen van dissociatie en agressiviteit, is eiseres niet tot samenwerken in staat noch tot het verrichten van enige arbeid.
3.3.
Volgens eiseres was er op haar 18e verjaardag al sprake van dissociëren. Zij verwijst naar het evaluatiebehandelplan van 28 december 2011. Daarin wordt het bestaan van een dissociatieve stoornis benoemd. Eiseres was toen 14 jaar. Zij lijdt al vanaf haar jeugd aan die stoornis. Het is dan ook niet juist dat er sprake is van beperkingen uit een andere ziekteoorzaak.
3.4.
Eiseres stelt dat het arbeidsvermogen ontbreekt en dat dat duurzaam is. Gezien de bestaande problematiek zijn er nauwelijks ontwikkelingsmogelijkheden. Zij wijst daarbij op informatie van [persoon 7] van 3 april 2024.
Beoordeling
5.1.
De verzekeringsarts b&b (Vegt) heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank over de beperkingen van eiseres in de vijf jaar na haar 18e verjaardag (zogenaamde Amberperiode van 3 april 2015 tot 4 april 2020), op 19 februari 2024 nader gerapporteerd.
De verzekeringsarts b&b concludeert, na nadere bestudering van het dossier, dat eiseres in haar jonge jaren ook last had van een dissociatieve stoornis, veroorzaakt door forse trauma’s in het verleden naast een gedesorganiseerde hechting en dat sprake was van agressieve uitbarstingen naar zichzelf en anderen. Rond haar 18e jaar had eiseres iets meer grip op zichzelf, waardoor de uitbarstingen veel minder op de voorgrond stonden en er zelfs plannen werden gemaakt voor de toekomst. Dit is door de begeleider van [organisatie 1] op het spreekuur bevestigd en blijkt uit de informatie van [organisatie 1] van 1 oktober 2014. Er is derhalve terecht geconcludeerd dat eiseres op haar 18e jaar mogelijkheden tot participatie had. Daarna zijn de dissociaties en bijbehorende agressiviteit verergerd waardoor eiseres met een rechterlijke machtiging intensieve begeleiding is gaan ontvangen op een gesloten afdeling. De verzekeringsarts b&b stelt de datum van verergering van de klachten en het ziektebeeld vast op de datum van de rechterlijke machtiging, 26 maart 2018. Op dat moment was eiseres vanwege haar opname met zeer intensieve behandeling (gericht op de-escaleren van spanning, agressie en dissociaties) niet in staat om op structurele basis vier uur per dag te werken. Eén uur aaneengesloten werken leek wel mogelijk, afhankelijk van het soort werk en de begeleiding. Er zijn volgens de verzekeringsarts b&b ook twijfels over de werknemersvaardigheden, gelet op de uitbarstingen van eiseres bij soms lichte stress. De verzekeringsarts b&b concludeert dat er vanaf 26 maart 2018 geen sprake is van arbeidsvermogen.
Volgens de verzekeringsarts b&b is echter verbetering niet uitgesloten en is het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam. Alhoewel eiseres, blijkens het rapport van [organisatie 3] uit 2024, nog steeds veel en intensieve begeleiding behoeft ter voorkoming van dissociaties of suïcidale gedachten, doorloopt zij een programma met een begeleider die aangeeft dat er in de toekomst mogelijk sprake zal zijn van afbouw van de begeleiding. Wanneer eiseres genoeg veiligheid haalt uit haar dagprogramma kan de begeleider komend jaar steeds meer afstand inbouwen. De verzekeringsarts b&b stelt dat eiseres altijd intensieve begeleiding nodig zal hebben, maar dat zij daarmee wel in staat zal zijn om weer taken op te pakken zonder snel te dissociëren of agressief te worden, zeker als zij steeds volwassener wordt. Eiseres heeft immers rond haar 18e jaar enkele jaren redelijk goed (uiteraard met beperkingen) kunnen functioneren. Ook in de beoordeling van verzekeringsarts [persoon 2] van 8 november 2018 heeft de begeleider van eiseres aangegeven dat het beter ging onder de strakke supervisie van een gesloten inrichting. Met andere woorden, er wordt gewerkt aan een sterkere egofunctie, waardoor eiseres zichzelf meer in de hand zal kunnen houden en er minder behoefte zal zijn aan zeer intensieve begeleiding, alleen nog intensieve begeleiding. Ook zal eiseres leren minder sterk op stressmomenten te reageren. Zo zal zij mogelijk wel in staat zijn begeleid maximaal vier uur per dag een taak uit te voeren en dus ook één uur aaneengesloten en de werknemersvaardigheden met hulp van een begeleider zullen aanvaardbaar zijn.
5.2.
Conform vaste rechtspraak van de CRvB betreft de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het UWV stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het UWV niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het UWV moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de WIA kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn.
Het UWV hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van eiseres zich kunnen ontwikkelen en dat niet uitgesloten is dat daardoor arbeidsvermogen kan ontstaan. De rechtbank betrekt hierbij de informatie van de begeleider van [organisatie 2] van 24 maart 2021 en van [persoon 7] van 24 maart 2021.
De begeleider van eiseres heeft vermeld dat door de dissociatieve stoornis denken, voelen en handelen worden losgekoppeld. Hierdoor lukt het eiseres vaak niet om taken uit te voeren. Begeleiding is continu aan het reguleren; er zijn vaste begeleiders bij zowel wonen als dagbesteding. Eiseres kan niet alleen gelaten worden omdat ze niet zelf kan reguleren en daardoor snel kan wisselen in stemming en gedrag. Het komt dan ook regelmatig voor dat eiseres gevaarlijk gedrag vertoont voor zichzelf en anderen (fysieke agressie). Gedragscodes en regels kan eiseres daarom dan ook niet hanteren, al begrijpt zij deze regels wel. Vanuit het ontwikkelingsniveau en de aanwezige gedragsstoornis is het volgens de begeleider onwaarschijnlijk dat eiseres leert met de dissociatieve stoornis om te gaan. Bij de dagbesteding is stevige sturing nodig, soms is sprake van escalaties. Eiseres heeft continu aansturing nodig in de dynamiek met anderen.
[persoon 7] concludeert dat eiseres nauwelijks tot groei is gekomen met name in sociaal en emotionele ontwikkeling. Eiseres heeft moeite met het aangeven en hanteren van persoonlijke grenzen en reageert inadequaat in de interpersoonlijke sociale relaties. Het ontbreekt eiseres aan mogelijkheden om haar gevoelens te kunnen reguleren en hanteren en heeft moeite om haar gevoelens te differentiëren en onderkennen. Zij is niet in staat om spanning te reguleren zonder nabijheid van de vertrouwde begeleiding en moet hand in hand door de dag geleid worden. Dit past bij de in het verleden gestelde hechtingsproblemen. Daarnaast is te zien dat spanning plots kan toenemen. Erg vaak kan dit leiden tot dissociatie, die soms uren kan aanhouden. Dit beeld pas bij een PTSS met dissociatieve symptomen. Gelet op de verstandelijke beperking in combinatie met de hechtingsproblematiek, de PTSS en lage emotionele belastbaarheid is behandeling beperkt mogelijk. In de afgelopen jaren is succesvol gewerkt aan stabilisatie. Hierdoor komen dissociaties minder voor. De belastbaarheid is desondanks laag. Eiseres overvraagt zichzelf, heeft onvoldoende zicht op haar beperkingen en wil meer dan zij in de praktijk aankan. De huidige ondersteuning bestaat uit continue begeleiding in de buurt en de dagbesteding uit belevingsgerichte activiteiten (kinds-lage emotionele ontwikkeling). Pogingen tot snuffelstages zijn niet gelukt omdat hierdoor al snel te veel druk op eiseres gelegd wordt.
Conclusie
6.1.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het bestreden besluit geen standhoudt. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.
6.2.
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 3 maart 2022 te herroepen en bepaalt dat eiseres met ingang van
26 maart 2018 recht heeft op een Wajonguitkering.
6.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.374,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 624,- en
wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,‑ en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 december 2022;
- herroept het primaire besluit van 3 maart 2022 en bepaalt dat eiseres met ingang van
26 maart 2018 recht heeft op een Wajonguitkering;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het college op het griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.374,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 26 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel 1a:1
1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
4. Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordeling
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 1a
1. Betrokkene heeft geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:
a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
2. Een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.
Beoordeling
Volgens het Beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.
Stap 1 – voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld. Als het antwoord bevestigend is ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 – voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 – voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij tenminste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.
bijvoorbeeld de uitspraak van 17 oktober 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1946)
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4914 WAJONG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres,
(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Reitsma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering om terug te komen van de besluiten van 12 maart 2015 en 11 december 2018. Met deze besluiten is aan eiseres een Wajonguitkering geweigerd.
1.2.
Het UWV heeft met het primaire besluit van 3 maart 2022 geweigerd om terug te komen op deze besluiten. Met het bestreden besluit van 16 september 2022 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij die weigering gebleven.
1.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, gedragsdeskundige/ psycholoog
[persoon 1] en de gemachtigde van het UWV.
Op de zitting is het onderzoek geschorst om een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) nader onderzoek te laten verrichten.
1.5.
De verzekeringsarts b&b heeft op 19 februari 2024 gerapporteerd. Eiseres heeft op deze rapportage gereageerd. Daarna hebben een verzekeringsarts b&b en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) nader gerapporteerd.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek op 21 november 2024 gesloten nadat partijen is gevraagd of een nadere zitting gewenst is en het UWV heeft laten weten dat een nadere zitting niet nodig is. Eiseres heeft niet gereageerd.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiseres, geboren op [geboortedag] 1997, functioneert op laag begaafd niveau,
TIQ = 66-80, waarbij er kenmerken zijn van hechtingsproblematiek, een vertraagde sociaal-emotionele ontwikkeling, een zwakke ego-ontwikkeling en een gebrek aan passende coping, zelfinzicht- en reflectiemogelijkheden. Eiseres woonde sinds april 2014 in een woonvorm van [organisatie 1] in [plaats 2] . Sinds 2018 woont eiseres, met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz-7 indicatie plus meerzorg), op een woongroep van [organisatie 2] in [plaats 1] .
2.2.
Op 11 december 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een Wajonguitkering.
Met het besluit van 12 maart 2015 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen omdat eiseres kan werken. Aan dit besluit liggen de rapportage en conclusies van verzekeringsarts [persoon 2] van 9 maart 2015 en van arbeidsdeskundige [persoon 3] van 11 maart 2015 ten grondslag.
2.3.
Op 13 juli 2018 heeft eiseres een Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend.
Met het besluit van 11 december 2018 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen omdat eiseres arbeidsvermogen heeft. Aan dit besluit liggen de rapportages en conclusies van verzekeringsarts [persoon 2] van 8 november 2018 en van arbeidsdeskundige [persoon 4] van 10 december 2018 ten grondslag.
2.4.
Op 5 oktober 2020 heeft eiseres weer een Aanvraag beoordeling arbeidsvermogen gedaan.
Met het besluit van 11 januari 2021 heeft het UWV deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen op de besluiten van 12 maart 2015 en 11 december 2018 en dat verzoek afgewezen omdat eiseres geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd. Het UWV heeft dit besluit gebaseerd op de conclusies van arts [persoon 5] van 11 januari 2021.
Eiseres heeft tegen het besluit van 11 januari 2021 bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dit bezwaar met het besluit van 2 augustus 2021 ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op de conclusies van verzekeringsarts [persoon 6] van 22 juli 2021.
[persoon 6] concludeerde dat sprake is van toegenomen beperkingen (door PTSS met dissociatieve symptomen) maar dat die niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als die op de 18e verjaardag (licht verstandelijke beperking en een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emoties in gedrag).
Eiseres heeft tegen het besluit van 2 augustus 2021 beroep ingesteld. De rechtbank heeft dat beroep op 3 december 2021 niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn.
2.5.
Met de brief van 4 januari 2022 heeft eiseres verzocht om herziening van de eerdere besluiten waarbij een Wajonguitkering is geweigerd (het herzieningsverzoek).
2.6.
Met het primaire besluit van 3 maart 2022 heeft het UWV dit verzoek afgewezen, omdat eiseres geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd. Het UWV blijft bij zijn besluiten van 12 maart 2015 en 11 december 2018.
2.7.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.8.
Met het bestreden besluit van 16 september 2022 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.
Beroep
3.1.
Eiseres erkent dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn bij het herzieningsverzoek. De besluiten tot weigering van een Wajonguitkering zijn echter onmiskenbaar onjuist omdat helder is dat eiseres nooit kon en kan deelnemen aan het arbeidsproces. De weigering die besluiten te herzien is daarom evident onredelijk.
3.2.
Eiseres heeft een zeer traumatische jeugd gehad waarin PTSS, dissociaties, agressief gedrag en automutilaties zijn ontstaan. Vanaf de eerste aanvraag heeft eiseres een sociaal emotionele ontwikkeling gelijk aan de leeftijd van 6-18 maanden. Eiseres is met zwakbegaafdheid (op de grens van lichte zwakzinnigheid) geboren en de psychiatrische problematiek is in haar vroege jeugd ontstaan. Vanwege haar lage sociaal emotionele ontwikkeling en ernstige gedragsproblematiek met aanvallen van dissociatie en agressiviteit, is eiseres niet tot samenwerken in staat noch tot het verrichten van enige arbeid.
3.3.
Volgens eiseres was er op haar 18e verjaardag al sprake van dissociëren. Zij verwijst naar het evaluatiebehandelplan van 28 december 2011. Daarin wordt het bestaan van een dissociatieve stoornis benoemd. Eiseres was toen 14 jaar. Zij lijdt al vanaf haar jeugd aan die stoornis. Het is dan ook niet juist dat er sprake is van beperkingen uit een andere ziekteoorzaak.
3.4.
Eiseres stelt dat het arbeidsvermogen ontbreekt en dat dat duurzaam is. Gezien de bestaande problematiek zijn er nauwelijks ontwikkelingsmogelijkheden. Zij wijst daarbij op informatie van [persoon 7] van 3 april 2024.
Beoordeling
5.1.
De verzekeringsarts b&b (Vegt) heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank over de beperkingen van eiseres in de vijf jaar na haar 18e verjaardag (zogenaamde Amberperiode van 3 april 2015 tot 4 april 2020), op 19 februari 2024 nader gerapporteerd.
De verzekeringsarts b&b concludeert, na nadere bestudering van het dossier, dat eiseres in haar jonge jaren ook last had van een dissociatieve stoornis, veroorzaakt door forse trauma’s in het verleden naast een gedesorganiseerde hechting en dat sprake was van agressieve uitbarstingen naar zichzelf en anderen. Rond haar 18e jaar had eiseres iets meer grip op zichzelf, waardoor de uitbarstingen veel minder op de voorgrond stonden en er zelfs plannen werden gemaakt voor de toekomst. Dit is door de begeleider van [organisatie 1] op het spreekuur bevestigd en blijkt uit de informatie van [organisatie 1] van 1 oktober 2014. Er is derhalve terecht geconcludeerd dat eiseres op haar 18e jaar mogelijkheden tot participatie had. Daarna zijn de dissociaties en bijbehorende agressiviteit verergerd waardoor eiseres met een rechterlijke machtiging intensieve begeleiding is gaan ontvangen op een gesloten afdeling. De verzekeringsarts b&b stelt de datum van verergering van de klachten en het ziektebeeld vast op de datum van de rechterlijke machtiging, 26 maart 2018. Op dat moment was eiseres vanwege haar opname met zeer intensieve behandeling (gericht op de-escaleren van spanning, agressie en dissociaties) niet in staat om op structurele basis vier uur per dag te werken. Eén uur aaneengesloten werken leek wel mogelijk, afhankelijk van het soort werk en de begeleiding. Er zijn volgens de verzekeringsarts b&b ook twijfels over de werknemersvaardigheden, gelet op de uitbarstingen van eiseres bij soms lichte stress. De verzekeringsarts b&b concludeert dat er vanaf 26 maart 2018 geen sprake is van arbeidsvermogen.
Volgens de verzekeringsarts b&b is echter verbetering niet uitgesloten en is het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam. Alhoewel eiseres, blijkens het rapport van [organisatie 3] uit 2024, nog steeds veel en intensieve begeleiding behoeft ter voorkoming van dissociaties of suïcidale gedachten, doorloopt zij een programma met een begeleider die aangeeft dat er in de toekomst mogelijk sprake zal zijn van afbouw van de begeleiding. Wanneer eiseres genoeg veiligheid haalt uit haar dagprogramma kan de begeleider komend jaar steeds meer afstand inbouwen. De verzekeringsarts b&b stelt dat eiseres altijd intensieve begeleiding nodig zal hebben, maar dat zij daarmee wel in staat zal zijn om weer taken op te pakken zonder snel te dissociëren of agressief te worden, zeker als zij steeds volwassener wordt. Eiseres heeft immers rond haar 18e jaar enkele jaren redelijk goed (uiteraard met beperkingen) kunnen functioneren. Ook in de beoordeling van verzekeringsarts [persoon 2] van 8 november 2018 heeft de begeleider van eiseres aangegeven dat het beter ging onder de strakke supervisie van een gesloten inrichting. Met andere woorden, er wordt gewerkt aan een sterkere egofunctie, waardoor eiseres zichzelf meer in de hand zal kunnen houden en er minder behoefte zal zijn aan zeer intensieve begeleiding, alleen nog intensieve begeleiding. Ook zal eiseres leren minder sterk op stressmomenten te reageren. Zo zal zij mogelijk wel in staat zijn begeleid maximaal vier uur per dag een taak uit te voeren en dus ook één uur aaneengesloten en de werknemersvaardigheden met hulp van een begeleider zullen aanvaardbaar zijn.
5.2.
Conform vaste rechtspraak van de CRvB betreft de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het UWV stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het UWV niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het UWV moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de WIA kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn.
Het UWV hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van eiseres zich kunnen ontwikkelen en dat niet uitgesloten is dat daardoor arbeidsvermogen kan ontstaan. De rechtbank betrekt hierbij de informatie van de begeleider van [organisatie 2] van 24 maart 2021 en van [persoon 7] van 24 maart 2021.
De begeleider van eiseres heeft vermeld dat door de dissociatieve stoornis denken, voelen en handelen worden losgekoppeld. Hierdoor lukt het eiseres vaak niet om taken uit te voeren. Begeleiding is continu aan het reguleren; er zijn vaste begeleiders bij zowel wonen als dagbesteding. Eiseres kan niet alleen gelaten worden omdat ze niet zelf kan reguleren en daardoor snel kan wisselen in stemming en gedrag. Het komt dan ook regelmatig voor dat eiseres gevaarlijk gedrag vertoont voor zichzelf en anderen (fysieke agressie). Gedragscodes en regels kan eiseres daarom dan ook niet hanteren, al begrijpt zij deze regels wel. Vanuit het ontwikkelingsniveau en de aanwezige gedragsstoornis is het volgens de begeleider onwaarschijnlijk dat eiseres leert met de dissociatieve stoornis om te gaan. Bij de dagbesteding is stevige sturing nodig, soms is sprake van escalaties. Eiseres heeft continu aansturing nodig in de dynamiek met anderen.
[persoon 7] concludeert dat eiseres nauwelijks tot groei is gekomen met name in sociaal en emotionele ontwikkeling. Eiseres heeft moeite met het aangeven en hanteren van persoonlijke grenzen en reageert inadequaat in de interpersoonlijke sociale relaties. Het ontbreekt eiseres aan mogelijkheden om haar gevoelens te kunnen reguleren en hanteren en heeft moeite om haar gevoelens te differentiëren en onderkennen. Zij is niet in staat om spanning te reguleren zonder nabijheid van de vertrouwde begeleiding en moet hand in hand door de dag geleid worden. Dit past bij de in het verleden gestelde hechtingsproblemen. Daarnaast is te zien dat spanning plots kan toenemen. Erg vaak kan dit leiden tot dissociatie, die soms uren kan aanhouden. Dit beeld pas bij een PTSS met dissociatieve symptomen. Gelet op de verstandelijke beperking in combinatie met de hechtingsproblematiek, de PTSS en lage emotionele belastbaarheid is behandeling beperkt mogelijk. In de afgelopen jaren is succesvol gewerkt aan stabilisatie. Hierdoor komen dissociaties minder voor. De belastbaarheid is desondanks laag. Eiseres overvraagt zichzelf, heeft onvoldoende zicht op haar beperkingen en wil meer dan zij in de praktijk aankan. De huidige ondersteuning bestaat uit continue begeleiding in de buurt en de dagbesteding uit belevingsgerichte activiteiten (kinds-lage emotionele ontwikkeling). Pogingen tot snuffelstages zijn niet gelukt omdat hierdoor al snel te veel druk op eiseres gelegd wordt.
Conclusie
6.1.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het bestreden besluit geen standhoudt. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.
6.2.
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 3 maart 2022 te herroepen en bepaalt dat eiseres met ingang van
26 maart 2018 recht heeft op een Wajonguitkering.
6.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.374,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 624,- en
wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,‑ en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 december 2022;
- herroept het primaire besluit van 3 maart 2022 en bepaalt dat eiseres met ingang van
26 maart 2018 recht heeft op een Wajonguitkering;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het college op het griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.374,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 26 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel 1a:1
1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
4. Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordeling
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 1a
1. Betrokkene heeft geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:
a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
2. Een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen.
Beoordeling
Volgens het Beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.
Stap 1 – voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld. Als het antwoord bevestigend is ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 – voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 – voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij tenminste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.
bijvoorbeeld de uitspraak van 17 oktober 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1946)