Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:9606
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
13,124 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10842312 CV EXPL 23-3900
Vonnis van 4 december 2024
in de zaak van
1 [de VOF] ,
te [plaats 2] ,
alsmede haar vennoten:2. [vennoot 1],
te [plaats 1] ,3. [vennoot 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. G.A.M. Boshuizen-Otto, werkzaam bij ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
[partij 2]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: mr. A.P.E. de Brouwer.
Procesverloop
1.1.
Voor het verloop van de procedure verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis van 13 maart 2024 en de daarin genoemde processtukken. In dat tussenvonnis is een mondelinge behandeling gelast. Ten behoeve hiervan zijn de volgende processtukken ontvangen:
akte wijziging/vermeerdering van eis in reconventie;
Conclusie
de aanvullende producties 12 tot en met 19 van [partij 2] .
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de op 15 augustus 2024 gehouden mondelinge behandeling. Mr. de Brouwer heeft daarnaast spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter uitspraak bepaald.
Feiten
2.1.
[partij 1] huurt sinds 1 december 2000 de horecaruimte aan [adres] (hierna: het gehuurde) te [plaats 2] van [partij 2] .
2.2.
De huur bedraagt thans € 14.501,98 per maand.
2.3.
[partij 1] exploiteerde in het gehuurde een horecagelegenheid.
2.4.
[partij 2] heeft in een eerdere procedure de kantonrechter verzocht het tijdstip te bepalen waarop de huurovereenkomst eindigt. [partij 1] heeft hiertegen verweer gevoerd en de kantonrechter heeft het verzoek van [partij 2] afgewezen. [partij 2] heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. [partij 2] heeft bij e-mailbericht van 27 november 2023 gericht aan [partij 1] de huuropzegging ingetrokken en op de mondelinge behandeling van 1 december 2023 bij het gerechtshof haar vorderingen ingetrokken.
Geschil
in conventie
3.1.
[partij 1] vordert, na vermeerdering van eis, -samengevat- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst met betrekking tot [adres] te [plaats 2] ingaande 1 december 2023 is geëindigd;
de huurovereenkomst te wijzigen voor de periode van medio februari 2020 tot en met februari 2022, althans van medio maart 2020 tot en met januari 2022, in die zin dat de huurprijs tijdelijk verlaagd wordt met een bedrag van € 53.679,16 althans € 53.252,47, althans een door de kantonrechter te bepalen huurkorting;
[partij 2] te veroordelen tot betaling van € 53.679,16, althans € 53.252,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2022 tot het moment van volledige voldoening;
[partij 2] te veroordelen tot betaling van € 1.307,52 aan buitengerechtelijke incassokosten;
[partij 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
[partij 1] legt aan haar vorderingen -samengevat- het volgende ten grondslag. Nadat [partij 1] had besloten de exploitatie van het restaurant per 26 november 2023 te staken en dit via diverse (media) kanalen had aangekondigd, heeft [partij 2] hierop gereageerd door de opzegging van de huurovereenkomst in te trekken. Door stilzwijgend gevolg te geven aan deze huuropzegging heeft [partij 1] de beëindiging van de huur op 26 dan wel 27 december 2023 geaccepteerd. [partij 2] heeft misbruik van recht en bevoegdheid gemaakt door de huuropzegging daarop in te trekken.
[partij 1] heeft op 15 maart 2020 haar onderneming, vanwege de overheidsmaatregelen die werden ingevoerd om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, tijdelijk moeten sluiten. [partij 1] heeft door deze maatregelen omzetverlies geleden. Omdat [partij 2] weigerde huurkorting te verlenen, is [partij 1] de volledige huurprijs blijven betalen. [partij 1] maakt nu alsnog aanspraak op huurkorting over de periode februari 2020 tot en met februari 2022.
3.3.
[partij 2] voert -samengevat- het volgende verweer. [partij 2] betwist dat de huurovereenkomst in december 2023 is geëindigd. Ook betwist [partij 2] dat [partij 1] recht heeft op huurkorting. [partij 1] heeft weliswaar een berekening overgelegd van de gewenste huurkorting maar deze berekening is onjuist. De periodes waarover de huurprijskorting wordt gevorderd kloppen niet, de gehanteerde vaste lasten zijn niet juist en de berekening bevat rekenfouten. Daarnaast is de financiële onderbouwing niet betrouwbaar. De jaarstukken zijn niet getekend en ook niet gecontroleerd door een boekhouder dan wel een accountant. Verschillende bedragen in de berekening zijn niet te herleiden naar de in het geding gebrachte financiële stukken. Tot slot zijn over het jaar 2022 geen jaarstukken overgelegd. Dit maakt dat de vordering als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen.
in reconventie
3.4.
[partij 2] vordert, na wijziging en vermeerdering van eis, -samengevat- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de huurovereenkomst tussen partijen betreffende het bedrijfspand gelegen aan de [adres] te [plaats 2] te ontbinden, althans ontbonden te verklaren;
alsmede [partij 1] , hoofdelijk, te veroordelen tot:
het ontruimen en ontruimd houden van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats 2] met al het hunne en de hunnen met overgave van de sleutels aan [partij 2] , binnen veertien dagen na betekening van het vonniste;
betaling van € 116.015,84, te vermeerderen met handelsrente;
betaling per 1 juli 2024 van € 14.501,98 per maand, per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering en te vermeerderen met handelsrente tot de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
betaling per 1 juli 2024 van € 14.501,98 per maand, per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering en te vermeerderen met handelsrente per datum ontbinding van de huurovereenkomst totdat [partij 1] het gehuurde hebben ontruimd onder overhandiging van alle sleutels;
vergoeding van de gemiste huurinkomsten van € 14.501,98 per maand, per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering totdat sprake is van wederverhuur en uiterlijk tot 1 december 2025;
betaling van € 13.050,00 te vermeerderen met 2% per maand van het totaal verschuldigde met een minimum van € 113,45 per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt;
betaling van € 4.372,69, te vermeerderen met handelsrente vanaf 6 februari 2024;
betaling van € 393,00 per maand vanaf 1 februari 2024, te vermeerderen met handelsrente;
betaling van de kosten van deze procedure.
3.5.
[partij 2] legt aan haar vorderingen -samengevat- ten grondslag dat [partij 1] tekort schiet in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarnaast weigert [partij 1] de exploitatie van het restaurant weer op te starten. Voorts komt [partij 1] haar onderhoudsverplichtingen van het gehuurde niet na. Deze tekortkomingen rechtvaardigen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de het gehuurde.
3.6.
[partij 1] voert -kortgezegd- het volgende verweer. [partij 1] betwist dat de huurovereenkomst na 1 december 2023 door is blijven lopen. De huuropzegging door [partij 2] is stilzwijgend door [partij 1] geaccepteerd door haar bedrijfsvoering op
26 november 2023 te staken. Omdat [partij 2] daarna aanvankelijk zowel het nakomen van de huurovereenkomst als het hervatten van de exploitatie van het restaurant vorderde, kon [partij 1] niet overgaan tot ontruiming van het gehuurde. De huur en schade is dan ook niet verschuldigd vanaf 1 december 2023.
Beoordeling
in conventie
4.1.
Anders dan [partij 1] betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat de [partij 1] geen recht heeft op een huurkorting van € 53.679,16 over de periode medio februari 2020 tot en met februari 2022 dan wel enig ander bedrag over een andere (kortere) periode. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Ter zitting is gebleken dat de jaarstukken van [partij 1] nog niet definitief zijn. De jaarrekeningen bevatten voorlopige stukken terwijl er inmiddels een aantal jaar is verstreken. Naar de kantonrechter begrijpt heeft de boekhouder van [partij 1] op 26 augustus 2022 een aantal stukken opgemaakt en ondertekend. Uit de toelichting bij deze stukken blijkt dat de genoemde bedragen zijn overgenomen uit de jaarrekeningen en/of de voorlopige cijfers. De boekhouder heeft dan ook niet verklaard dat hij de cijfers heeft gecontroleerd. Dit maakt derhalve niet dat de cijfers objectief en betrouwbaar zijn. Daar komt bij dat de gemachtigde van [partij 1] ter zitting zelf heeft verklaard dat in het overzicht ‘vaste lasten op jaarbasis’ ten onrechte de loonkosten als vaste lasten zijn aangemerkt. Verder heeft [partij 2] in haar conclusie van antwoord uitvoerig ten aanzien van verschillende financiële gegevens onderbouwd aangegeven op welke punten deze gegevens onjuistheden bevatten. [partij 1] heeft nagelaten een nieuwe berekening over te leggen ondanks dit gemotiveerde verweer van [partij 2] .
4.2.
Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt [partij 1] de stelplicht (en bewijslast) voor de feiten die zij aan haar vordering ten grondslag legt. Zij dient dan ook voldoende feiten en/of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat zij aanspraak zou kunnen maken op huurkorting. De stelplicht houdt ook in, dat [partij 1] gemotiveerd moet ingaan op de met documenten onderbouwde feiten en stellingen van [partij 2] . Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij 1] niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter niet toekomt aan het geven van een bewijsopdracht. Het verzoek van [partij 1] om in de gelegenheid te worden gesteld om een nadere akte te mogen nemen om een aangepaste berekening van de huurkorting in het geding te brengen wordt mede om die reden gepasseerd. Dit betekent dat de huurovereenkomst niet wordt aangepast en de gevorderde huurprijsvermindering wordt afgewezen.
4.3.
De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat de huurovereenkomst niet per 1 december 2023 is geëindigd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
Het beroep van [partij 1] dat [partij 2] misbruik van het recht heeft gemaakt door de aanvankelijke opzegging van de huurovereenkomst in te trekken slaagt niet. Niet vast is komen te staan dat [partij 1] [partij 2] voorafgaand aan de intrekking van de huuropzegging op de hoogte heeft gebracht van de bedrijfsbeëindiging. Het feit dat hierover in de Internetbode [plaats 2] een bericht heeft gestaan is hiervoor niet voldoende. Nadat [partij 1] niet reageerde op een aanbod van 10 november 2023 om de huurovereenkomst onder voorwaarden voort te zetten, heeft [partij 2] besloten de huuropzegging in te trekken. Daarnaast houdt ook de stelling dat [partij 2] de huuropzegging heeft ingetrokken omdat [partij 1] een vordering tot huurprijsvermindering zou hebben ingediend geen stand. De datum van de uitgebrachte dagvaarding ligt namelijk na het moment van het intrekken van de huuropzegging. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat [partij 2] misbruik heeft gemaakt van het recht en niet in redelijkheid tot intrekking van de huurovereenkomst kon overgaan.
4.5.
Niet is gebleken dat tussen partijen een overeenkomst tot beëindiging van die huurovereenkomst tot stand is gekomen, althans daartoe heeft [partij 1] onvoldoende aangevoerd. Hoewel een dergelijke overeenkomst ook stilzwijgend tot stand kan komen, zijn er in dit geval onvoldoende omstandigheden gesteld om ervan uit te gaan dat de wil van partijen erop was gericht om de huurovereenkomst met betrekking tot het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats 2] te laten eindigen. Dat [partij 1] haar bedrijfsvoering per 26 november 2023 heeft gestaakt zou kunnen duiden op een stilzwijgende overeenkomst tot beëindiging van de huurovereenkomst maar daar staat het volgende tegenover. Per e-mail van 27 november 2023 heeft [partij 2] haar brief waarin zij de huuropzegging intrekt aan [partij 1] en haar toenmalig gemachtigde toegezonden. Diezelfde brief is de volgende dag per deurwaardersexploot betekend. Op 29 november 2023 is [partij 1] gesommeerd om de exploitatie van de onderneming in het gehuurde binnen 48 uur te hervatten. Dit duidt niet op een stilzwijgende overeenkomst. [partij 1] heeft de sleutels van het bedrijfspand bovendien niet afgegeven aan [partij 2] en het bedrijfspand niet geheel ontruimd. Verder staat de onderneming nog steeds te koop op de hiervoor genoemde locatie. Daar komt bij dat de toenmalig gemachtigde van [partij 1] tijdens de mondelinge behandeling bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 1 december 2023 in zijn pleitaantekeningen heeft betwist dat [partij 1] haar bedrijfsvoering heeft gestaakt en het bedrijfspand heeft ontruimd. Dat dit pleidooi -zoals door [partij 1] is aangevoerd- zou zijn gehouden in een andere context kan niet leiden tot een ander oordeel. De onder a. gevorderde verklaring voor recht kan dan ook niet worden uitgesproken.
4.6.
Gelet op het voorgaande zijn de vorderingen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten evenmin toewijsbaar.
in reconventie
4.7.
In conventie is vast komen te staan dat de huurovereenkomst niet per 1 december 2023 is geëindigd. De huurovereenkomst is dus blijven bestaan na 1 december 2023. Niet weersproken is dat [partij 1] vanaf december 2023 geen huur meer heeft betaald. [partij 2] vordert betaling van een huurachterstand van 8 maanden (december 2023 tot en met juli 2024) ter hoogte van € 116.015,84. Dit bedrag zal worden toegewezen.
4.8.
Uit de wet volgt dat iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt. De kantonrechter zal de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het bedrijfspand toewijzen. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
4.9.
De hoogte van de huurachterstand (meer dan drie maanden huur) ten tijde van de mondelinge behandeling vormt een tekortkoming die ontbinding en ontruiming in dit geval rechtvaardigt. Gelet op de hoogte van de huurachterstand, waarbij de huurachterstand elke maand toeneemt, kan van [partij 2] niet worden gevergd dat zij de huurovereenkomst nog langer laat voortduren.
4.10.
Nu de huurovereenkomst zal worden ontbonden, wordt [partij 1] veroordeeld om het bedrijfspand binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.
4.11.
[partij 2] vordert (door)betaling van de huur per 1 juli 2024. De kantonrechter begrijpt gelet op de hoogte van de huurachterstand en het gegeven dat er vanaf december 2023 niet meer is betaald dat er (door)betaling van de huur wordt gevraagd vanaf 1 augustus 2024. De vordering tot betaling van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- te vermeerderen met handelsrente vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, wordt toegewezen.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af:
5.2.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, in de proceskosten van € 1.765,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
5.3.
ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de bedrijfsruimte aan het [adres] te [plaats 2] ;
5.4.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis het gehuurde met afgifte van de sleutels aan [partij 2] , met al het hunne en de hunnen te ontruimen en ontruimd te houden;
5.5.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, om aan [partij 2] te betalen:
een bedrag van € 116.015,84 aan achterstallige huur;
een bedrag van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- vanaf 1 augustus 2024 vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;
een bedrag van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst tot de dag van ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen vanaf verzuim tot aan de dag van volledige betaling;
5.6.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling aan [partij 2] van een schadevergoeding van drie huurtermijnen van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- en voor het overige nader op te maken bij staat;
5.7.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling van € 2.320,00 aan boetes;
5.8.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling van € 4.372,69 aan verzekeringspremies, ter vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.9.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling van € 393,00 per maand vanaf 1 februari 2024 tot de dag van ontbinding van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling;
5.10.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, in de proceskosten van € 950,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in conventie en in reconventie
5.12.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling van de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.13.
verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Borm en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10842312 CV EXPL 23-3900
Vonnis van 4 december 2024
in de zaak van
1 [de VOF] ,
te [plaats 2] ,
alsmede haar vennoten:2. [vennoot 1],
te [plaats 1] ,3. [vennoot 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. G.A.M. Boshuizen-Otto, werkzaam bij ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
[partij 2]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: mr. A.P.E. de Brouwer.
Procesverloop
1.1.
Voor het verloop van de procedure verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis van 13 maart 2024 en de daarin genoemde processtukken. In dat tussenvonnis is een mondelinge behandeling gelast. Ten behoeve hiervan zijn de volgende processtukken ontvangen:
akte wijziging/vermeerdering van eis in reconventie;
Conclusie
de aanvullende producties 12 tot en met 19 van [partij 2] .
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de op 15 augustus 2024 gehouden mondelinge behandeling. Mr. de Brouwer heeft daarnaast spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter uitspraak bepaald.
Feiten
2.1.
[partij 1] huurt sinds 1 december 2000 de horecaruimte aan [adres] (hierna: het gehuurde) te [plaats 2] van [partij 2] .
2.2.
De huur bedraagt thans € 14.501,98 per maand.
2.3.
[partij 1] exploiteerde in het gehuurde een horecagelegenheid.
2.4.
[partij 2] heeft in een eerdere procedure de kantonrechter verzocht het tijdstip te bepalen waarop de huurovereenkomst eindigt. [partij 1] heeft hiertegen verweer gevoerd en de kantonrechter heeft het verzoek van [partij 2] afgewezen. [partij 2] heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. [partij 2] heeft bij e-mailbericht van 27 november 2023 gericht aan [partij 1] de huuropzegging ingetrokken en op de mondelinge behandeling van 1 december 2023 bij het gerechtshof haar vorderingen ingetrokken.
Geschil
in conventie
3.1.
[partij 1] vordert, na vermeerdering van eis, -samengevat- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst met betrekking tot [adres] te [plaats 2] ingaande 1 december 2023 is geëindigd;
de huurovereenkomst te wijzigen voor de periode van medio februari 2020 tot en met februari 2022, althans van medio maart 2020 tot en met januari 2022, in die zin dat de huurprijs tijdelijk verlaagd wordt met een bedrag van € 53.679,16 althans € 53.252,47, althans een door de kantonrechter te bepalen huurkorting;
[partij 2] te veroordelen tot betaling van € 53.679,16, althans € 53.252,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2022 tot het moment van volledige voldoening;
[partij 2] te veroordelen tot betaling van € 1.307,52 aan buitengerechtelijke incassokosten;
[partij 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
[partij 1] legt aan haar vorderingen -samengevat- het volgende ten grondslag. Nadat [partij 1] had besloten de exploitatie van het restaurant per 26 november 2023 te staken en dit via diverse (media) kanalen had aangekondigd, heeft [partij 2] hierop gereageerd door de opzegging van de huurovereenkomst in te trekken. Door stilzwijgend gevolg te geven aan deze huuropzegging heeft [partij 1] de beëindiging van de huur op 26 dan wel 27 december 2023 geaccepteerd. [partij 2] heeft misbruik van recht en bevoegdheid gemaakt door de huuropzegging daarop in te trekken.
[partij 1] heeft op 15 maart 2020 haar onderneming, vanwege de overheidsmaatregelen die werden ingevoerd om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, tijdelijk moeten sluiten. [partij 1] heeft door deze maatregelen omzetverlies geleden. Omdat [partij 2] weigerde huurkorting te verlenen, is [partij 1] de volledige huurprijs blijven betalen. [partij 1] maakt nu alsnog aanspraak op huurkorting over de periode februari 2020 tot en met februari 2022.
3.3.
[partij 2] voert -samengevat- het volgende verweer. [partij 2] betwist dat de huurovereenkomst in december 2023 is geëindigd. Ook betwist [partij 2] dat [partij 1] recht heeft op huurkorting. [partij 1] heeft weliswaar een berekening overgelegd van de gewenste huurkorting maar deze berekening is onjuist. De periodes waarover de huurprijskorting wordt gevorderd kloppen niet, de gehanteerde vaste lasten zijn niet juist en de berekening bevat rekenfouten. Daarnaast is de financiële onderbouwing niet betrouwbaar. De jaarstukken zijn niet getekend en ook niet gecontroleerd door een boekhouder dan wel een accountant. Verschillende bedragen in de berekening zijn niet te herleiden naar de in het geding gebrachte financiële stukken. Tot slot zijn over het jaar 2022 geen jaarstukken overgelegd. Dit maakt dat de vordering als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen.
in reconventie
3.4.
[partij 2] vordert, na wijziging en vermeerdering van eis, -samengevat- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de huurovereenkomst tussen partijen betreffende het bedrijfspand gelegen aan de [adres] te [plaats 2] te ontbinden, althans ontbonden te verklaren;
alsmede [partij 1] , hoofdelijk, te veroordelen tot:
het ontruimen en ontruimd houden van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats 2] met al het hunne en de hunnen met overgave van de sleutels aan [partij 2] , binnen veertien dagen na betekening van het vonniste;
betaling van € 116.015,84, te vermeerderen met handelsrente;
betaling per 1 juli 2024 van € 14.501,98 per maand, per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering en te vermeerderen met handelsrente tot de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
betaling per 1 juli 2024 van € 14.501,98 per maand, per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering en te vermeerderen met handelsrente per datum ontbinding van de huurovereenkomst totdat [partij 1] het gehuurde hebben ontruimd onder overhandiging van alle sleutels;
vergoeding van de gemiste huurinkomsten van € 14.501,98 per maand, per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering totdat sprake is van wederverhuur en uiterlijk tot 1 december 2025;
betaling van € 13.050,00 te vermeerderen met 2% per maand van het totaal verschuldigde met een minimum van € 113,45 per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt;
betaling van € 4.372,69, te vermeerderen met handelsrente vanaf 6 februari 2024;
betaling van € 393,00 per maand vanaf 1 februari 2024, te vermeerderen met handelsrente;
betaling van de kosten van deze procedure.
3.5.
[partij 2] legt aan haar vorderingen -samengevat- ten grondslag dat [partij 1] tekort schiet in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarnaast weigert [partij 1] de exploitatie van het restaurant weer op te starten. Voorts komt [partij 1] haar onderhoudsverplichtingen van het gehuurde niet na. Deze tekortkomingen rechtvaardigen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de het gehuurde.
3.6.
[partij 1] voert -kortgezegd- het volgende verweer. [partij 1] betwist dat de huurovereenkomst na 1 december 2023 door is blijven lopen. De huuropzegging door [partij 2] is stilzwijgend door [partij 1] geaccepteerd door haar bedrijfsvoering op
26 november 2023 te staken. Omdat [partij 2] daarna aanvankelijk zowel het nakomen van de huurovereenkomst als het hervatten van de exploitatie van het restaurant vorderde, kon [partij 1] niet overgaan tot ontruiming van het gehuurde. De huur en schade is dan ook niet verschuldigd vanaf 1 december 2023.
Beoordeling
in conventie
4.1.
Anders dan [partij 1] betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat de [partij 1] geen recht heeft op een huurkorting van € 53.679,16 over de periode medio februari 2020 tot en met februari 2022 dan wel enig ander bedrag over een andere (kortere) periode. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Ter zitting is gebleken dat de jaarstukken van [partij 1] nog niet definitief zijn. De jaarrekeningen bevatten voorlopige stukken terwijl er inmiddels een aantal jaar is verstreken. Naar de kantonrechter begrijpt heeft de boekhouder van [partij 1] op 26 augustus 2022 een aantal stukken opgemaakt en ondertekend. Uit de toelichting bij deze stukken blijkt dat de genoemde bedragen zijn overgenomen uit de jaarrekeningen en/of de voorlopige cijfers. De boekhouder heeft dan ook niet verklaard dat hij de cijfers heeft gecontroleerd. Dit maakt derhalve niet dat de cijfers objectief en betrouwbaar zijn. Daar komt bij dat de gemachtigde van [partij 1] ter zitting zelf heeft verklaard dat in het overzicht ‘vaste lasten op jaarbasis’ ten onrechte de loonkosten als vaste lasten zijn aangemerkt. Verder heeft [partij 2] in haar conclusie van antwoord uitvoerig ten aanzien van verschillende financiële gegevens onderbouwd aangegeven op welke punten deze gegevens onjuistheden bevatten. [partij 1] heeft nagelaten een nieuwe berekening over te leggen ondanks dit gemotiveerde verweer van [partij 2] .
4.2.
Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt [partij 1] de stelplicht (en bewijslast) voor de feiten die zij aan haar vordering ten grondslag legt. Zij dient dan ook voldoende feiten en/of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat zij aanspraak zou kunnen maken op huurkorting. De stelplicht houdt ook in, dat [partij 1] gemotiveerd moet ingaan op de met documenten onderbouwde feiten en stellingen van [partij 2] . Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij 1] niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter niet toekomt aan het geven van een bewijsopdracht. Het verzoek van [partij 1] om in de gelegenheid te worden gesteld om een nadere akte te mogen nemen om een aangepaste berekening van de huurkorting in het geding te brengen wordt mede om die reden gepasseerd. Dit betekent dat de huurovereenkomst niet wordt aangepast en de gevorderde huurprijsvermindering wordt afgewezen.
4.3.
De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat de huurovereenkomst niet per 1 december 2023 is geëindigd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
Het beroep van [partij 1] dat [partij 2] misbruik van het recht heeft gemaakt door de aanvankelijke opzegging van de huurovereenkomst in te trekken slaagt niet. Niet vast is komen te staan dat [partij 1] [partij 2] voorafgaand aan de intrekking van de huuropzegging op de hoogte heeft gebracht van de bedrijfsbeëindiging. Het feit dat hierover in de Internetbode [plaats 2] een bericht heeft gestaan is hiervoor niet voldoende. Nadat [partij 1] niet reageerde op een aanbod van 10 november 2023 om de huurovereenkomst onder voorwaarden voort te zetten, heeft [partij 2] besloten de huuropzegging in te trekken. Daarnaast houdt ook de stelling dat [partij 2] de huuropzegging heeft ingetrokken omdat [partij 1] een vordering tot huurprijsvermindering zou hebben ingediend geen stand. De datum van de uitgebrachte dagvaarding ligt namelijk na het moment van het intrekken van de huuropzegging. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat [partij 2] misbruik heeft gemaakt van het recht en niet in redelijkheid tot intrekking van de huurovereenkomst kon overgaan.
4.5.
Niet is gebleken dat tussen partijen een overeenkomst tot beëindiging van die huurovereenkomst tot stand is gekomen, althans daartoe heeft [partij 1] onvoldoende aangevoerd. Hoewel een dergelijke overeenkomst ook stilzwijgend tot stand kan komen, zijn er in dit geval onvoldoende omstandigheden gesteld om ervan uit te gaan dat de wil van partijen erop was gericht om de huurovereenkomst met betrekking tot het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats 2] te laten eindigen. Dat [partij 1] haar bedrijfsvoering per 26 november 2023 heeft gestaakt zou kunnen duiden op een stilzwijgende overeenkomst tot beëindiging van de huurovereenkomst maar daar staat het volgende tegenover. Per e-mail van 27 november 2023 heeft [partij 2] haar brief waarin zij de huuropzegging intrekt aan [partij 1] en haar toenmalig gemachtigde toegezonden. Diezelfde brief is de volgende dag per deurwaardersexploot betekend. Op 29 november 2023 is [partij 1] gesommeerd om de exploitatie van de onderneming in het gehuurde binnen 48 uur te hervatten. Dit duidt niet op een stilzwijgende overeenkomst. [partij 1] heeft de sleutels van het bedrijfspand bovendien niet afgegeven aan [partij 2] en het bedrijfspand niet geheel ontruimd. Verder staat de onderneming nog steeds te koop op de hiervoor genoemde locatie. Daar komt bij dat de toenmalig gemachtigde van [partij 1] tijdens de mondelinge behandeling bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 1 december 2023 in zijn pleitaantekeningen heeft betwist dat [partij 1] haar bedrijfsvoering heeft gestaakt en het bedrijfspand heeft ontruimd. Dat dit pleidooi -zoals door [partij 1] is aangevoerd- zou zijn gehouden in een andere context kan niet leiden tot een ander oordeel. De onder a. gevorderde verklaring voor recht kan dan ook niet worden uitgesproken.
4.6.
Gelet op het voorgaande zijn de vorderingen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten evenmin toewijsbaar.
in reconventie
4.7.
In conventie is vast komen te staan dat de huurovereenkomst niet per 1 december 2023 is geëindigd. De huurovereenkomst is dus blijven bestaan na 1 december 2023. Niet weersproken is dat [partij 1] vanaf december 2023 geen huur meer heeft betaald. [partij 2] vordert betaling van een huurachterstand van 8 maanden (december 2023 tot en met juli 2024) ter hoogte van € 116.015,84. Dit bedrag zal worden toegewezen.
4.8.
Uit de wet volgt dat iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt. De kantonrechter zal de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het bedrijfspand toewijzen. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
4.9.
De hoogte van de huurachterstand (meer dan drie maanden huur) ten tijde van de mondelinge behandeling vormt een tekortkoming die ontbinding en ontruiming in dit geval rechtvaardigt. Gelet op de hoogte van de huurachterstand, waarbij de huurachterstand elke maand toeneemt, kan van [partij 2] niet worden gevergd dat zij de huurovereenkomst nog langer laat voortduren.
4.10.
Nu de huurovereenkomst zal worden ontbonden, wordt [partij 1] veroordeeld om het bedrijfspand binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.
4.11.
[partij 2] vordert (door)betaling van de huur per 1 juli 2024. De kantonrechter begrijpt gelet op de hoogte van de huurachterstand en het gegeven dat er vanaf december 2023 niet meer is betaald dat er (door)betaling van de huur wordt gevraagd vanaf 1 augustus 2024. De vordering tot betaling van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- te vermeerderen met handelsrente vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, wordt toegewezen.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af:
5.2.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, in de proceskosten van € 1.765,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
5.3.
ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de bedrijfsruimte aan het [adres] te [plaats 2] ;
5.4.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis het gehuurde met afgifte van de sleutels aan [partij 2] , met al het hunne en de hunnen te ontruimen en ontruimd te houden;
5.5.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, om aan [partij 2] te betalen:
een bedrag van € 116.015,84 aan achterstallige huur;
een bedrag van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- vanaf 1 augustus 2024 vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;
een bedrag van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst tot de dag van ontruiming van het gehuurde, te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen vanaf verzuim tot aan de dag van volledige betaling;
5.6.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling aan [partij 2] van een schadevergoeding van drie huurtermijnen van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- en voor het overige nader op te maken bij staat;
5.7.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling van € 2.320,00 aan boetes;
5.8.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling van € 4.372,69 aan verzekeringspremies, ter vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.9.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling van € 393,00 per maand vanaf 1 februari 2024 tot de dag van ontbinding van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling;
5.10.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, in de proceskosten van € 950,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in conventie en in reconventie
5.12.
veroordeelt [partij 1] , hoofdelijk, tot betaling van de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.13.
verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Borm en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.
Beoordeling
4.12.
De vordering tot betaling van een bedrag van € 14.501,98 per maand -per
1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst totdat [partij 1] het gehuurde heeft ontruimd, zal ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente is echter niet toewijsbaar over schade. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen.
4.13.
De kantonrechter zal [partij 1] veroordelen tot betaling van een drie huurtermijnen van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- als schadevergoeding. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [partij 2] een schade overeenkomende met drie huurtermijnen lijdt. Voor eventuele verdere toekomstige schade na de periode van drie maanden zal [partij 2] worden verwezen naar de schadestaatprocedure.
4.14.
[partij 2] vordert een contractuele boete van € 13.050,00 te vermeerderen met 2% per maand van het totaal verschuldigde met een minimum van € 113,45 per kalendermaand op grond van artikel 14.2 van de algemene voorwaarden. Anders dan [partij 2] betoogt, is [partij 1] over een achterstallige termijn niet iedere maand een boete van 2% met een minimum van € 113,45 verschuldigd. Het bedrag moet enkelvoudig worden berekend over het totaal aantal huurtermijnen dat open staat. Het boetebeding vormt in die uitleg een voldoende prikkel tot nakoming. Bij een cumulatie van boetes per maand, leidt het boetebeding tot een onredelijk hoog boetebedrag. In zoverre slaagt het verweer van [partij 1] dat de berekening van het boetebedrag onjuist is. De kantonrechter oordeelt dat het opleggen van de boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Door [partij 1] aangevoerde feiten en omstandigheden, kortgezegd dat zij de opzegging van de huurovereenkomst stilzwijgend heeft aanvaard, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De kantonrechter ziet evenmin aanleiding om de bedongen boete te matigen. Matiging is alleen aan de orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Dat is hier niet het geval. Door [partij 1] is niet weersproken dat zij in de periode december 2023 tot en met juli 2024 de huur niet (tijdig) heeft betaald. Het voorgaande betekent dat aan boete een bedrag van € 2.320,00 (8 maal € 290,00) toewijsbaar is.
4.15.
Hetgeen op grond van een boetebeding verschuldigd is, treedt ingevolge artikel
6:92 BW in de plaats van schadevergoeding op grond van de wet. Dat betekent dat nu de gevorderde boeterente wordt toegewezen, er geen grond is voor toewijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente over de te laat betaalde huurtermijnen.
4.16.
Omdat de huurovereenkomst nog loopt, stelt [partij 2] dat [partij 1] het huurdersdeel van de verzekeringen van € 4.372,69 voor het pand dient te betalen. [partij 1] betwist dat zij dit moet betalen. [partij 1] voert dat het gehuurde vanaf 1 januari 2024 niet meer in gebruik was als horecabedrijf en meent dat uit de uit de polissen evenmin blijkt dat een horecatoeslag van toepassing is. Nu de huurovereenkomst vanaf 1 december 2023 is doorgelopen en [partij 1] een restaurant exploiteerde, is de kantonrechter van oordeel dat het gehuurde ook in 2024 nog een horecabestemming had. Verder gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van [partij 1] dat er geen horecatoeslag over het jaar 2024 door haar betaald hoeft te worden, omdat dit niet blijkt uit de overgelegde verzekeringspolissen. Uit de door [partij 2] overgelegde facturen over 2022 en 2023 blijkt dat [partij 1] over deze jaren -zonder protest- een horecatoeslag over de verzekeringspremies heeft betaald. Zonder nadere toelichting van [partij 1] valt niet in te zien dat deze horecatoeslag in het jaar 2024 niet zou zijn verschuldigd. Het feit dat er vanaf 1 december 2023 in het gehuurde feitelijk geen restaurant meer werd uitgebaat, maakt het voorgaande niet anders. De vordering tot betaling van € 4.372,69 aan verzekeringspremies, te vermeerderen met handelsrente vanaf 6 februari 2024 is toewijsbaar.
4.17.
Door het opzeggen van de overeenkomst tot levering van de nutsvoorzieningen komt [partij 1] haar verplichtingen uit de huurovereenkomst -waarvan vaststaat dat deze ook na 1 december 2023 door is blijven lopen- niet na. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van de huurder om het gehuurde deugdelijk te onderhouden. Hieronder wordt mede verstaan het verwarmen van het gehuurde. De maandelijks kosten die [partij 2] maakt om het gehuurde deugdelijk te verwarmen kan [partij 2] dan ook op [partij 1] verhalen. Dit betekent dat de vordering tot het betalen van een bedrag van € 393,00 per maand vanaf 1 februari 2024 tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst toewijsbaar is. De gevorderde handelsrente is toewijsbaar vanaf de data van de facturen.
4.18.
[partij 1] is de partij die ongelijk krijgt en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.765,00
4.19.
[partij 1] wordt daarnaast veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De kosten in reconventie worden begroot op € 950,00 (2 punten × factor 0,5 × € 950,00).
Beoordeling
4.12.
De vordering tot betaling van een bedrag van € 14.501,98 per maand -per
1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst totdat [partij 1] het gehuurde heeft ontruimd, zal ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente is echter niet toewijsbaar over schade. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen.
4.13.
De kantonrechter zal [partij 1] veroordelen tot betaling van een drie huurtermijnen van € 14.501,98 per maand -per 1 december 2024 aan te passen met de contractuele indexering- als schadevergoeding. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [partij 2] een schade overeenkomende met drie huurtermijnen lijdt. Voor eventuele verdere toekomstige schade na de periode van drie maanden zal [partij 2] worden verwezen naar de schadestaatprocedure.
4.14.
[partij 2] vordert een contractuele boete van € 13.050,00 te vermeerderen met 2% per maand van het totaal verschuldigde met een minimum van € 113,45 per kalendermaand op grond van artikel 14.2 van de algemene voorwaarden. Anders dan [partij 2] betoogt, is [partij 1] over een achterstallige termijn niet iedere maand een boete van 2% met een minimum van € 113,45 verschuldigd. Het bedrag moet enkelvoudig worden berekend over het totaal aantal huurtermijnen dat open staat. Het boetebeding vormt in die uitleg een voldoende prikkel tot nakoming. Bij een cumulatie van boetes per maand, leidt het boetebeding tot een onredelijk hoog boetebedrag. In zoverre slaagt het verweer van [partij 1] dat de berekening van het boetebedrag onjuist is. De kantonrechter oordeelt dat het opleggen van de boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Door [partij 1] aangevoerde feiten en omstandigheden, kortgezegd dat zij de opzegging van de huurovereenkomst stilzwijgend heeft aanvaard, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De kantonrechter ziet evenmin aanleiding om de bedongen boete te matigen. Matiging is alleen aan de orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Dat is hier niet het geval. Door [partij 1] is niet weersproken dat zij in de periode december 2023 tot en met juli 2024 de huur niet (tijdig) heeft betaald. Het voorgaande betekent dat aan boete een bedrag van € 2.320,00 (8 maal € 290,00) toewijsbaar is.
4.15.
Hetgeen op grond van een boetebeding verschuldigd is, treedt ingevolge artikel
6:92 BW in de plaats van schadevergoeding op grond van de wet. Dat betekent dat nu de gevorderde boeterente wordt toegewezen, er geen grond is voor toewijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente over de te laat betaalde huurtermijnen.
4.16.
Omdat de huurovereenkomst nog loopt, stelt [partij 2] dat [partij 1] het huurdersdeel van de verzekeringen van € 4.372,69 voor het pand dient te betalen. [partij 1] betwist dat zij dit moet betalen. [partij 1] voert dat het gehuurde vanaf 1 januari 2024 niet meer in gebruik was als horecabedrijf en meent dat uit de uit de polissen evenmin blijkt dat een horecatoeslag van toepassing is. Nu de huurovereenkomst vanaf 1 december 2023 is doorgelopen en [partij 1] een restaurant exploiteerde, is de kantonrechter van oordeel dat het gehuurde ook in 2024 nog een horecabestemming had. Verder gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van [partij 1] dat er geen horecatoeslag over het jaar 2024 door haar betaald hoeft te worden, omdat dit niet blijkt uit de overgelegde verzekeringspolissen. Uit de door [partij 2] overgelegde facturen over 2022 en 2023 blijkt dat [partij 1] over deze jaren -zonder protest- een horecatoeslag over de verzekeringspremies heeft betaald. Zonder nadere toelichting van [partij 1] valt niet in te zien dat deze horecatoeslag in het jaar 2024 niet zou zijn verschuldigd. Het feit dat er vanaf 1 december 2023 in het gehuurde feitelijk geen restaurant meer werd uitgebaat, maakt het voorgaande niet anders. De vordering tot betaling van € 4.372,69 aan verzekeringspremies, te vermeerderen met handelsrente vanaf 6 februari 2024 is toewijsbaar.
4.17.
Door het opzeggen van de overeenkomst tot levering van de nutsvoorzieningen komt [partij 1] haar verplichtingen uit de huurovereenkomst -waarvan vaststaat dat deze ook na 1 december 2023 door is blijven lopen- niet na. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van de huurder om het gehuurde deugdelijk te onderhouden. Hieronder wordt mede verstaan het verwarmen van het gehuurde. De maandelijks kosten die [partij 2] maakt om het gehuurde deugdelijk te verwarmen kan [partij 2] dan ook op [partij 1] verhalen. Dit betekent dat de vordering tot het betalen van een bedrag van € 393,00 per maand vanaf 1 februari 2024 tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst toewijsbaar is. De gevorderde handelsrente is toewijsbaar vanaf de data van de facturen.
4.18.
[partij 1] is de partij die ongelijk krijgt en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.765,00
4.19.
[partij 1] wordt daarnaast veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De kosten in reconventie worden begroot op € 950,00 (2 punten × factor 0,5 × € 950,00).