Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-24
ECLI:NL:RBZWB:2024:9607
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
11,940 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11202484 OV VERZ 24-3464
Beschikking van
24
december 2024
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R. Zwamborn,
tegen
1 [verweerder 1] ,
te [plaats] ,2. [verweerder 2],
te [plaats] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
gemachtigde: mr. J.J.R. Albicher.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenvonnissen van 17 april 2024 en 10 juli 2024 met alle daarin genoemde stukken;
- de brief van 12 augustus 2024 van mr. Zwamborn;
- het verweerschrift;
- de akte overleggen producties en aanvulling c.q. wijziging verzoeken;
- de mondelinge behandeling van 12 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
2.1.
[verzoeker] en [verweerders] zijn buren. [verzoeker] is sinds 24 mei 2017 eigenaar van het perceel dat kadastraal bekend staat als [kadastrale gegevens] [perceelnummer 1] . Op dit perceel is inmiddels een woning gebouwd.
2.2.
[verweerders] is sinds 29 september 2017 eigenaar van de percelen die kadastraal bekend staan als [kadastrale gegevens] [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] .
2.3.
[verzoeker] en [verweerders] zijn voorts beiden eigenaar van de onverdeelde helft van het perceel dat kadastraal bekend staat als [kadastrale gegevens] [perceelnummer 4] . Dit perceel betreft een pad vanaf de openbare weg, dat langs het perceel van [verweerders] naar het perceel van [verzoeker] loopt.
2.4.
Daarnaast hebben [verzoeker] en [verweerders] op 30 juni 2022 van TCZ Vastgoed B.V. (hierna: TCZ) geleverd gekregen een strook grond -beiden de onverdeelde helft-, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] [perceelnummer 5] in het kader van een minnelijke regeling in een juridische procedure tussen [verzoeker] en [verweerders] enerzijds en TCZ anderzijds.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt, na aanvulling van haar verzoeken, -samengevat- voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [verweerders] en zijn hulppersonen te verbieden om voertuigen te parkeren op de (mandelige) percelen, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] [perceelnummer 4] en [kadastrale gegevens] [perceelnummer 5] dan wel deze percelen te gebruiken voor de opslag van andere goederen en/of zaken, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit verbod voldoet, tot een maximum van € 100.000,-;II. [verweerders] te bevelen de gestorte grond -zichtbaar op de foto’s van productie 17- te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van
€ 100.000,-;
III. [verweerders] te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het plaatsen door [verzoeker] van een automatische poortopener, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-, dan wel een machtiging te verlenen inhoudende dat [verzoeker] deze poortopener zonder toestemming van [verweerders] kan plaatsen;
IV. [verweerders] te bevelen al het noodzakelijke onderhoud van de mandelige percelen te
verrichten in de even jaren -één en ander zoals bepaald in de notariële akte van
24 mei 2017-, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-;
V. [verweerders] te bevelen de schade aan de (mandelige) toegangspoort -zichtbaar op de
foto's van productie 22- op zijn kosten en op professionele wijze te laten herstellen,
op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-;
VI. [verweerders] te bevelen de schade aan het (mandelige) pad -onder meer zichtbaar op
de foto’s van productie 29- op zijn kosten en op professionele wijze te laten herstellen,
op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-;
VII. Ten aanzien van de mandelige percelen een regeling in de zin van artikel 3:168 BW vast te stellen, zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren, met inachtneming van hetgeen hierboven onder I tot en met IV is verzocht;VIII. [verweerders] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
Aan de verzoeken heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Uit de reglementen ten aanzien van de mandelige percelen, zoals opgenomen in de notariële akten van 24 mei 2017 en 30 juni 2022, blijkt dat het [verweerders] en zijn hulppersonen niet is toegestaan om op deze percelen te parkeren. [verweerders] handelt in strijd met deze bepalingen. Ook volgt uit de akte van 24 mei 2017 dat het mandelige perceel moet worden vrijgelaten en uitdrukkelijk niet mag worden gebruikt als opslagterrein, hetgeen [verweerders] nu wel doet. In die akte is ook een afspraak vastgelegd tussen [verzoeker] en [naam] (de vorige eigenaar) dat [verzoeker] een automatische poortopener zou verzorgen voor het mandelige hek. Omdat [verweerders] rechtsopvolger is van [naam] , dient hij zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering hiervan, maar [verweerders] weigert dit. Daarnaast verzoekt [verzoeker] dat [verweerders] het onderhoud uitvoert aan de mandelige percelen en de schade die hij heeft veroorzaakt aan de mandelige zaken herstelt.
3.3.
[verweerders] verzet zich tegen toewijzing van deze verzoeken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
De percelen zijn mandelig
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat [perceelnummer 5] mandelig is. Dat geldt niet voor [perceelnummer 4] . Volgens [verzoeker] is het mandelig, volgens [verweerders] niet. De kantonrechter oordeelt dat ook [perceelnummer 4] mandelig is en legt dat hieronder uit.
4.2.
Uit de wet vloeit voort dat mandeligheid ontstaat door een notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers. Aan deze vereisten is voldaan. In de leveringsakte van 24 mei 2017 -van [perceelnummer 4] - staat kortgezegd dat het gehele perceel wordt bestemd tot een mandelige zaak en bestemd is om als gemeenschappelijke weg / gemeenschappelijk pad te dienen voor de [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] . Uit een bij de akte gevoegde verklaring van het Kadaster blijkt dat deze akte is ingeschreven in het daarvoor bestemde register. De inschrijving wordt weliswaar -in algemene bewoordingen- door [verweerders] betwist, maar door hem feitelijk niet nader onderbouwd zodat de kantonrechter uitgaat van de verklaring van het Kadaster. Daar komt bij dat de mandeligheid een afhankelijk recht is dat rust op het onroerend goed zelf, ongeacht of het eigendom van het perceel wijzigt. Juist is dat de mandeligheid van [perceelnummer 4] niet expliciet in de leveringsakte is benoemd die op
29 september 2017 tussen [naam] en [verweerders] is gesloten. Dat verandert echter niets aan de situatie: [perceelnummer 4] is en blijft dan mandelig. Ook uit andere feiten en omstandigheden volgt niet dat deze mandeligheid op enig moment is beëindigd.
De beheersregeling
4.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld of voor deze mandelige percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] (hierna: de mandelige percelen) een regeling is getroffen omtrent het genot, het gebruik en het beheer. In de leveringsakte van 24 mei 2017 -over [perceelnummer 4] - is onder het kopje mandeligheid een reglement opgenomen voor dit perceel waarin, voor zover relevant, is opgenomen:
3. (…) De mandelige zaak wordt gebruikt als pad om met een auto of met een ander voertuig, te komen van en te gaan naar de openbare weg.
5. De mandelige zaak wordt op kosten van de deelgenoten onderhouden en gereinigd. Iedere deelgenoot is naar evenredigheid van zijn aandeel draagplichtig voor deze kosten.
Verkoper en koper zijn overeengekomen dat het onderhoud van het mandelige perceel in
het even jaar wordt gedaan door de eigenaar van het perceel, kadastraal bekend
[kadastrale gegevens] [perceelnummer 2] (zijnde thans de verkoper in deze) en in het
oneven jaar door de eigenaar van het bij deze gekochte.
Iedere mandelige eigenaar moet het mandelige perceel vrijlaten en mag het uitdrukkelijk
niet gebruiken als opslagterrein.
Het hekwerk aan de zijde van de openbare weg behoort eveneens tot de mandeligheid.
Alle leidingen en verdere voorzieningen ten behoeve van de nutsvoorzieningen in het
mandelige perceel zijn eveneens mandelig.
7. Als de mandelige zaak hersteld of vernieuwd moet worden als gevolg van enig handelen
of nalaten, dat niet gerekend kan worden tot het normale gebruik volgens de bestemming
daarvan zoals hiervoor is omschreven, zullen de kosten van dit herstel of die vernieuwing
voor rekening zijn van die deelgenoot aan wie dat handelen of nalaten kan worden
toegerekend. Onder herstel of vernieuwing zijn uitdrukkelijk begrepen de kosten van
herbouw. Een schadelijk handelen of nalaten als hiervoor bedoeld van een gebruiker wordt
de desbetreffende deelgenoot toegerekend.
4.4.
In de leveringsakte van 30 juni 2022 van [perceelnummer 5] is dezelfde beheersregeling opgenomen als voor [perceelnummer 4] . Voor de mandelige percelen geldt dus hetzelfde.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat deze regeling dient te worden aangemerkt als een beheersregeling zoals bedoeld in artikel 3:168 BW. De bepalingen zien immers op het gebruik en beheer van [perceelnummer 4] respectievelijk [perceelnummer 5] . Voor zover er tussen partijen discussie zou zijn over de inhoud van deze bepalingen, dient de uitleg daarvan te geschieden volgens de zogeheten cao-norm. Dit betekent dat er een strikte benadering moet worden gevolgd waarbij de letterlijke tekst van belang is en niet de bedoeling van partijen. De reden hiervan is dat de uitwerking van de beheersregeling niet alleen ziet op de verhouding tussen de partijen.
Uit de tekst van de beheersregelingen volgt dat de mandelige percelen gebruikt mogen worden als pad om met een auto of met een ander voertuig, te komen van en te gaan naar de openbare weg. Ander gebruik van het pad wordt niet genoemd. Hieruit volgt dat er op de mandelige percelen niet geparkeerd mag worden.
De mandelige percelen mogen evenmin gebruikt worden voor opslag. Dat volgt uit het omschreven gebruik in de regelingen. Het staat daarnaast expliciet genoemd; iedere mandelige eigenaar moet het mandelige perceel vrij laten en het mag uitdrukkelijk niet worden gebruikt als opslagterrein.
4.6.
[verweerders] en [verzoeker] mogen dus niet op de mandelige percelen parkeren en daarop geen spullen opslaan, terwijl het vast staat dat [verweerders] dat wel doet. Het onder I. verzochte verbod wordt daarom toegewezen. De verzochte dwangsom is ook toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet om deze te matigen tot € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.
4.7.
Het verzoek van [verzoeker] om [verweerders] te bevelen de gestorte grond te verwijderen en verwijderd te houden (verzoek II) zal ook worden toegewezen. De mandelige percelen mogen enkel worden gebruikt als pad om met een auto of met een ander voertuig, te komen van en te gaan naar de openbare weg. Het ophogen van een deel van [perceelnummer 4] met grond en het daarna inzaaien met gras, leidt ertoe dat dit gedeelte van het mandelige perceel feitelijk niet meer kan worden gebruikt als pad. Het is hierdoor namelijk niet langer mogelijk om er op een veilige wijze overheen te rijden met een voertuig. [verweerders] heeft dan ook gehandeld in strijd met het in de regeling vastgelegde gebruik en beheer van dit perceel. Niet is gebleken dat hiervoor door (de vader van) [verzoeker] toestemming is gegeven. De kantonrechter stelt de termijn om deze werkzaamheden uit te voeren op zes weken na betekening van het vonnis. Als [verweerders] binnen deze termijn de werkzaamheden niet uitvoert, dan moet hij een dwangsom betalen van € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.
4.8.
[verzoeker] verzoekt om [verweerders] te bevelen al het noodzakelijke onderhoud van de mandelige percelen te verrichten in de even jaren (verzoek IV). Het klopt dat deze verplichting volgt uit de beheersregelingen, waarin kortgezegd staat dat de mandelige zaak op kosten van de deelgenoten wordt onderhouden en gereinigd. Het onderhoud van de mandelige percelen moet in het even jaar worden gedaan door de eigenaar van [perceelnummer 2] en in het oneven jaar door de eigenaar van [perceelnummer 1] . [verzoeker] heeft echter niet duidelijk gemaakt waar dit onderhoud in haar ogen uit bestaat en dit ook niet nader gespecificeerd. Het verzoek zal daarom als onvoldoende bepaald worden afgewezen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verbiedt [verweerders] en zijn hulppersonen met voertuigen te parkeren op de mandelige percelen, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] [perceelnummer 4] en [kadastrale gegevens] [perceelnummer 5] dan wel deze percelen te gebruiken voor de opslag van andere goederen en/of zaken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat [verweerders] niet aan dit verbod voldoet, met een maximum van € 10.000,-;
5.2.
beveelt [verweerders] om binnen een termijn van 6 weken na betekening van dit vonnis de gestorte grond -zichtbaar op de foto’s van productie 17- te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, met een maximum van € 10.000,-;
5.3.
beveelt [verweerders] om binnen een termijn van 3 maanden na betekening van dit vonnis de schade aan het pad zoals is weergegeven op de aan dit vonnis gehechte bijlagen, op zijn kosten en op professionele wijze te laten herstellen, op straffe van een dwangsom van
€ 250,- per dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 10.000,-;
5.4.
verleent [verzoeker] een machtiging om een automatische poortopener te plaatsen;
5.5.
veroordeelt [verweerders] in de proceskosten van € 677,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verweerders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verweerders] ook de kosten van betekening betalen;
5.6.
veroordeelt [verweerders] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11202484 OV VERZ 24-3464
Beschikking van
24
december 2024
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R. Zwamborn,
tegen
1 [verweerder 1] ,
te [plaats] ,2. [verweerder 2],
te [plaats] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
gemachtigde: mr. J.J.R. Albicher.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenvonnissen van 17 april 2024 en 10 juli 2024 met alle daarin genoemde stukken;
- de brief van 12 augustus 2024 van mr. Zwamborn;
- het verweerschrift;
- de akte overleggen producties en aanvulling c.q. wijziging verzoeken;
- de mondelinge behandeling van 12 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
2.1.
[verzoeker] en [verweerders] zijn buren. [verzoeker] is sinds 24 mei 2017 eigenaar van het perceel dat kadastraal bekend staat als [kadastrale gegevens] [perceelnummer 1] . Op dit perceel is inmiddels een woning gebouwd.
2.2.
[verweerders] is sinds 29 september 2017 eigenaar van de percelen die kadastraal bekend staan als [kadastrale gegevens] [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] .
2.3.
[verzoeker] en [verweerders] zijn voorts beiden eigenaar van de onverdeelde helft van het perceel dat kadastraal bekend staat als [kadastrale gegevens] [perceelnummer 4] . Dit perceel betreft een pad vanaf de openbare weg, dat langs het perceel van [verweerders] naar het perceel van [verzoeker] loopt.
2.4.
Daarnaast hebben [verzoeker] en [verweerders] op 30 juni 2022 van TCZ Vastgoed B.V. (hierna: TCZ) geleverd gekregen een strook grond -beiden de onverdeelde helft-, kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] [perceelnummer 5] in het kader van een minnelijke regeling in een juridische procedure tussen [verzoeker] en [verweerders] enerzijds en TCZ anderzijds.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt, na aanvulling van haar verzoeken, -samengevat- voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [verweerders] en zijn hulppersonen te verbieden om voertuigen te parkeren op de (mandelige) percelen, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] [perceelnummer 4] en [kadastrale gegevens] [perceelnummer 5] dan wel deze percelen te gebruiken voor de opslag van andere goederen en/of zaken, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit verbod voldoet, tot een maximum van € 100.000,-;II. [verweerders] te bevelen de gestorte grond -zichtbaar op de foto’s van productie 17- te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van
€ 100.000,-;
III. [verweerders] te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het plaatsen door [verzoeker] van een automatische poortopener, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-, dan wel een machtiging te verlenen inhoudende dat [verzoeker] deze poortopener zonder toestemming van [verweerders] kan plaatsen;
IV. [verweerders] te bevelen al het noodzakelijke onderhoud van de mandelige percelen te
verrichten in de even jaren -één en ander zoals bepaald in de notariële akte van
24 mei 2017-, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-;
V. [verweerders] te bevelen de schade aan de (mandelige) toegangspoort -zichtbaar op de
foto's van productie 22- op zijn kosten en op professionele wijze te laten herstellen,
op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-;
VI. [verweerders] te bevelen de schade aan het (mandelige) pad -onder meer zichtbaar op
de foto’s van productie 29- op zijn kosten en op professionele wijze te laten herstellen,
op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding en/of dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 100.000,-;
VII. Ten aanzien van de mandelige percelen een regeling in de zin van artikel 3:168 BW vast te stellen, zoals de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren, met inachtneming van hetgeen hierboven onder I tot en met IV is verzocht;VIII. [verweerders] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
Aan de verzoeken heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Uit de reglementen ten aanzien van de mandelige percelen, zoals opgenomen in de notariële akten van 24 mei 2017 en 30 juni 2022, blijkt dat het [verweerders] en zijn hulppersonen niet is toegestaan om op deze percelen te parkeren. [verweerders] handelt in strijd met deze bepalingen. Ook volgt uit de akte van 24 mei 2017 dat het mandelige perceel moet worden vrijgelaten en uitdrukkelijk niet mag worden gebruikt als opslagterrein, hetgeen [verweerders] nu wel doet. In die akte is ook een afspraak vastgelegd tussen [verzoeker] en [naam] (de vorige eigenaar) dat [verzoeker] een automatische poortopener zou verzorgen voor het mandelige hek. Omdat [verweerders] rechtsopvolger is van [naam] , dient hij zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering hiervan, maar [verweerders] weigert dit. Daarnaast verzoekt [verzoeker] dat [verweerders] het onderhoud uitvoert aan de mandelige percelen en de schade die hij heeft veroorzaakt aan de mandelige zaken herstelt.
3.3.
[verweerders] verzet zich tegen toewijzing van deze verzoeken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
De percelen zijn mandelig
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat [perceelnummer 5] mandelig is. Dat geldt niet voor [perceelnummer 4] . Volgens [verzoeker] is het mandelig, volgens [verweerders] niet. De kantonrechter oordeelt dat ook [perceelnummer 4] mandelig is en legt dat hieronder uit.
4.2.
Uit de wet vloeit voort dat mandeligheid ontstaat door een notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers. Aan deze vereisten is voldaan. In de leveringsakte van 24 mei 2017 -van [perceelnummer 4] - staat kortgezegd dat het gehele perceel wordt bestemd tot een mandelige zaak en bestemd is om als gemeenschappelijke weg / gemeenschappelijk pad te dienen voor de [perceelnummer 2] en [perceelnummer 1] . Uit een bij de akte gevoegde verklaring van het Kadaster blijkt dat deze akte is ingeschreven in het daarvoor bestemde register. De inschrijving wordt weliswaar -in algemene bewoordingen- door [verweerders] betwist, maar door hem feitelijk niet nader onderbouwd zodat de kantonrechter uitgaat van de verklaring van het Kadaster. Daar komt bij dat de mandeligheid een afhankelijk recht is dat rust op het onroerend goed zelf, ongeacht of het eigendom van het perceel wijzigt. Juist is dat de mandeligheid van [perceelnummer 4] niet expliciet in de leveringsakte is benoemd die op
29 september 2017 tussen [naam] en [verweerders] is gesloten. Dat verandert echter niets aan de situatie: [perceelnummer 4] is en blijft dan mandelig. Ook uit andere feiten en omstandigheden volgt niet dat deze mandeligheid op enig moment is beëindigd.
De beheersregeling
4.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld of voor deze mandelige percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] (hierna: de mandelige percelen) een regeling is getroffen omtrent het genot, het gebruik en het beheer. In de leveringsakte van 24 mei 2017 -over [perceelnummer 4] - is onder het kopje mandeligheid een reglement opgenomen voor dit perceel waarin, voor zover relevant, is opgenomen:
3. (…) De mandelige zaak wordt gebruikt als pad om met een auto of met een ander voertuig, te komen van en te gaan naar de openbare weg.
5. De mandelige zaak wordt op kosten van de deelgenoten onderhouden en gereinigd. Iedere deelgenoot is naar evenredigheid van zijn aandeel draagplichtig voor deze kosten.
Verkoper en koper zijn overeengekomen dat het onderhoud van het mandelige perceel in
het even jaar wordt gedaan door de eigenaar van het perceel, kadastraal bekend
[kadastrale gegevens] [perceelnummer 2] (zijnde thans de verkoper in deze) en in het
oneven jaar door de eigenaar van het bij deze gekochte.
Iedere mandelige eigenaar moet het mandelige perceel vrijlaten en mag het uitdrukkelijk
niet gebruiken als opslagterrein.
Het hekwerk aan de zijde van de openbare weg behoort eveneens tot de mandeligheid.
Alle leidingen en verdere voorzieningen ten behoeve van de nutsvoorzieningen in het
mandelige perceel zijn eveneens mandelig.
7. Als de mandelige zaak hersteld of vernieuwd moet worden als gevolg van enig handelen
of nalaten, dat niet gerekend kan worden tot het normale gebruik volgens de bestemming
daarvan zoals hiervoor is omschreven, zullen de kosten van dit herstel of die vernieuwing
voor rekening zijn van die deelgenoot aan wie dat handelen of nalaten kan worden
toegerekend. Onder herstel of vernieuwing zijn uitdrukkelijk begrepen de kosten van
herbouw. Een schadelijk handelen of nalaten als hiervoor bedoeld van een gebruiker wordt
de desbetreffende deelgenoot toegerekend.
4.4.
In de leveringsakte van 30 juni 2022 van [perceelnummer 5] is dezelfde beheersregeling opgenomen als voor [perceelnummer 4] . Voor de mandelige percelen geldt dus hetzelfde.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat deze regeling dient te worden aangemerkt als een beheersregeling zoals bedoeld in artikel 3:168 BW. De bepalingen zien immers op het gebruik en beheer van [perceelnummer 4] respectievelijk [perceelnummer 5] . Voor zover er tussen partijen discussie zou zijn over de inhoud van deze bepalingen, dient de uitleg daarvan te geschieden volgens de zogeheten cao-norm. Dit betekent dat er een strikte benadering moet worden gevolgd waarbij de letterlijke tekst van belang is en niet de bedoeling van partijen. De reden hiervan is dat de uitwerking van de beheersregeling niet alleen ziet op de verhouding tussen de partijen.
Uit de tekst van de beheersregelingen volgt dat de mandelige percelen gebruikt mogen worden als pad om met een auto of met een ander voertuig, te komen van en te gaan naar de openbare weg. Ander gebruik van het pad wordt niet genoemd. Hieruit volgt dat er op de mandelige percelen niet geparkeerd mag worden.
De mandelige percelen mogen evenmin gebruikt worden voor opslag. Dat volgt uit het omschreven gebruik in de regelingen. Het staat daarnaast expliciet genoemd; iedere mandelige eigenaar moet het mandelige perceel vrij laten en het mag uitdrukkelijk niet worden gebruikt als opslagterrein.
4.6.
[verweerders] en [verzoeker] mogen dus niet op de mandelige percelen parkeren en daarop geen spullen opslaan, terwijl het vast staat dat [verweerders] dat wel doet. Het onder I. verzochte verbod wordt daarom toegewezen. De verzochte dwangsom is ook toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet om deze te matigen tot € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.
4.7.
Het verzoek van [verzoeker] om [verweerders] te bevelen de gestorte grond te verwijderen en verwijderd te houden (verzoek II) zal ook worden toegewezen. De mandelige percelen mogen enkel worden gebruikt als pad om met een auto of met een ander voertuig, te komen van en te gaan naar de openbare weg. Het ophogen van een deel van [perceelnummer 4] met grond en het daarna inzaaien met gras, leidt ertoe dat dit gedeelte van het mandelige perceel feitelijk niet meer kan worden gebruikt als pad. Het is hierdoor namelijk niet langer mogelijk om er op een veilige wijze overheen te rijden met een voertuig. [verweerders] heeft dan ook gehandeld in strijd met het in de regeling vastgelegde gebruik en beheer van dit perceel. Niet is gebleken dat hiervoor door (de vader van) [verzoeker] toestemming is gegeven. De kantonrechter stelt de termijn om deze werkzaamheden uit te voeren op zes weken na betekening van het vonnis. Als [verweerders] binnen deze termijn de werkzaamheden niet uitvoert, dan moet hij een dwangsom betalen van € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.
4.8.
[verzoeker] verzoekt om [verweerders] te bevelen al het noodzakelijke onderhoud van de mandelige percelen te verrichten in de even jaren (verzoek IV). Het klopt dat deze verplichting volgt uit de beheersregelingen, waarin kortgezegd staat dat de mandelige zaak op kosten van de deelgenoten wordt onderhouden en gereinigd. Het onderhoud van de mandelige percelen moet in het even jaar worden gedaan door de eigenaar van [perceelnummer 2] en in het oneven jaar door de eigenaar van [perceelnummer 1] . [verzoeker] heeft echter niet duidelijk gemaakt waar dit onderhoud in haar ogen uit bestaat en dit ook niet nader gespecificeerd. Het verzoek zal daarom als onvoldoende bepaald worden afgewezen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verbiedt [verweerders] en zijn hulppersonen met voertuigen te parkeren op de mandelige percelen, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] [perceelnummer 4] en [kadastrale gegevens] [perceelnummer 5] dan wel deze percelen te gebruiken voor de opslag van andere goederen en/of zaken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat [verweerders] niet aan dit verbod voldoet, met een maximum van € 10.000,-;
5.2.
beveelt [verweerders] om binnen een termijn van 6 weken na betekening van dit vonnis de gestorte grond -zichtbaar op de foto’s van productie 17- te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, met een maximum van € 10.000,-;
5.3.
beveelt [verweerders] om binnen een termijn van 3 maanden na betekening van dit vonnis de schade aan het pad zoals is weergegeven op de aan dit vonnis gehechte bijlagen, op zijn kosten en op professionele wijze te laten herstellen, op straffe van een dwangsom van
€ 250,- per dag dat [verweerders] niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 10.000,-;
5.4.
verleent [verzoeker] een machtiging om een automatische poortopener te plaatsen;
5.5.
veroordeelt [verweerders] in de proceskosten van € 677,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verweerders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verweerders] ook de kosten van betekening betalen;
5.6.
veroordeelt [verweerders] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
Beoordeling
4.9.
Het verzoek van [verzoeker] om [verweerders] te bevelen de schade aan de (mandelige) toegangspoort op zijn kosten en op professionele wijze te laten herstellen (verzoek V) zal de kantonrechter afwijzen. Tussen partijen is niet in geschil dat de toegangspoort is beschadigd. [verzoeker] stelt dat deze schade is veroorzaakt doordat iemand die bij [verweerders] aan het bouwen was met een trailer tegen de poort is gereden. Hiervan is door [verzoeker] per e-mail van
27 maart 2024 bij [verweerders] melding gemaakt. [verweerders] voert aan dat het gaat om een poort van dertig jaar oud en dat de poort in 2017 al beschadigd was. Daar komt bij dat [verzoeker] zelf ook jaren heeft gebouwd en de schade ook toen kan zijn ontstaan. [verzoeker] heeft haar standpunt dat de schade aan de poort is veroorzaakt door hulppersonen die door [verweerders] zijn ingeschakeld onvoldoende onderbouwd. Het sturen van een e-mail waarin staat dat dit is gebeurd met een trailer van iemand die door [verweerders] is ingehuurd in verband met bouwwerkzaamheden is hiervoor -gezien het verweer van [verweerders] - onvoldoende.
4.10.
Verder verzoekt [verzoeker] om te bevelen dat [verweerders] de schade aan het (mandelige) pad op zijn kosten en op professionele wijze laat herstellen (verzoek VI). [verzoeker] stelt dat het pad in april 2023 netjes door haar is bestraat. Na die tijd is er in opdracht van [verweerders] nog groot materieel overheen gereden vanwege de bouw van de praktijkruimte van [verweerders] . Daartegenover voert [verweerders] aan dat [verzoeker] na het bestraten van het pad tuinwerkzaamheden heeft verricht en dat er ook regelmatig bussen met materiaal van en naar de woning van [verzoeker] rijden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] haar verzoek tot herstel van de schade aan het grootste deel van het pad daarmee onvoldoende onderbouwd, gelet op het verweer van [verweerders] . Niet valt uit te sluiten dat de schade aan dat deel van het pad niet door [verweerders] of door hulppersonen die door [verweerders] zijn ingehuurd, is veroorzaakt. Voor een deel ligt dat evenwel anders. Aan de kant van de poort is het pad breder dan aan de kant van de woning van [verzoeker] . De strook aan de linkerzijde van het pad -gezien vanaf de woning van [verzoeker] - is beschadigd, zoals op de foto’s (productie 29 bij dagvaarding) die als bijlagen aan dit vonnis zijn gehecht, is te zien. Dit gedeelte is niet het doorgaande deel van het pad. Gelet op de ligging van deze strook, concludeert de kantonrechter dat [verzoeker] daar niet rijdt, zoals zij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld. [verweerders] onderbouwt ook niet dat [verzoeker] daar met (groot) materiaal heeft gestaan of gereden. Dit deel van het pad zal dan ook door [verweerders] hersteld moeten worden, binnen een termijn van drie maanden na betekening van het vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.
4.11.
Ook verzoekt [verzoeker] [verweerders] te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het plaatsen van een automatische poortopener op het hek (verzoek III). Voor zover [verzoeker] zich daarbij beroept op nakoming van een afspraak die tussen [naam] en [verzoeker] is vastgelegd in de leveringsakte van 24 mei 2017 gaat dit beroep niet op. Deze afspraak hoeft [verweerders] niet na te komen. Hij was immers geen partij bij deze overeenkomst en [verweerders] kan evenmin worden aangemerkt als rechtsopvolger van [naam] . Subsidiair vraagt [verzoeker] een regeling vast te stellen op grond van artikel 3:168 BW die inhoudt dat er een automatische poortopener moet komen. [verweerders] voert hiertegen aan dat het gaat om uitbreiding van de poort, zodat het niet onder de werking van artikel 3:168 BW valt. De kantonrechter gaat aan het standpunt van [verweerders] voorbij. Het verzoek gaat namelijk niet over een uitbreiding, maar over het gebruik van een mandelige zaak.
4.12.
Uit de wet volgt dat de kantonrechter een regeling kan treffen en daarbij rekening moet houden met zowel de belangen van partijen als het algemeen belang. Vaststaat dat beide partijen gebruik maken van de poort en dat het slot van de poort niet werkt. De kantonrechter gaat voorbij aan de bezwaren van [verweerders] dat het plaatsen van een poortopener mogelijk leidt tot discussies en pestgedrag. Nog daargelaten dat niet vaststaat dat dit gedrag zich voor zal doen, hebben beide partijen belang bij een goed werkend slot op het hek, ook in het kader van de veiligheid. Niet valt in te zien dat het risico op discussies dan wel pestgedrag met de komst van een automatische poortopener (significant) wordt vergroot. Het belang van [verzoeker] bij een goed werkend slot en het algemene veiligheidsbelang wegen zwaarder dan de bezwaren van [verweerders] . Gelet hierop verleent de kantonrechter een machtiging aan [verzoeker] om deze poortopener zonder toestemming van [verweerders] te plaatsen. De kantonrechter vertrouwt er op dat partijen elkaar, ook bij de komst van een automatische poortopener, onbelemmerd toegang tot de mandelige percelen blijven geven.
4.13.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [verzoeker] geen belang meer bij het vaststellen van een regeling in de zin van artikel 3:168 BW zoals is verzocht onder VII. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
4.14.
Op dit moment is er sprake van mandelige percelen, waarvoor een beheersregeling geldt. In deze kwestie is ook een handelszaak aanhangig (de oorspronkelijke vordering in reconventie in deze zaak). Die procedure heeft betrekking op de vraag of de mandelige percelen moeten worden verdeeld (en de mandeligheid en de beheersregeling daarmee eindigen). De uitkomst in die procedure is er op dit moment niet, maar maakt de huidige situatie, en verplichtingen van partijen op dit moment, niet anders. Om die reden ziet de kantonrechter geen aanleiding om deze zaak aan te houden tot in de handelszaak een beslissing is genomen.
4.15.
[verweerders] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × tarief € 271,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
677,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beoordeling
4.9.
Het verzoek van [verzoeker] om [verweerders] te bevelen de schade aan de (mandelige) toegangspoort op zijn kosten en op professionele wijze te laten herstellen (verzoek V) zal de kantonrechter afwijzen. Tussen partijen is niet in geschil dat de toegangspoort is beschadigd. [verzoeker] stelt dat deze schade is veroorzaakt doordat iemand die bij [verweerders] aan het bouwen was met een trailer tegen de poort is gereden. Hiervan is door [verzoeker] per e-mail van
27 maart 2024 bij [verweerders] melding gemaakt. [verweerders] voert aan dat het gaat om een poort van dertig jaar oud en dat de poort in 2017 al beschadigd was. Daar komt bij dat [verzoeker] zelf ook jaren heeft gebouwd en de schade ook toen kan zijn ontstaan. [verzoeker] heeft haar standpunt dat de schade aan de poort is veroorzaakt door hulppersonen die door [verweerders] zijn ingeschakeld onvoldoende onderbouwd. Het sturen van een e-mail waarin staat dat dit is gebeurd met een trailer van iemand die door [verweerders] is ingehuurd in verband met bouwwerkzaamheden is hiervoor -gezien het verweer van [verweerders] - onvoldoende.
4.10.
Verder verzoekt [verzoeker] om te bevelen dat [verweerders] de schade aan het (mandelige) pad op zijn kosten en op professionele wijze laat herstellen (verzoek VI). [verzoeker] stelt dat het pad in april 2023 netjes door haar is bestraat. Na die tijd is er in opdracht van [verweerders] nog groot materieel overheen gereden vanwege de bouw van de praktijkruimte van [verweerders] . Daartegenover voert [verweerders] aan dat [verzoeker] na het bestraten van het pad tuinwerkzaamheden heeft verricht en dat er ook regelmatig bussen met materiaal van en naar de woning van [verzoeker] rijden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] haar verzoek tot herstel van de schade aan het grootste deel van het pad daarmee onvoldoende onderbouwd, gelet op het verweer van [verweerders] . Niet valt uit te sluiten dat de schade aan dat deel van het pad niet door [verweerders] of door hulppersonen die door [verweerders] zijn ingehuurd, is veroorzaakt. Voor een deel ligt dat evenwel anders. Aan de kant van de poort is het pad breder dan aan de kant van de woning van [verzoeker] . De strook aan de linkerzijde van het pad -gezien vanaf de woning van [verzoeker] - is beschadigd, zoals op de foto’s (productie 29 bij dagvaarding) die als bijlagen aan dit vonnis zijn gehecht, is te zien. Dit gedeelte is niet het doorgaande deel van het pad. Gelet op de ligging van deze strook, concludeert de kantonrechter dat [verzoeker] daar niet rijdt, zoals zij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld. [verweerders] onderbouwt ook niet dat [verzoeker] daar met (groot) materiaal heeft gestaan of gereden. Dit deel van het pad zal dan ook door [verweerders] hersteld moeten worden, binnen een termijn van drie maanden na betekening van het vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.
4.11.
Ook verzoekt [verzoeker] [verweerders] te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het plaatsen van een automatische poortopener op het hek (verzoek III). Voor zover [verzoeker] zich daarbij beroept op nakoming van een afspraak die tussen [naam] en [verzoeker] is vastgelegd in de leveringsakte van 24 mei 2017 gaat dit beroep niet op. Deze afspraak hoeft [verweerders] niet na te komen. Hij was immers geen partij bij deze overeenkomst en [verweerders] kan evenmin worden aangemerkt als rechtsopvolger van [naam] . Subsidiair vraagt [verzoeker] een regeling vast te stellen op grond van artikel 3:168 BW die inhoudt dat er een automatische poortopener moet komen. [verweerders] voert hiertegen aan dat het gaat om uitbreiding van de poort, zodat het niet onder de werking van artikel 3:168 BW valt. De kantonrechter gaat aan het standpunt van [verweerders] voorbij. Het verzoek gaat namelijk niet over een uitbreiding, maar over het gebruik van een mandelige zaak.
4.12.
Uit de wet volgt dat de kantonrechter een regeling kan treffen en daarbij rekening moet houden met zowel de belangen van partijen als het algemeen belang. Vaststaat dat beide partijen gebruik maken van de poort en dat het slot van de poort niet werkt. De kantonrechter gaat voorbij aan de bezwaren van [verweerders] dat het plaatsen van een poortopener mogelijk leidt tot discussies en pestgedrag. Nog daargelaten dat niet vaststaat dat dit gedrag zich voor zal doen, hebben beide partijen belang bij een goed werkend slot op het hek, ook in het kader van de veiligheid. Niet valt in te zien dat het risico op discussies dan wel pestgedrag met de komst van een automatische poortopener (significant) wordt vergroot. Het belang van [verzoeker] bij een goed werkend slot en het algemene veiligheidsbelang wegen zwaarder dan de bezwaren van [verweerders] . Gelet hierop verleent de kantonrechter een machtiging aan [verzoeker] om deze poortopener zonder toestemming van [verweerders] te plaatsen. De kantonrechter vertrouwt er op dat partijen elkaar, ook bij de komst van een automatische poortopener, onbelemmerd toegang tot de mandelige percelen blijven geven.
4.13.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [verzoeker] geen belang meer bij het vaststellen van een regeling in de zin van artikel 3:168 BW zoals is verzocht onder VII. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
4.14.
Op dit moment is er sprake van mandelige percelen, waarvoor een beheersregeling geldt. In deze kwestie is ook een handelszaak aanhangig (de oorspronkelijke vordering in reconventie in deze zaak). Die procedure heeft betrekking op de vraag of de mandelige percelen moeten worden verdeeld (en de mandeligheid en de beheersregeling daarmee eindigen). De uitkomst in die procedure is er op dit moment niet, maar maakt de huidige situatie, en verplichtingen van partijen op dit moment, niet anders. Om die reden ziet de kantonrechter geen aanleiding om deze zaak aan te houden tot in de handelszaak een beslissing is genomen.
4.15.
[verweerders] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × tarief € 271,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
677,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.