Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-21
ECLI:NL:RBZWB:2024:9609
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
18,230 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/409293 / HA ZA 23-253
Vonnis van 21 februari 2024
in de zaak van
[persoon]
,
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M.J.A. Weda te Haarlem,
tegen
1. de vennootschap onder firma
[V.O.F.] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vennoot 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
3. [vennoot 2],
wonende te [plaats 2] ,
4. [vennoot 3],
wonende te [plaats 2] ,
5. [vennoot 4],
wonende te [plaats 2] ,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V.]
,
gevestigd te [plaats 3] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. A.M.C.C. Verblackt te Breda.
Partijen zullen hierna [persoon] , [V.O.F. en vennoten] en [B.V.] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 13 september 2023 met de daarin genoemde stukken;
de door [persoon] bij brief van 21 december 2023 ingezonden producties 15-17;
de spreekaantekeningen van partijen (voor zover deze zijn voorgedragen);
de mondelinge behandeling van 10 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[persoon] is (onder andere) eigenaar geweest van de volgende percelen aan de [adres] in [plaats 1] :
- [perceel 1] ( [perceel 1] );
- [perceel 2] ( [perceel 2] ) en [perceel 3] (perceel [perceel 3] );
- [perceel 4] .
2.2.
[persoon] heeft deze percelen op 6 december 2018 verkocht aan de provincie Noord-Brabant (hierna: de provincie). Afgesproken is dat levering uiterlijk op 15 mei 2020 plaatsvindt. In de koopovereenkomst staat onder meer:
“6.1 De feitelijke levering van de onroerende zaak zal (…) plaatsvinden (…) in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt. De verkoper verplicht zich voor de onroerende zaak zorg te dragen als een zorgvuldig schuldenaar tot aan het tijdstip van feitelijke levering (…)”
2.3.
[persoon] heeft met de provincie op dezelfde datum ook een gebruiksovereenkomst gesloten voor het voortgezet gebruik van de percelen tot uiterlijk 15 mei 2020. Hierin staat onder meer:
“4.1 Gebruiker verklaart de onroerende zaak te aanvaarden in de staat en hoedanigheid waarin het zich ten tijde van de ingebruikgeving bevindt. (…)
4.3
Het is gebruiker niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de provincie veranderingen aan de onroerende zaak aan te brengen. (…)”
2.4.
Als waarborg voor een tijdige en correcte oplevering van de percelen hebben [persoon] en de provincie afgesproken dat een bedrag van € 173.847,70 en een bedrag van € 125.000 op de kwaliteitsrekening van de notaris worden gestort. Deze bedragen worden hierna gezamenlijk ‘het depotbedrag’ genoemd.
2.5.
[B.V.] exploiteert een bedrijf dat gespecialiseerd is in koel- en vriesopslag, verwerking van groenten en het verpakken van diepvriesgroenten. [B.V.] verwerkt groenten die rechtstreeks van de akker komen, onder meer door deze te wassen en te koken. Het water dat hierbij wordt gebruikt, wordt door [B.V.] daarna zelf gezuiverd in een eigen zuivering. Bij dit waterzuiveringsproces blijven organische deeltjes achter, die in een bassin bezinken. Het bezinksel wordt zuiveringsslib genoemd.
2.6.
[B.V.] heeft omstreeks 6 tot 9 mei 2020 haar bassin laten leeghalen door [bedrijf 1] .
2.7.
Gedaagden 2 tot en met 5 zijn vennoten van [V.O.F.] . [V.O.F. en vennoten] exploiteert een grondverzetbedrijf en heeft in opdracht van [B.V.] de door [bedrijf 1] uit het bassin van [B.V.] verwijderde substantie afgevoerd.
2.8.
[V.O.F. en vennoten] heeft omstreeks 6 tot 9 mei 2020 een substantie op de percelen van [persoon] opgebracht en de percelen vervolgens geploegd of gecultiveerd.
2.9.
Op 8 mei 2020 heeft de afdeling pachtbeheer van de provincie meldingen ontvangen van buurtbewoners van [persoon] over mogelijke mesttransporten naar de percelen [perceel 1] , [perceel 2] en [perceel 3] . Naar aanleiding hiervan heeft de provincie contact opgenomen met [persoon] . [persoon] heeft gezegd dat het niet ging om mest, maar om compost.
2.10.
Op 12 mei 2020 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna: de Omgevingsdienst) de percelen bezocht. De Omgevingsdienst schrijft hierover in een bezoekverslag het volgende:
“Ter plaatse wordt geconstateerd dat er de plaatselijke bodem tot grotere diepte is bewerkt en los/rul is. Te voet zakt men diep in de bodem en de bodem is erg “verend”, e.e.a. duidt op een diepe grondbewerking. Tevens wordt een grijze, vettige grond of steekvast slib geconstateerd welke qua kleur en textuur zeer duidelijk afwijkend is dan de locatie-eigen bodem. Op basis van aangeleverde foto’s en beschreven eigen waarnemingen wordt het opgebrachte materiaal beoordeeld als grond. Ter nadere onderbouwing van deze beoordeling en indicatie van de milieuhygiënische kwaliteit is een indicatief monster genomen van het aangevoerde materiaal met de afwijkende kleur en textuur. (…)
Op 13 mei 2020 heeft de OMWB een analysecertificaat van zuiveringsslib ontvangen van [B.V.] BV (…)
Analyseresultaten controlemonster OMWB
(…)
Uit de zeefkromme blijkt dat het bemonsterde materiaal
geen compost
betreft maar matig humeus, matig siltig zand (…), oftewel grond.
De analyseresultaten van het door toezichthouder (…) indicatief genomen materiaalmonster vertoond geen enkele gelijkenis met de door [B.V.] BV aangeleverde analyse. (…)
Voorlopige conclusies:
(…)
Op basis van genoemde analyseresultaten mag het materiaal niet als grond worden toegepast op genoemde percelen omdat de milieuhygienische kwaliteit onvoldoende lijkt.”
2.11.
Op 14 mei 2020 heeft [persoon] een e-mail aan [V.O.F.] gestuurd waarin hij zijn ongenoegen uit over de ontstane situatie en waarin hij schrijft dat hij genoodzaakt zal zijn de gemaakte kosten op [V.O.F.] te verhalen.
2.12.
In een brief van 2 juni 2020 schrijft de provincie aan [persoon] dat hij heeft gehandeld in strijd met (onder meer) de voorwaarden van de koop- en gebruiksovereenkomst, hiervoor genoemd in nr. 2.2 en 2.3. De provincie stelt [persoon] in gebreke en geeft hem een termijn van 8 dagen om de percelen alsnog feitelijk in de juiste staat te leveren.
2.13.
Advocaat mr. J. van den Brink heeft op 9 juni 2020 naar [B.V.] per e-mail een brief gestuurd waarin onder meer het volgende staat:
“Vorige week hebben we gesprekken gevoerd over de kwestie met de Provincie Brabant en de Omgevingsdienst (…) (OMWB), over de percelen (…) van de heer [persoon] . Graag zal ik u hierin bijstaan.
Voor alle duidelijkheid: ik beschouw u als mijn cliënt en in uw opdracht zal ik de heer [persoon] vertegenwoordigen richting de Provincie en de OMWB, omdat hij de aangeschreven partij is. (…)”
2.14.
In een brief van 23 juni 2020 schrijft de provincie aan [persoon] dat hij niet heeft voldaan aan de ingebrekestelling van 2 juni 2020. Het depotbedrag houdt de provincie onder zich om daaruit kosten van herstel of schade te bekostigen.
2.15.
Op 15 juli 2020 heeft de Omgevingsdienst een rapport van een verkennend bodemonderzoek ‘Ophooglaag Capelle [perceel 1] en Waalwijk [perceel 2] en [perceel 3] ’ uitgebracht. De conclusies van dit onderzoek zijn onder meer:
“In de analysemonsters, samengesteld door het verzamelen van puur ‘grijs materiaal’ vanaf het maaiveld, zijn zowel op perceel [perceel 1] (MMABC) als op perceel [perceel 2] en [perceel 3] (MMD), analytisch naast verhoogde gehalten aan zware metalen, substantiële gehalten aan minerale olie aangetroffen. Bij indicatieve toetsing aan de Regeling Bodemkwaliteit blijkt dit materiaal ‘Niet toepasbaar’ op basis van minerale olie.”
2.16.
In een besluit van 18 november 2020 heeft de gemeente Waalwijk aan [persoon] een last onder dwangsom opgelegd voor de verwijdering van de verontreinigingen op de percelen [perceel 1] , [perceel 2] en [perceel 3] .
2.17.
Op 10 december 2020 heeft [persoon] per e-mail aan [V.O.F.] geschreven dat hij [V.O.F.] aansprakelijk houdt voor de schade als gevolg van de werkzaamheden in mei 2020.
2.18.
Mr. Van den Brink heeft tegen het besluit van de gemeente Waalwijk van 18 november 2020 namens [persoon] bezwaar gemaakt.
Conclusie
(…)
Gezien deze situatie kan worden gesteld dat de grondmonsters die in 2020 zijn onderzocht niet representatief zijn geweest voor de thans gesaneerde bodem. De huidige kwaliteit van de gronddepots wijkt, in positieve zin, namelijk sterk af van de in 2020 onderzochte monsters. Na uitvoering van de sanering kan derhalve worden geconcludeerd dat de kwaliteit van de depots de uitgevoerde sanering niet rechtvaardigen.
(…) Gezien dit antwoord kan, op basis van de kwaliteit, tevens worden geconcludeerd dat de uitgevoerde sanering niet noodzakelijk is geweest.”
2.22.
Op 8 juli 2022 heeft mr. Van den Brink namens [persoon] bij de ABRvS een herzieningsverzoek ingediend voor de uitspraak van 17 november 2021. Dit op grond van de memo van [bedrijf 2] , dat als bijlage bij het herzieningsverzoek is gevoegd.
2.23.
Op 20 oktober 2022 heeft [V.O.F. en vennoten] aan [B.V.] in verband met werkzaamheden voor de sanering een factuur gestuurd van € 109.962,00 ex btw.
2.24.
In december 2022 heeft [persoon] een vaststellingsovereenkomst gesloten met de provincie. Beide partijen geven aan de notaris opdracht om tot uitbetaling van het depotbedrag over te gaan. Met dien verstande dat aan de provincie een bedrag van € 50.000 toekomt en onder de voorwaarde dat [persoon] de herzieningsprocedure bij de ABRvS intrekt. Aan die voorwaarde heeft [persoon] voldaan.
2.25.
Op 9 januari 2023 heeft [persoon] de percelen feitelijk geleverd aan de provincie.
2.26.
Bij brief van 27 februari 2023 heeft mr. Weda namens [persoon] [V.O.F. en vennoten] en [B.V.] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van het aanbrengen van de substantie op de percelen [perceel 3] , [perceel 3] en [perceel 1] omstreeks 6 tot 9 mei 2020.
2.27.
In een e-mail van 9 maart 2023 schrijft mr. J. van den Brink aan mr. M. Weda onder meer het volgende:
“- De procedures waarin ik [naam 1] , [B.V.] en [V.O.F.] heb bijgestaan, werden door hen drieën gezamenlijk gevoerd. Dat is ook herhaaldelijk zo uitgesproken onderling. (Dat gaf mij bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om namens [naam 1] in de bestuursrechtelijke procedure op te treden, terwijl mijn facturen door [B.V.] betaald werden.)
- Tussen de drie partijen is ook vanaf het begin als afgesproken beschouwd dat de kosten gedrieën gedeeld zouden worden. Die afspraak is herhaald toen duidelijk werd dat er niet alleen juridische en deskundigenkosten gemaakt werden, maar dat ook de sanering noodzakelijk was met de hoge kosten van dien.
- In het najaar van 2022 is tussen partijen deze afspraak opnieuw herhaald. Dit naar aanleiding van de wens van [B.V.] en [V.O.F.] om het bedrag dat [naam 1] uit het depot van de notaris zou ontvangen, via mijn derdenrekening te gebruiken om zijn aandeel in de totale kosten uit te betalen aan [B.V.] en [V.O.F.] (naar rato van wat de verschillende partijen betaald hadden). Uiteindelijk is dit op uitdrukkelijke wens van [naam 1] niet gebeurd, waarbij hij wel aangegeven heeft het benodigde bedrag aan [B.V.] en [V.O.F.] te zullen betalen. Op basis daarvan zijn zij hiermee akkoord gegaan.
Ik doe geen uitspraken voer het al dan niet aansprakelijk zijn van [B.V.] en/of [V.O.F.] , en ook niet over de juistheid van de aansprakelijkstelling van [naam 1] . Er is ook geen finale kwijting tussen partijen afgesproken.
Maar in elk geval: vóórdat aan die aansprakelijkheidsprocedure eventueel wordt toegekomen, zal [naam 1] wel zijn toezegging moeten nakomen om zijn deel uit te betalen.”
3De vordering in conventie
3.1.
[persoon] heeft zijn eis gewijzigd en vordert – kort gezegd – voor recht te verklaren dat [V.O.F. en vennoten] en [B.V.] toerekenbaar tekort zijn geschoten dan wel onrechtmatig hebben gehandeld jegens [persoon] . [persoon] vordert hen (onvoorwaardelijk) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 56.207,91. Als de vordering in reconventie wordt toegewezen (dus voorwaardelijk) vordert [persoon] bovendien hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 76.839,50. Voor de volledige tekst wordt verwezen naar de akte (voorwaardelijke) wijziging van eis in conventie.
3.2.
[persoon] legt aan die eis het volgende ten grondslag. Tussen [V.O.F. en vennoten] en [persoon] is sprake van een overeenkomst van opdracht. De overeenkomst bestond hieruit, dat [V.O.F. en vennoten] schone compost/zuiveringsslib mocht opbrengen op de percelen van [persoon] tegen betaling van een redelijke vergoeding. [V.O.F. en vennoten] heeft echter op de percelen een verontreinigde substantie opgebracht. Dit blijkt uit de stukken in de bestuursrechtelijke procedure. Hij is hierdoor toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, of heeft onrechtmatig ten opzichte van [persoon] gehandeld. Omdat sprake is van een vennootschap onder firma zijn de firmanten hoofdelijk aansprakelijk voor de hierdoor ontstane schade.
3.3.
[B.V.] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [persoon] . Zij heeft inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [persoon] door zijn percelen te vervuilen met verontreinigde grond. [B.V.] is daarom eveneens aansprakelijk voor de schade. [persoon] stelt voorts dat de ‘heren [vennoot 2 t/m 4] ’ ook in privé op grond van onrechtmatige daad moeten worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding. Zij hebben op illegale wijze vervuild materiaal aangebracht op de percelen van [persoon] en dat is een zelfstandige onrechtmatige daad.
3.4.
De schade bestaat uit het door [persoon] aan de provincie betaalde bedrag van € 50.000 vermeerderd met de negatieve rente van € 6.207,91 over het depotbedrag, conform de afrekening van de notaris.
3.5.
Als de vordering in reconventie wordt toegewezen, doet [persoon] een beroep op verrekening. Dit omdat [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] de vervuilers zijn en zij hoofdelijk moeten opdraaien voor de gemaakte kosten van juridische bijstand en van de saneringskosten ter hoogte van in totaal € 76.839,58. Dit is rechtstreekse schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming dan wel het onrechtmatig handelen zoals in de dagvaarding uiteen is gezet.
3.6.
[V.O.F. en vennoten] en [B.V.] hebben de vorderingen betwist. Hun stellingen worden behandeld bij de beoordeling van de vorderingen.
4De vordering in reconventie
4.1.
In reconventie vordert [B.V.] van [persoon] betaling van € 40.185,58 met wettelijke rente vanaf 26 juli 2023. [V.O.F. en vennoten] vordert van [persoon] betaling van € 36.654,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 juli 2023.
4.2.
Aan deze vorderingen leggen zij het volgende ten grondslag. [B.V.] , [V.O.F. en vennoten] en [persoon] zijn met elkaar twee overeenkomsten aangegaan. Zij hebben afgesproken dat [B.V.] de door mr. Van den Brink te maken kosten voor juridische bijstand zou betalen, maar dat die kosten door hen gelijkelijk zouden worden gedragen. Ieder zou éénderde deel van de totale kosten op zich nemen. Dat is de eerste overeenkomst. De totale kosten van rechtsbijstand zijn € 120.556,73. Dat volgt uit het overzicht dat [persoon] als productie 9 heeft overgelegd. Deze facturen zijn allemaal betaald door [B.V.] . [persoon] moet éénderde van deze kosten betalen. Dat is een bedrag van € 40.185,58.
4.3.
[B.V.] , [V.O.F. en vennoten] en [persoon] hebben ook afgesproken dat de saneringskosten door hen gelijkelijk zouden worden gedragen. Dat is de tweede overeenkomst. Op basis hiervan zou [V.O.F. en vennoten] de sanering uitvoeren en zijn totale kosten in rekening brengen.
Beoordeling
in reconventie
Zijn er tussen partijen afspraken gemaakt over kostendeling?
5.1.
De rechtbank zal eerst de vorderingen in reconventie beoordelen. Zoals hiervoor overwogen, liggen hieraan een tweetal afspraken ten grondslag. [persoon] betwist dat de gestelde afspraken met hem zijn gemaakt. Hij heeft geen vaststellingsovereenkomst getekend en is volgens hem nergens mee akkoord gegaan.
De rechtbank vindt de e-mail van mr. Van den Brink van 9 maart 2023 geloofwaardig en overtuigend. Deze is concreet en genuanceerd, en dat mr. Van den Brink hierin partijdig zou zijn blijkt daaruit niet. [persoon] heeft weliswaar geen vaststellingsovereenkomst getekend, maar tekenen van een schriftelijke vaststellingsovereenkomst kwam pas aan het einde van de werkzaamheden ter sprake, toen de bedragen bekend waren en er afgerekend zou moeten worden. Dat is echter niet doorslaggevend. Een overeenkomst kan ook mondeling tot stand komen. Op de zitting heeft [persoon] verklaard dat alle partijen samen met mr. Van den Brink vaak om de tafel hebben gezeten. [persoon] heeft niet betwist dat in die overleggen over kosten is gesproken. De kosten werden op een scherm getoond. Het is juist dat pas op het einde de totale kosten inzichtelijk waren. Maar een afspraak over het delen van kosten kan ook geldig worden gemaakt vóórdat duidelijk is wat de kosten exact zijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat [persoon] onder deze omstandigheden het bestaan van de afspraken onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarmee zijn de gestelde overeenkomsten komen vast te staan.
De kosten van sanering en rechtsbijstand
5.2.
[persoon] stelt dat de saneringskosten veel te hoog zijn. De saneringskosten zijn gespecificeerd in een factuur van [V.O.F. en vennoten] van 20 oktober 2022. De enkele stelling dat de kosten te hoog zijn is te algemeen. [persoon] had moeten stellen welke onderdelen van de factuur zij betwist en om welke reden. Dat is niet gebeurd. De rechtbank gaat er daarom vanuit, dat de saneringskosten € 109.962,00 zijn. Uit de vorige overweging volgt, dat [persoon] hiervan éénderde deel moet betalen. Dat is € 36.654,00 en komt overeen met het door [V.O.F. en vennoten] gevorderde bedrag.
5.3.
[persoon] erkent dat [B.V.] de kosten van rechtsbijstand van € 120.556,73 heeft betaald. Ook hiervoor geldt, dat [persoon] daarvan éénderde deel moet betalen. Dat is € 40.185,58.
5.4.
[B.V.] en [V.O.F. en vennoten] vorderen wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van de eis in reconventie. Dit is toewijsbaar.
Tussenconclusie in reconventie
5.5.
De tussenconclusie is dat de vorderingen van [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] op zich toewijsbaar zijn. Dat betekent nog niet dat ze nu worden toegewezen. [persoon] heeft een beroep gedaan op verrekening met zijn vorderingen in conventie. Of de vorderingen van [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] kunnen worden toegewezen is afhankelijk van de vraag of het beroep van [persoon] op verrekening opgaat. Dat vereist een beoordeling van zijn vorderingen in conventie.
in conventie
Het bezwaar tegen de eiswijziging van [persoon]
5.6.
[persoon] heeft zijn eis gewijzigd. [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens hen is de eiswijziging in strijd met de goede procesorde. In plaats van de aanvankelijk gevorderde verklaring voor recht worden nu concrete schadebedragen gevorderd die al bekend waren.
Volgens artikel 130 lid 1 Rv is uitgangspunt dat de eis kan worden gewijzigd zolang nog geen eindvonnis is gewezen. Dat is anders als de eiswijziging in strijd is met de goede procesorde. Die situatie doet zich hier niet voor. [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] hebben bij conclusie van antwoord zelf al opgemerkt dat de schade voor [persoon] slechts zou kunnen bestaan uit de bedragen die [persoon] nu concreet vordert. Zij zijn dus niet benadeeld in de mogelijkheid verweer te voeren. Dat geldt eveneens voor zover [persoon] een bedrag van € 76.839,58 wil verrekenen. Dit bedrag bestaat immers uit de vorderingen die [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] zelf hebben ingesteld. Daarbij komt dat [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] tot aan de mondelinge behandeling ongeveer vier maanden de tijd hebben gehad om zich op de eiswijziging voor te bereiden. Kortom: de eiswijziging is niet in strijd met de goede procesorde zodat de rechtbank deze hierbij toestaat.
Is tussen [persoon] en [V.O.F. en vennoten] een overeenkomst van opdracht of een aannemingsovereenkomst gesloten?
5.7.
[persoon] stelt dat [V.O.F. en vennoten] toerekenbaar tekort is geschoten in de met hem gesloten overeenkomst van opdracht. Die bestond hieruit, dat [V.O.F. en vennoten] schone compost mocht opbrengen op de percelen van [persoon] tegen een redelijke vergoeding. [V.O.F. en vennoten] betwist dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Er is sprake van een overeenkomst van aanneming, omdat de grond volgens afspraak met [persoon] ook is gecultiveerd.
Op de zitting heeft de advocaat van [V.O.F. en vennoten] toegelicht, dat voor het opbrengen van zuiveringsslib op zich wel betaald moet worden. Maar zuiveringsslib wordt omgeploegd en voor die werkzaamheden moet weer worden betaald. Per saldo valt er dan niets af te rekenen. [persoon] verklaart dat hij voor de het opbrengen van de substantie niets heeft ontvangen, het voordeel was voor hem nul. Die verklaring past bij de niet weersproken toelichting van de advocaat van [V.O.F. en vennoten] Bovendien blijkt uit het bezoekverslag van 12 mei 2020 van de Omgevingsdienst (zie nr. 2.10) dat de grond ter plaatse diep is bewerkt. [persoon] heeft niet gesteld dat de grond na het opbrengen van zuiveringsslib door een ander dan [V.O.F. en vennoten] nog is bewerkt. De rechtbank gaat er daarom van uit, dat het cultiveren van de grond onderdeel was van de afspraken die [persoon] met [V.O.F. en vennoten] heeft gemaakt. Daarmee is sprake van een overeenkomst van aanneming van werk.
5.8.
[vennoot 1] (hierna: [vennoot 1] ) betwist partij te zijn bij deze overeenkomst en stelt volgens haar ten onrechte te zijn gedagvaard.
De rechtbank gaat hierin niet mee. Uit het door [persoon] overgelegde uittreksel uit het handelsregister volgt dat [vennoot 1] mede vennoot is van [V.O.F.] . Naast de vof kunnen ook de afzonderlijke vennoten worden gedagvaard omdat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een schuld van de vof. [vennoot 1] is dan ook niet ten onrechte gedagvaard.
Het beroep op verjaring door [V.O.F. en vennoten]
5.9.
[V.O.F. en vennoten] heeft een beroep gedaan op verjaring van de vordering die [persoon] jegens hem heeft ingesteld. Omdat sprake is van een aannemingsovereenkomst, is de korte verjaringstermijn van twee jaar van artikel 7:761 BW van toepassing. [persoon] heeft [V.O.F. en vennoten] op 10 december 2020 geschreven dat hij hem aansprakelijk houdt voor de schade door de werkzaamheden. De eerstvolgende brief waarin [persoon] dat hij [V.O.F. en vennoten] aansprakelijk stelt, dateert van 27 februari 2023. Tussen deze twee data zijn meer dan twee jaren verstreken, zodat de vordering van [persoon] jegens [V.O.F. en vennoten] is verjaard. Dit zou betekenen dat de vordering jegens [V.O.F. en vennoten] alleen al om die reden moet worden afgewezen, aldus [V.O.F. en vennoten]
5.10.
De rechtbank hoeft niet te beoordelen of het beroep op verjaring slaagt. [persoon] heeft in zijn conclusie van antwoord in reconventie een beroep gedaan op verrekening voor zover de vordering in reconventie wordt toegewezen.
Conclusie
5.26.
De conclusie is dus als volgt. Als [persoon] slaagt in de bewijslevering, dan zal hij voor de vordering van [V.O.F. en vennoten] van € 36.654,00 een beroep kunnen doen op verrekening voor een bedrag van € 15.604,00. Dat zou ertoe leiden dat de vordering van [V.O.F. en vennoten] wordt toegewezen tot een bedrag € 21.050,00 in plaats van € 36.654,00.
De vordering van [persoon] tegen [B.V.] zal worden afgewezen, zodat [persoon] zich ten opzichte van [B.V.] niet kan beroepen op verrekening. De vordering van [B.V.] van € 40.185,58 zal bij eindvonnis worden toegewezen.
5.27.
Wat betreft het voorwaardelijke beroep van [persoon] op verrekening van een bedrag van € 76.839,58 met de vorderingen in reconventie kan de rechtbank kort zijn. [persoon] stelt dat [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] die kosten als vervuilers voor hun rekening moeten nemen, maar dit staat haaks op de beoordeling in reconventie. Zijn deel van hetgeen is overeengekomen zal [persoon] moeten betalen. Met dien verstande dat [persoon] de schade die hij lijdt kan verrekenen zoals in de vorige overweging staat, als hij slaagt in de bewijslevering.
Voor nu: verwijzing naar de rol voor akte
5.28.
Zoals al hiervoor (nr. 5.13) opgemerkt, zal de zaak worden verwezen naar de rol voor akte uitlating bewijslevering door [persoon] .
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 20 maart 2024 voor akte uitlating bewijslevering aan de zijde van [persoon] als bedoeld in overweging 5.13;
in conventie en in reconventie
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2024.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/409293 / HA ZA 23-253
Vonnis van 21 februari 2024
in de zaak van
[persoon]
,
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M.J.A. Weda te Haarlem,
tegen
1. de vennootschap onder firma
[V.O.F.] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vennoot 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
3. [vennoot 2],
wonende te [plaats 2] ,
4. [vennoot 3],
wonende te [plaats 2] ,
5. [vennoot 4],
wonende te [plaats 2] ,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V.]
,
gevestigd te [plaats 3] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. A.M.C.C. Verblackt te Breda.
Partijen zullen hierna [persoon] , [V.O.F. en vennoten] en [B.V.] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 13 september 2023 met de daarin genoemde stukken;
de door [persoon] bij brief van 21 december 2023 ingezonden producties 15-17;
de spreekaantekeningen van partijen (voor zover deze zijn voorgedragen);
de mondelinge behandeling van 10 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[persoon] is (onder andere) eigenaar geweest van de volgende percelen aan de [adres] in [plaats 1] :
- [perceel 1] ( [perceel 1] );
- [perceel 2] ( [perceel 2] ) en [perceel 3] (perceel [perceel 3] );
- [perceel 4] .
2.2.
[persoon] heeft deze percelen op 6 december 2018 verkocht aan de provincie Noord-Brabant (hierna: de provincie). Afgesproken is dat levering uiterlijk op 15 mei 2020 plaatsvindt. In de koopovereenkomst staat onder meer:
“6.1 De feitelijke levering van de onroerende zaak zal (…) plaatsvinden (…) in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt. De verkoper verplicht zich voor de onroerende zaak zorg te dragen als een zorgvuldig schuldenaar tot aan het tijdstip van feitelijke levering (…)”
2.3.
[persoon] heeft met de provincie op dezelfde datum ook een gebruiksovereenkomst gesloten voor het voortgezet gebruik van de percelen tot uiterlijk 15 mei 2020. Hierin staat onder meer:
“4.1 Gebruiker verklaart de onroerende zaak te aanvaarden in de staat en hoedanigheid waarin het zich ten tijde van de ingebruikgeving bevindt. (…)
4.3
Het is gebruiker niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de provincie veranderingen aan de onroerende zaak aan te brengen. (…)”
2.4.
Als waarborg voor een tijdige en correcte oplevering van de percelen hebben [persoon] en de provincie afgesproken dat een bedrag van € 173.847,70 en een bedrag van € 125.000 op de kwaliteitsrekening van de notaris worden gestort. Deze bedragen worden hierna gezamenlijk ‘het depotbedrag’ genoemd.
2.5.
[B.V.] exploiteert een bedrijf dat gespecialiseerd is in koel- en vriesopslag, verwerking van groenten en het verpakken van diepvriesgroenten. [B.V.] verwerkt groenten die rechtstreeks van de akker komen, onder meer door deze te wassen en te koken. Het water dat hierbij wordt gebruikt, wordt door [B.V.] daarna zelf gezuiverd in een eigen zuivering. Bij dit waterzuiveringsproces blijven organische deeltjes achter, die in een bassin bezinken. Het bezinksel wordt zuiveringsslib genoemd.
2.6.
[B.V.] heeft omstreeks 6 tot 9 mei 2020 haar bassin laten leeghalen door [bedrijf 1] .
2.7.
Gedaagden 2 tot en met 5 zijn vennoten van [V.O.F.] . [V.O.F. en vennoten] exploiteert een grondverzetbedrijf en heeft in opdracht van [B.V.] de door [bedrijf 1] uit het bassin van [B.V.] verwijderde substantie afgevoerd.
2.8.
[V.O.F. en vennoten] heeft omstreeks 6 tot 9 mei 2020 een substantie op de percelen van [persoon] opgebracht en de percelen vervolgens geploegd of gecultiveerd.
2.9.
Op 8 mei 2020 heeft de afdeling pachtbeheer van de provincie meldingen ontvangen van buurtbewoners van [persoon] over mogelijke mesttransporten naar de percelen [perceel 1] , [perceel 2] en [perceel 3] . Naar aanleiding hiervan heeft de provincie contact opgenomen met [persoon] . [persoon] heeft gezegd dat het niet ging om mest, maar om compost.
2.10.
Op 12 mei 2020 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna: de Omgevingsdienst) de percelen bezocht. De Omgevingsdienst schrijft hierover in een bezoekverslag het volgende:
“Ter plaatse wordt geconstateerd dat er de plaatselijke bodem tot grotere diepte is bewerkt en los/rul is. Te voet zakt men diep in de bodem en de bodem is erg “verend”, e.e.a. duidt op een diepe grondbewerking. Tevens wordt een grijze, vettige grond of steekvast slib geconstateerd welke qua kleur en textuur zeer duidelijk afwijkend is dan de locatie-eigen bodem. Op basis van aangeleverde foto’s en beschreven eigen waarnemingen wordt het opgebrachte materiaal beoordeeld als grond. Ter nadere onderbouwing van deze beoordeling en indicatie van de milieuhygiënische kwaliteit is een indicatief monster genomen van het aangevoerde materiaal met de afwijkende kleur en textuur. (…)
Op 13 mei 2020 heeft de OMWB een analysecertificaat van zuiveringsslib ontvangen van [B.V.] BV (…)
Analyseresultaten controlemonster OMWB
(…)
Uit de zeefkromme blijkt dat het bemonsterde materiaal
geen compost
betreft maar matig humeus, matig siltig zand (…), oftewel grond.
De analyseresultaten van het door toezichthouder (…) indicatief genomen materiaalmonster vertoond geen enkele gelijkenis met de door [B.V.] BV aangeleverde analyse. (…)
Voorlopige conclusies:
(…)
Op basis van genoemde analyseresultaten mag het materiaal niet als grond worden toegepast op genoemde percelen omdat de milieuhygienische kwaliteit onvoldoende lijkt.”
2.11.
Op 14 mei 2020 heeft [persoon] een e-mail aan [V.O.F.] gestuurd waarin hij zijn ongenoegen uit over de ontstane situatie en waarin hij schrijft dat hij genoodzaakt zal zijn de gemaakte kosten op [V.O.F.] te verhalen.
2.12.
In een brief van 2 juni 2020 schrijft de provincie aan [persoon] dat hij heeft gehandeld in strijd met (onder meer) de voorwaarden van de koop- en gebruiksovereenkomst, hiervoor genoemd in nr. 2.2 en 2.3. De provincie stelt [persoon] in gebreke en geeft hem een termijn van 8 dagen om de percelen alsnog feitelijk in de juiste staat te leveren.
2.13.
Advocaat mr. J. van den Brink heeft op 9 juni 2020 naar [B.V.] per e-mail een brief gestuurd waarin onder meer het volgende staat:
“Vorige week hebben we gesprekken gevoerd over de kwestie met de Provincie Brabant en de Omgevingsdienst (…) (OMWB), over de percelen (…) van de heer [persoon] . Graag zal ik u hierin bijstaan.
Voor alle duidelijkheid: ik beschouw u als mijn cliënt en in uw opdracht zal ik de heer [persoon] vertegenwoordigen richting de Provincie en de OMWB, omdat hij de aangeschreven partij is. (…)”
2.14.
In een brief van 23 juni 2020 schrijft de provincie aan [persoon] dat hij niet heeft voldaan aan de ingebrekestelling van 2 juni 2020. Het depotbedrag houdt de provincie onder zich om daaruit kosten van herstel of schade te bekostigen.
2.15.
Op 15 juli 2020 heeft de Omgevingsdienst een rapport van een verkennend bodemonderzoek ‘Ophooglaag Capelle [perceel 1] en Waalwijk [perceel 2] en [perceel 3] ’ uitgebracht. De conclusies van dit onderzoek zijn onder meer:
“In de analysemonsters, samengesteld door het verzamelen van puur ‘grijs materiaal’ vanaf het maaiveld, zijn zowel op perceel [perceel 1] (MMABC) als op perceel [perceel 2] en [perceel 3] (MMD), analytisch naast verhoogde gehalten aan zware metalen, substantiële gehalten aan minerale olie aangetroffen. Bij indicatieve toetsing aan de Regeling Bodemkwaliteit blijkt dit materiaal ‘Niet toepasbaar’ op basis van minerale olie.”
2.16.
In een besluit van 18 november 2020 heeft de gemeente Waalwijk aan [persoon] een last onder dwangsom opgelegd voor de verwijdering van de verontreinigingen op de percelen [perceel 1] , [perceel 2] en [perceel 3] .
2.17.
Op 10 december 2020 heeft [persoon] per e-mail aan [V.O.F.] geschreven dat hij [V.O.F.] aansprakelijk houdt voor de schade als gevolg van de werkzaamheden in mei 2020.
2.18.
Mr. Van den Brink heeft tegen het besluit van de gemeente Waalwijk van 18 november 2020 namens [persoon] bezwaar gemaakt.
Conclusie
(…)
Gezien deze situatie kan worden gesteld dat de grondmonsters die in 2020 zijn onderzocht niet representatief zijn geweest voor de thans gesaneerde bodem. De huidige kwaliteit van de gronddepots wijkt, in positieve zin, namelijk sterk af van de in 2020 onderzochte monsters. Na uitvoering van de sanering kan derhalve worden geconcludeerd dat de kwaliteit van de depots de uitgevoerde sanering niet rechtvaardigen.
(…) Gezien dit antwoord kan, op basis van de kwaliteit, tevens worden geconcludeerd dat de uitgevoerde sanering niet noodzakelijk is geweest.”
2.22.
Op 8 juli 2022 heeft mr. Van den Brink namens [persoon] bij de ABRvS een herzieningsverzoek ingediend voor de uitspraak van 17 november 2021. Dit op grond van de memo van [bedrijf 2] , dat als bijlage bij het herzieningsverzoek is gevoegd.
2.23.
Op 20 oktober 2022 heeft [V.O.F. en vennoten] aan [B.V.] in verband met werkzaamheden voor de sanering een factuur gestuurd van € 109.962,00 ex btw.
2.24.
In december 2022 heeft [persoon] een vaststellingsovereenkomst gesloten met de provincie. Beide partijen geven aan de notaris opdracht om tot uitbetaling van het depotbedrag over te gaan. Met dien verstande dat aan de provincie een bedrag van € 50.000 toekomt en onder de voorwaarde dat [persoon] de herzieningsprocedure bij de ABRvS intrekt. Aan die voorwaarde heeft [persoon] voldaan.
2.25.
Op 9 januari 2023 heeft [persoon] de percelen feitelijk geleverd aan de provincie.
2.26.
Bij brief van 27 februari 2023 heeft mr. Weda namens [persoon] [V.O.F. en vennoten] en [B.V.] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van het aanbrengen van de substantie op de percelen [perceel 3] , [perceel 3] en [perceel 1] omstreeks 6 tot 9 mei 2020.
2.27.
In een e-mail van 9 maart 2023 schrijft mr. J. van den Brink aan mr. M. Weda onder meer het volgende:
“- De procedures waarin ik [naam 1] , [B.V.] en [V.O.F.] heb bijgestaan, werden door hen drieën gezamenlijk gevoerd. Dat is ook herhaaldelijk zo uitgesproken onderling. (Dat gaf mij bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om namens [naam 1] in de bestuursrechtelijke procedure op te treden, terwijl mijn facturen door [B.V.] betaald werden.)
- Tussen de drie partijen is ook vanaf het begin als afgesproken beschouwd dat de kosten gedrieën gedeeld zouden worden. Die afspraak is herhaald toen duidelijk werd dat er niet alleen juridische en deskundigenkosten gemaakt werden, maar dat ook de sanering noodzakelijk was met de hoge kosten van dien.
- In het najaar van 2022 is tussen partijen deze afspraak opnieuw herhaald. Dit naar aanleiding van de wens van [B.V.] en [V.O.F.] om het bedrag dat [naam 1] uit het depot van de notaris zou ontvangen, via mijn derdenrekening te gebruiken om zijn aandeel in de totale kosten uit te betalen aan [B.V.] en [V.O.F.] (naar rato van wat de verschillende partijen betaald hadden). Uiteindelijk is dit op uitdrukkelijke wens van [naam 1] niet gebeurd, waarbij hij wel aangegeven heeft het benodigde bedrag aan [B.V.] en [V.O.F.] te zullen betalen. Op basis daarvan zijn zij hiermee akkoord gegaan.
Ik doe geen uitspraken voer het al dan niet aansprakelijk zijn van [B.V.] en/of [V.O.F.] , en ook niet over de juistheid van de aansprakelijkstelling van [naam 1] . Er is ook geen finale kwijting tussen partijen afgesproken.
Maar in elk geval: vóórdat aan die aansprakelijkheidsprocedure eventueel wordt toegekomen, zal [naam 1] wel zijn toezegging moeten nakomen om zijn deel uit te betalen.”
3De vordering in conventie
3.1.
[persoon] heeft zijn eis gewijzigd en vordert – kort gezegd – voor recht te verklaren dat [V.O.F. en vennoten] en [B.V.] toerekenbaar tekort zijn geschoten dan wel onrechtmatig hebben gehandeld jegens [persoon] . [persoon] vordert hen (onvoorwaardelijk) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 56.207,91. Als de vordering in reconventie wordt toegewezen (dus voorwaardelijk) vordert [persoon] bovendien hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 76.839,50. Voor de volledige tekst wordt verwezen naar de akte (voorwaardelijke) wijziging van eis in conventie.
3.2.
[persoon] legt aan die eis het volgende ten grondslag. Tussen [V.O.F. en vennoten] en [persoon] is sprake van een overeenkomst van opdracht. De overeenkomst bestond hieruit, dat [V.O.F. en vennoten] schone compost/zuiveringsslib mocht opbrengen op de percelen van [persoon] tegen betaling van een redelijke vergoeding. [V.O.F. en vennoten] heeft echter op de percelen een verontreinigde substantie opgebracht. Dit blijkt uit de stukken in de bestuursrechtelijke procedure. Hij is hierdoor toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, of heeft onrechtmatig ten opzichte van [persoon] gehandeld. Omdat sprake is van een vennootschap onder firma zijn de firmanten hoofdelijk aansprakelijk voor de hierdoor ontstane schade.
3.3.
[B.V.] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [persoon] . Zij heeft inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [persoon] door zijn percelen te vervuilen met verontreinigde grond. [B.V.] is daarom eveneens aansprakelijk voor de schade. [persoon] stelt voorts dat de ‘heren [vennoot 2 t/m 4] ’ ook in privé op grond van onrechtmatige daad moeten worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding. Zij hebben op illegale wijze vervuild materiaal aangebracht op de percelen van [persoon] en dat is een zelfstandige onrechtmatige daad.
3.4.
De schade bestaat uit het door [persoon] aan de provincie betaalde bedrag van € 50.000 vermeerderd met de negatieve rente van € 6.207,91 over het depotbedrag, conform de afrekening van de notaris.
3.5.
Als de vordering in reconventie wordt toegewezen, doet [persoon] een beroep op verrekening. Dit omdat [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] de vervuilers zijn en zij hoofdelijk moeten opdraaien voor de gemaakte kosten van juridische bijstand en van de saneringskosten ter hoogte van in totaal € 76.839,58. Dit is rechtstreekse schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming dan wel het onrechtmatig handelen zoals in de dagvaarding uiteen is gezet.
3.6.
[V.O.F. en vennoten] en [B.V.] hebben de vorderingen betwist. Hun stellingen worden behandeld bij de beoordeling van de vorderingen.
4De vordering in reconventie
4.1.
In reconventie vordert [B.V.] van [persoon] betaling van € 40.185,58 met wettelijke rente vanaf 26 juli 2023. [V.O.F. en vennoten] vordert van [persoon] betaling van € 36.654,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 juli 2023.
4.2.
Aan deze vorderingen leggen zij het volgende ten grondslag. [B.V.] , [V.O.F. en vennoten] en [persoon] zijn met elkaar twee overeenkomsten aangegaan. Zij hebben afgesproken dat [B.V.] de door mr. Van den Brink te maken kosten voor juridische bijstand zou betalen, maar dat die kosten door hen gelijkelijk zouden worden gedragen. Ieder zou éénderde deel van de totale kosten op zich nemen. Dat is de eerste overeenkomst. De totale kosten van rechtsbijstand zijn € 120.556,73. Dat volgt uit het overzicht dat [persoon] als productie 9 heeft overgelegd. Deze facturen zijn allemaal betaald door [B.V.] . [persoon] moet éénderde van deze kosten betalen. Dat is een bedrag van € 40.185,58.
4.3.
[B.V.] , [V.O.F. en vennoten] en [persoon] hebben ook afgesproken dat de saneringskosten door hen gelijkelijk zouden worden gedragen. Dat is de tweede overeenkomst. Op basis hiervan zou [V.O.F. en vennoten] de sanering uitvoeren en zijn totale kosten in rekening brengen.
Beoordeling
in reconventie
Zijn er tussen partijen afspraken gemaakt over kostendeling?
5.1.
De rechtbank zal eerst de vorderingen in reconventie beoordelen. Zoals hiervoor overwogen, liggen hieraan een tweetal afspraken ten grondslag. [persoon] betwist dat de gestelde afspraken met hem zijn gemaakt. Hij heeft geen vaststellingsovereenkomst getekend en is volgens hem nergens mee akkoord gegaan.
De rechtbank vindt de e-mail van mr. Van den Brink van 9 maart 2023 geloofwaardig en overtuigend. Deze is concreet en genuanceerd, en dat mr. Van den Brink hierin partijdig zou zijn blijkt daaruit niet. [persoon] heeft weliswaar geen vaststellingsovereenkomst getekend, maar tekenen van een schriftelijke vaststellingsovereenkomst kwam pas aan het einde van de werkzaamheden ter sprake, toen de bedragen bekend waren en er afgerekend zou moeten worden. Dat is echter niet doorslaggevend. Een overeenkomst kan ook mondeling tot stand komen. Op de zitting heeft [persoon] verklaard dat alle partijen samen met mr. Van den Brink vaak om de tafel hebben gezeten. [persoon] heeft niet betwist dat in die overleggen over kosten is gesproken. De kosten werden op een scherm getoond. Het is juist dat pas op het einde de totale kosten inzichtelijk waren. Maar een afspraak over het delen van kosten kan ook geldig worden gemaakt vóórdat duidelijk is wat de kosten exact zijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat [persoon] onder deze omstandigheden het bestaan van de afspraken onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarmee zijn de gestelde overeenkomsten komen vast te staan.
De kosten van sanering en rechtsbijstand
5.2.
[persoon] stelt dat de saneringskosten veel te hoog zijn. De saneringskosten zijn gespecificeerd in een factuur van [V.O.F. en vennoten] van 20 oktober 2022. De enkele stelling dat de kosten te hoog zijn is te algemeen. [persoon] had moeten stellen welke onderdelen van de factuur zij betwist en om welke reden. Dat is niet gebeurd. De rechtbank gaat er daarom vanuit, dat de saneringskosten € 109.962,00 zijn. Uit de vorige overweging volgt, dat [persoon] hiervan éénderde deel moet betalen. Dat is € 36.654,00 en komt overeen met het door [V.O.F. en vennoten] gevorderde bedrag.
5.3.
[persoon] erkent dat [B.V.] de kosten van rechtsbijstand van € 120.556,73 heeft betaald. Ook hiervoor geldt, dat [persoon] daarvan éénderde deel moet betalen. Dat is € 40.185,58.
5.4.
[B.V.] en [V.O.F. en vennoten] vorderen wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van de eis in reconventie. Dit is toewijsbaar.
Tussenconclusie in reconventie
5.5.
De tussenconclusie is dat de vorderingen van [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] op zich toewijsbaar zijn. Dat betekent nog niet dat ze nu worden toegewezen. [persoon] heeft een beroep gedaan op verrekening met zijn vorderingen in conventie. Of de vorderingen van [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] kunnen worden toegewezen is afhankelijk van de vraag of het beroep van [persoon] op verrekening opgaat. Dat vereist een beoordeling van zijn vorderingen in conventie.
in conventie
Het bezwaar tegen de eiswijziging van [persoon]
5.6.
[persoon] heeft zijn eis gewijzigd. [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens hen is de eiswijziging in strijd met de goede procesorde. In plaats van de aanvankelijk gevorderde verklaring voor recht worden nu concrete schadebedragen gevorderd die al bekend waren.
Volgens artikel 130 lid 1 Rv is uitgangspunt dat de eis kan worden gewijzigd zolang nog geen eindvonnis is gewezen. Dat is anders als de eiswijziging in strijd is met de goede procesorde. Die situatie doet zich hier niet voor. [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] hebben bij conclusie van antwoord zelf al opgemerkt dat de schade voor [persoon] slechts zou kunnen bestaan uit de bedragen die [persoon] nu concreet vordert. Zij zijn dus niet benadeeld in de mogelijkheid verweer te voeren. Dat geldt eveneens voor zover [persoon] een bedrag van € 76.839,58 wil verrekenen. Dit bedrag bestaat immers uit de vorderingen die [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] zelf hebben ingesteld. Daarbij komt dat [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] tot aan de mondelinge behandeling ongeveer vier maanden de tijd hebben gehad om zich op de eiswijziging voor te bereiden. Kortom: de eiswijziging is niet in strijd met de goede procesorde zodat de rechtbank deze hierbij toestaat.
Is tussen [persoon] en [V.O.F. en vennoten] een overeenkomst van opdracht of een aannemingsovereenkomst gesloten?
5.7.
[persoon] stelt dat [V.O.F. en vennoten] toerekenbaar tekort is geschoten in de met hem gesloten overeenkomst van opdracht. Die bestond hieruit, dat [V.O.F. en vennoten] schone compost mocht opbrengen op de percelen van [persoon] tegen een redelijke vergoeding. [V.O.F. en vennoten] betwist dat sprake is van een overeenkomst van opdracht. Er is sprake van een overeenkomst van aanneming, omdat de grond volgens afspraak met [persoon] ook is gecultiveerd.
Op de zitting heeft de advocaat van [V.O.F. en vennoten] toegelicht, dat voor het opbrengen van zuiveringsslib op zich wel betaald moet worden. Maar zuiveringsslib wordt omgeploegd en voor die werkzaamheden moet weer worden betaald. Per saldo valt er dan niets af te rekenen. [persoon] verklaart dat hij voor de het opbrengen van de substantie niets heeft ontvangen, het voordeel was voor hem nul. Die verklaring past bij de niet weersproken toelichting van de advocaat van [V.O.F. en vennoten] Bovendien blijkt uit het bezoekverslag van 12 mei 2020 van de Omgevingsdienst (zie nr. 2.10) dat de grond ter plaatse diep is bewerkt. [persoon] heeft niet gesteld dat de grond na het opbrengen van zuiveringsslib door een ander dan [V.O.F. en vennoten] nog is bewerkt. De rechtbank gaat er daarom van uit, dat het cultiveren van de grond onderdeel was van de afspraken die [persoon] met [V.O.F. en vennoten] heeft gemaakt. Daarmee is sprake van een overeenkomst van aanneming van werk.
5.8.
[vennoot 1] (hierna: [vennoot 1] ) betwist partij te zijn bij deze overeenkomst en stelt volgens haar ten onrechte te zijn gedagvaard.
De rechtbank gaat hierin niet mee. Uit het door [persoon] overgelegde uittreksel uit het handelsregister volgt dat [vennoot 1] mede vennoot is van [V.O.F.] . Naast de vof kunnen ook de afzonderlijke vennoten worden gedagvaard omdat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een schuld van de vof. [vennoot 1] is dan ook niet ten onrechte gedagvaard.
Het beroep op verjaring door [V.O.F. en vennoten]
5.9.
[V.O.F. en vennoten] heeft een beroep gedaan op verjaring van de vordering die [persoon] jegens hem heeft ingesteld. Omdat sprake is van een aannemingsovereenkomst, is de korte verjaringstermijn van twee jaar van artikel 7:761 BW van toepassing. [persoon] heeft [V.O.F. en vennoten] op 10 december 2020 geschreven dat hij hem aansprakelijk houdt voor de schade door de werkzaamheden. De eerstvolgende brief waarin [persoon] dat hij [V.O.F. en vennoten] aansprakelijk stelt, dateert van 27 februari 2023. Tussen deze twee data zijn meer dan twee jaren verstreken, zodat de vordering van [persoon] jegens [V.O.F. en vennoten] is verjaard. Dit zou betekenen dat de vordering jegens [V.O.F. en vennoten] alleen al om die reden moet worden afgewezen, aldus [V.O.F. en vennoten]
5.10.
De rechtbank hoeft niet te beoordelen of het beroep op verjaring slaagt. [persoon] heeft in zijn conclusie van antwoord in reconventie een beroep gedaan op verrekening voor zover de vordering in reconventie wordt toegewezen.
Conclusie
5.26.
De conclusie is dus als volgt. Als [persoon] slaagt in de bewijslevering, dan zal hij voor de vordering van [V.O.F. en vennoten] van € 36.654,00 een beroep kunnen doen op verrekening voor een bedrag van € 15.604,00. Dat zou ertoe leiden dat de vordering van [V.O.F. en vennoten] wordt toegewezen tot een bedrag € 21.050,00 in plaats van € 36.654,00.
De vordering van [persoon] tegen [B.V.] zal worden afgewezen, zodat [persoon] zich ten opzichte van [B.V.] niet kan beroepen op verrekening. De vordering van [B.V.] van € 40.185,58 zal bij eindvonnis worden toegewezen.
5.27.
Wat betreft het voorwaardelijke beroep van [persoon] op verrekening van een bedrag van € 76.839,58 met de vorderingen in reconventie kan de rechtbank kort zijn. [persoon] stelt dat [B.V.] en [V.O.F. en vennoten] die kosten als vervuilers voor hun rekening moeten nemen, maar dit staat haaks op de beoordeling in reconventie. Zijn deel van hetgeen is overeengekomen zal [persoon] moeten betalen. Met dien verstande dat [persoon] de schade die hij lijdt kan verrekenen zoals in de vorige overweging staat, als hij slaagt in de bewijslevering.
Voor nu: verwijzing naar de rol voor akte
5.28.
Zoals al hiervoor (nr. 5.13) opgemerkt, zal de zaak worden verwezen naar de rol voor akte uitlating bewijslevering door [persoon] .
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 20 maart 2024 voor akte uitlating bewijslevering aan de zijde van [persoon] als bedoeld in overweging 5.13;
in conventie en in reconventie
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2024.
Beoordeling
Dit beroep op verrekening heeft [persoon] op de zitting uitgebreid door zich ook te beroepen op verrekening voor zover zijn vorderingen zouden zijn verjaard. Volgens artikel 6:131 lid 1 BW eindigt de bevoegdheid tot verrekening niet door verjaring van de rechtsvordering. Dit betekent dat ook de vorderingen van [persoon] jegens [V.O.F. en vennoten] inhoudelijk beoordeeld moeten worden.
Is [V.O.F. en vennoten] jegens [persoon] tekort geschoten? Bewijslevering
5.11.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [V.O.F. en vennoten] tekort is geschoten in de nakoming van de met [persoon] gesloten overeenkomst. Volgens [persoon] heeft [V.O.F. en vennoten] grijs materiaal op zijn percelen opgebracht en is dat materiaal verontreinigd met zware metalen en substantiële gehalten aan minerale oliën. Dit volgt uit de rapporten van de Omgevingsdienst. Dit heeft geleid tot de verplichting zijn percelen te saneren.
[V.O.F. en vennoten] betwist dat sprake is van een tekortkoming. Volgens [V.O.F. en vennoten] blijkt uit de memo van [bedrijf 2] van 9 juni 2022 (zie nr. 2.21) dat geen sprake is van een tekortkoming. Er bestond volgens [bedrijf 2] immers geen noodzaak tot sanering.
5.12.
De rechtbank kan op grond van de stukken die tot nog toe zijn ingediend niet vaststellen of het noodzakelijk was de grond te saneren. Vóór de stelling van [persoon] pleiten de stukken van de Omgevingsdienst, de provincie en de uitspraak van de ABRvS. Daartegen pleit de memo van [bedrijf 2] , waaruit zou volgen dat de Omgevingsdienst in haar metingen ten onrechte natuurlijke bestanddelen heeft aangemerkt als minerale olie en dat de verontreinigingen met zink niet reproduceerbaar zijn. De bewijslast voor de gestelde verontreiniging die noodzaakt tot sanering ligt conform de hoofdregel van artikel 150 Rv bij [persoon] . Omdat nu juist de vraag is of de grond wel gesaneerd had moeten worden, is de door [persoon] bepleite omkeringsregel in elk geval niet van toepassing.
5.13.
[persoon] heeft het aanbod gedaan te bewijzen dat de opgebrachte substantie zodanig verontreinigd was dat de grond gesaneerd moest worden. De rechtbank zal [persoon] daartoe in de gelegenheid stellen. [persoon] zal eerst bij akte in de gelegenheid worden gesteld te vermelden of en hoe hij dit bewijs wil leveren. Schriftelijke stukken kunnen daarbij meteen worden overgelegd.
5.14.
Hierbij tekent de rechtbank nog het volgende aan. [V.O.F. en vennoten] heeft verklaard dat naast [bedrijf 2] ook de Omgevingsdienst monsters heeft genomen van de depots. Hij heeft daar niets van gehoord. Het ligt voor de hand dat als nadere informatie over de depots van de gesaneerde grond bij de Omgevingsdienst beschikbaar is, die informatie van belang kan zijn bij de verdere beoordeling van dit punt.
5.15.
[persoon] heeft in de spreekaantekeningen in een enkele zin nog gesteld dat [V.O.F. en vennoten] ongeveer 1.000 m3 op zijn percelen heeft aangebracht, terwijl [persoon] is uitgegaan van 250 m3. Volgens [persoon] levert dit een overtreding op van artikel 16 van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) waarvoor wordt verwezen naar de producties 1 en 2 bij dagvaarding. Het is niet duidelijk wat [persoon] hiermee wil bereiken. Uit de nota van toelichting bij artikel 16 Bbk volgt, dat dit artikel ziet op rapporten die zijn opgesteld naar aanleiding van een uitgevoerd bodemonderzoek, een analysestaat en een verslag van een uitgevoerde inspectie. Het gaat hierbij dus niet om afwijkende gegevens van hoeveelheden op transportbonnen. De rechtbank gaat aan die stelling voorbij. Het is geen reden om af te zien van bewijslevering door [persoon] .
5.16.
De partij die de bewijslast heeft, dat is [persoon] , draagt ook het bewijsrisico. Dat wil zeggen: als de rechtbank na bewijslevering tot het oordeel zou komen dat er nog steeds twijfel bestaat over de verontreiniging, moet dit leiden tot het oordeel dat [persoon] niet in het bewijs is geslaagd.
5.17.
Als [persoon] in zijn bewijslevering slaagt, overweegt de rechtbank om proceseconomische redenen alvast het volgende.
De vorderingen tegen de natuurlijke personen
5.18.
[persoon] heeft gesteld dat de ‘heren [vennoot 2 t/m 4] ’ als natuurlijke personen zelfstandig aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad door het opbrengen van vervuilde grond. Omdat [V.O.F. en vennoten] hebben gehandeld in de uitoefening van hun bedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma en alleen daarom al hoofdelijk aansprakelijk zijn, valt niet in te zien welk belang [persoon] hierbij heeft. [persoon] heeft geen feiten gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de ‘heren [vennoot 2 t/m 4] ’ los van hun activiteiten voor de vof individueel onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Anders gezegd: het handelen namens de vof wordt hen al individueel toegerekend omdat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn.
De vordering tegen [B.V.]
5.19.
[persoon] stelt dat [B.V.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door op illegale wijze vervuild materiaal op zijn percelen aan te laten brengen.
De rechtbank zal de vordering tegen [B.V.] afwijzen. In een situatie als deze is het enkele contracteren van [B.V.] met [V.O.F. en vennoten] niet onrechtmatig ten opzichte van [persoon] . [B.V.] stelt dat zij een afspraak had met [V.O.F. en vennoten] en dat zij erop mocht vertrouwen dat [V.O.F. en vennoten] als erkend grondverzetbedrijf het zuiveringsslib op legale wijze zou afvoeren. Dat is door [persoon] niet betwist, en in die zin heeft [B.V.] rekening gehouden met de belangen van [persoon] . [persoon] heeft niet gesteld dat [B.V.] wist dat het zuiveringsslib vervuild was. [persoon] heeft dan ook onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat [B.V.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2004:AO9069). [persoon] kan alleen [V.O.F. en vennoten] aanspreken voor de schade.
De algemene voorwaarden zijn niet van toepassing; geen uitsluiting aansprakelijkheid
5.20.
[V.O.F. en vennoten] stelt dat de door [persoon] gevorderde schade is uitgesloten op basis van de door [V.O.F. en vennoten] gehanteerde Cumela voorwaarden. Weliswaar heeft [V.O.F. en vennoten] niet expliciet afgesproken dat deze voorwaarden van toepassing zijn, maar ze zijn toepasselijk omdat [V.O.F. en vennoten] vaker facturen heeft gestuurd aan [persoon] waarop de voorwaarden op de achterkant zijn afgedrukt.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [V.O.F. en vennoten] stelt zelf dat er geen afspraak is gemaakt over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Dan moet de vraag worden beantwoord of [V.O.F. en vennoten] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [persoon] de toepasselijkheid ervan heeft geaccepteerd. [V.O.F. en vennoten] heeft ter onderbouwing één factuur van 14 mei 2022 overgelegd. Dat is geen factuur vóór het opbrengen van de grond, wat immers begin mei 2020 heeft plaatsgevonden. [V.O.F. en vennoten] heeft dan ook onvoldoende gesteld dat zij ervan uit mocht gaan dat [persoon] akkoord is gegaan met de algemene voorwaarden. Deze zijn daarom niet van toepassing en het beroep de uitsluiting van aansprakelijkheid gaat alleen al hierom niet op.
Negatieve rente over depotbedrag
5.21.
Als de opgebrachte grond verontreinigd was, is dat een tekortkoming en is [V.O.F. en vennoten] verplicht de hierdoor door [persoon] geleden schade te vergoeden. Of sprake is van schade moet worden beoordeeld door een vergelijking te maken met de denkbeeldige situatie dat [V.O.F. en vennoten] geen verontreinigde grond heeft aangebracht op de percelen van [persoon] .
Beoordeling
Dit beroep op verrekening heeft [persoon] op de zitting uitgebreid door zich ook te beroepen op verrekening voor zover zijn vorderingen zouden zijn verjaard. Volgens artikel 6:131 lid 1 BW eindigt de bevoegdheid tot verrekening niet door verjaring van de rechtsvordering. Dit betekent dat ook de vorderingen van [persoon] jegens [V.O.F. en vennoten] inhoudelijk beoordeeld moeten worden.
Is [V.O.F. en vennoten] jegens [persoon] tekort geschoten? Bewijslevering
5.11.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [V.O.F. en vennoten] tekort is geschoten in de nakoming van de met [persoon] gesloten overeenkomst. Volgens [persoon] heeft [V.O.F. en vennoten] grijs materiaal op zijn percelen opgebracht en is dat materiaal verontreinigd met zware metalen en substantiële gehalten aan minerale oliën. Dit volgt uit de rapporten van de Omgevingsdienst. Dit heeft geleid tot de verplichting zijn percelen te saneren.
[V.O.F. en vennoten] betwist dat sprake is van een tekortkoming. Volgens [V.O.F. en vennoten] blijkt uit de memo van [bedrijf 2] van 9 juni 2022 (zie nr. 2.21) dat geen sprake is van een tekortkoming. Er bestond volgens [bedrijf 2] immers geen noodzaak tot sanering.
5.12.
De rechtbank kan op grond van de stukken die tot nog toe zijn ingediend niet vaststellen of het noodzakelijk was de grond te saneren. Vóór de stelling van [persoon] pleiten de stukken van de Omgevingsdienst, de provincie en de uitspraak van de ABRvS. Daartegen pleit de memo van [bedrijf 2] , waaruit zou volgen dat de Omgevingsdienst in haar metingen ten onrechte natuurlijke bestanddelen heeft aangemerkt als minerale olie en dat de verontreinigingen met zink niet reproduceerbaar zijn. De bewijslast voor de gestelde verontreiniging die noodzaakt tot sanering ligt conform de hoofdregel van artikel 150 Rv bij [persoon] . Omdat nu juist de vraag is of de grond wel gesaneerd had moeten worden, is de door [persoon] bepleite omkeringsregel in elk geval niet van toepassing.
5.13.
[persoon] heeft het aanbod gedaan te bewijzen dat de opgebrachte substantie zodanig verontreinigd was dat de grond gesaneerd moest worden. De rechtbank zal [persoon] daartoe in de gelegenheid stellen. [persoon] zal eerst bij akte in de gelegenheid worden gesteld te vermelden of en hoe hij dit bewijs wil leveren. Schriftelijke stukken kunnen daarbij meteen worden overgelegd.
5.14.
Hierbij tekent de rechtbank nog het volgende aan. [V.O.F. en vennoten] heeft verklaard dat naast [bedrijf 2] ook de Omgevingsdienst monsters heeft genomen van de depots. Hij heeft daar niets van gehoord. Het ligt voor de hand dat als nadere informatie over de depots van de gesaneerde grond bij de Omgevingsdienst beschikbaar is, die informatie van belang kan zijn bij de verdere beoordeling van dit punt.
5.15.
[persoon] heeft in de spreekaantekeningen in een enkele zin nog gesteld dat [V.O.F. en vennoten] ongeveer 1.000 m3 op zijn percelen heeft aangebracht, terwijl [persoon] is uitgegaan van 250 m3. Volgens [persoon] levert dit een overtreding op van artikel 16 van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) waarvoor wordt verwezen naar de producties 1 en 2 bij dagvaarding. Het is niet duidelijk wat [persoon] hiermee wil bereiken. Uit de nota van toelichting bij artikel 16 Bbk volgt, dat dit artikel ziet op rapporten die zijn opgesteld naar aanleiding van een uitgevoerd bodemonderzoek, een analysestaat en een verslag van een uitgevoerde inspectie. Het gaat hierbij dus niet om afwijkende gegevens van hoeveelheden op transportbonnen. De rechtbank gaat aan die stelling voorbij. Het is geen reden om af te zien van bewijslevering door [persoon] .
5.16.
De partij die de bewijslast heeft, dat is [persoon] , draagt ook het bewijsrisico. Dat wil zeggen: als de rechtbank na bewijslevering tot het oordeel zou komen dat er nog steeds twijfel bestaat over de verontreiniging, moet dit leiden tot het oordeel dat [persoon] niet in het bewijs is geslaagd.
5.17.
Als [persoon] in zijn bewijslevering slaagt, overweegt de rechtbank om proceseconomische redenen alvast het volgende.
De vorderingen tegen de natuurlijke personen
5.18.
[persoon] heeft gesteld dat de ‘heren [vennoot 2 t/m 4] ’ als natuurlijke personen zelfstandig aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad door het opbrengen van vervuilde grond. Omdat [V.O.F. en vennoten] hebben gehandeld in de uitoefening van hun bedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma en alleen daarom al hoofdelijk aansprakelijk zijn, valt niet in te zien welk belang [persoon] hierbij heeft. [persoon] heeft geen feiten gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de ‘heren [vennoot 2 t/m 4] ’ los van hun activiteiten voor de vof individueel onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Anders gezegd: het handelen namens de vof wordt hen al individueel toegerekend omdat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn.
De vordering tegen [B.V.]
5.19.
[persoon] stelt dat [B.V.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door op illegale wijze vervuild materiaal op zijn percelen aan te laten brengen.
De rechtbank zal de vordering tegen [B.V.] afwijzen. In een situatie als deze is het enkele contracteren van [B.V.] met [V.O.F. en vennoten] niet onrechtmatig ten opzichte van [persoon] . [B.V.] stelt dat zij een afspraak had met [V.O.F. en vennoten] en dat zij erop mocht vertrouwen dat [V.O.F. en vennoten] als erkend grondverzetbedrijf het zuiveringsslib op legale wijze zou afvoeren. Dat is door [persoon] niet betwist, en in die zin heeft [B.V.] rekening gehouden met de belangen van [persoon] . [persoon] heeft niet gesteld dat [B.V.] wist dat het zuiveringsslib vervuild was. [persoon] heeft dan ook onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat [B.V.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2004:AO9069). [persoon] kan alleen [V.O.F. en vennoten] aanspreken voor de schade.
De algemene voorwaarden zijn niet van toepassing; geen uitsluiting aansprakelijkheid
5.20.
[V.O.F. en vennoten] stelt dat de door [persoon] gevorderde schade is uitgesloten op basis van de door [V.O.F. en vennoten] gehanteerde Cumela voorwaarden. Weliswaar heeft [V.O.F. en vennoten] niet expliciet afgesproken dat deze voorwaarden van toepassing zijn, maar ze zijn toepasselijk omdat [V.O.F. en vennoten] vaker facturen heeft gestuurd aan [persoon] waarop de voorwaarden op de achterkant zijn afgedrukt.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [V.O.F. en vennoten] stelt zelf dat er geen afspraak is gemaakt over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Dan moet de vraag worden beantwoord of [V.O.F. en vennoten] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [persoon] de toepasselijkheid ervan heeft geaccepteerd. [V.O.F. en vennoten] heeft ter onderbouwing één factuur van 14 mei 2022 overgelegd. Dat is geen factuur vóór het opbrengen van de grond, wat immers begin mei 2020 heeft plaatsgevonden. [V.O.F. en vennoten] heeft dan ook onvoldoende gesteld dat zij ervan uit mocht gaan dat [persoon] akkoord is gegaan met de algemene voorwaarden. Deze zijn daarom niet van toepassing en het beroep de uitsluiting van aansprakelijkheid gaat alleen al hierom niet op.
Negatieve rente over depotbedrag
5.21.
Als de opgebrachte grond verontreinigd was, is dat een tekortkoming en is [V.O.F. en vennoten] verplicht de hierdoor door [persoon] geleden schade te vergoeden. Of sprake is van schade moet worden beoordeeld door een vergelijking te maken met de denkbeeldige situatie dat [V.O.F. en vennoten] geen verontreinigde grond heeft aangebracht op de percelen van [persoon] .