Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:9603
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,920 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2910
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. F.E.R.M. Verhagen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S. Hyder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres in het kader van het recht op een uitkering op grond van de Participatiewet.
1.1.
Met het besluit van 17 juni 2022 (primair besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres beëindigd per 13 mei 2022 en over de voorliggende periode van 29 januari 2022 tot 13 mei 2022 ingetrokken. De ten onrechte ontvangen bijstand over deze periode is teruggevorderd tot een bedrag van € 4.682,78.
1.2.
Met het besluit van 5 april 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard, de nabetaling met de terugvordering verrekend en het primaire besluit voor het overige ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Met het besluit van 12 juni 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college het besluit van 5 april 2023 aangevuld. In dit besluit is nader toegelicht hoe het college tot een terugvordering van € 4.029,36 is gekomen. De rechtbank merkt dit besluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op dit besluit.
1.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Totstandkoming van het besluit
Relevante feiten en omstandigheden
2. Eiseres ontving vanaf 10 december 2021 samen met haar vaar voormalige partner een bijstandsuitkering.
2.1.
In verband met een aanvraag voor bijzondere bijstand in mei 2022 hebben zij bankafschriften aan het college overlegd. Het college heeft mede naar aanleiding daarvan een rechtmatigheidsonderzoek uitgevoerd. Eiseres en haar voormalig partner zijn gevraagd om diverse stukken, waaronder arbeidsovereenkomsten en salarisstroken vanaf 1 februari 2022 tot 1 mei 2022, uiterlijk 13 mei 2022 over te leggen.
2.2.
Eiseres en haar voormalig partner hebben de gevraagde stukken niet tijdig verstrekt. Het college heeft de bijstandsuitkering daarom per 13 mei 2022 opgeschort. Eiseres en haar voormalig partner hebben vervolgens nog tot 6 juni 2022 de tijd gekregen de gevraagde gegevens te overleggen.
2.3.
In het primaire besluit heeft het college aangegeven dat de inlichtingenplicht is geschonden en dat de bijstandsuitkering per 13 mei 2022 wordt beëindigd. Ook wordt over de voorliggende periode van 29 januari 2022 tot 13 mei 2022 de uitkering ingetrokken. De reden daarvoor is dat er sprake is geweest van verblijf in het buitenland voor onduidelijke perioden en dat er inkomsten zijn geweest die niet zijn gekort op de uitkering of inkomsten zijn geweest boven de van toepassing zijnde norm. Daardoor is er een te hoge bijstandsnorm ontvangen, dan wel is het vermogen niet vast te stellen. Verder heeft het college de bijstand over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van € 4.682,78. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bestreden besluiten
2.4.
Met het bestreden besluit 1 heeft het college de bezwaren van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan de hand van aanvullende bewijsstukken wordt uitgegaan van een verblijf in het buitenland in januari 2022 van 10 in plaats van 28 dagen. In de maand februari 2022 is eiseres niet in het buitenland geweest. Voor de maanden januari en februari bestaat daarom nog wel recht op bijstand, rekening houdend met de genoten inkomsten.
Tussen 1 maart 2022 en 13 mei 2022 zijn er volgens het college meer inkomsten geweest dan de voor eiseres en haar voormalig partner geldende norm. De uitkering wordt over deze periode teruggevorderd.
De maanden januari en februari 2022 worden herzien en de nabetaling ervan wordt aangewend om de terugvordering over de maanden maart 2022 tot en met mei 2022 te verlagen of te verrekenen.
2.5.
Met het bestreden besluit 2 heeft het college (in aanvulling op het bestreden besluit 1) het terug te vorderen bedrag van € 4.029,36 nader toegelicht.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de intrekking en terugvordering van de aan eiseres verleende bijstandsuitkering. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat onvoldoende duidelijk is over welke periode de bijstandsuitkering wordt teruggevorderd en tot welk bedrag er wordt teruggevorderd. Verder stelt eiseres dat het vrijlaten van de inkomsten, waartoe de Participatiewet de mogelijkheid biedt, ten onrechte door het college niet is behandeld in het bestreden besluit. Het college heeft volgens eiseres niet inzichtelijk gemaakt dat haar inkomen en dat van haar toenmalige partner boven de toepasselijke bijstandsnorm zouden uitkomen. Eiseres heeft (mogelijk) recht op een aanvullende bijstandsuitkering.
Beoordeling
5. De rechtbank stelt vast dat het geschil enkel nog ziet op de inkomsten die eiseres en haar voormalig partner hebben ontvangen uit arbeid. Het niet melden van de inkomsten uit arbeid en daarmee de schending van de inlichtingenplicht heeft het college ten grondslag gelegd aan de intrekking van de uitkering over de periode 29 januari 2022 tot 13 mei 2022, zo is ter zitting toegelicht. De rechtbank zal beoordelen of het college op juiste gronden de bijstandsuitkering heeft ingetrokken en tot terugvordering is overgegaan.
6. Een besluit tot intrekking of terugvordering van bijstand, zoals hier aan de orde, is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan, in beginsel op de bijstandsverlenende instantie. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
7. Vooropgesteld moet worden dat een bijstandsontvanger altijd voor de verlening van bijstand relevante zaken uit eigen beweging dient te melden aan het college. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is voor de beoordeling of betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven.
8. Niet in geschil is dat eiseres en haar toenmalige partner in de periode van februari tot en met mei 2022 inkomsten uit arbeid hadden. Inkomsten kunnen van invloed zijn op het recht op en de hoogte van de bijstandsuitkering. Door dit niet te melden heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden.
9. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking en beëindiging van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
10. Eiseres stelt dat zij en haar toenmalige partner weliswaar inkomsten uit arbeid hadden in de periode februari tot en met mei 2022, maar dat niet met zekerheid is te zeggen dat dit inkomen boven de toepasselijke norm uitkomt. Het college heeft volgens eiseres niet inzichtelijk gemaakt dat het inkomen wel boven de toepasselijke bijstandsnorm zou uitkomen. Eiseres stelt (mogelijk) recht te hebben op een aanvullende bijstandsuitkering. Verder voert eiseres aan dat een deel van de inkomsten vrijgelaten moeten worden.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat er vrijlating van een deel van de inkomsten op grond van artikel 31, eerste lid, onder n, van de Participatiewet plaats moet vinden. Het college heeft ter zitting uitgelegd dat het de werkwijze hanteert dat er geen vrijlating van inkomsten wordt toegestaan als de inkomsten niet tijdig zijn doorgegeven en de inlichtingenplicht is geschonden. Deze gedragslijn is geaccepteerd in de rechtspraak van de CRvB. De vraag of de vrijlating van de inkomsten uit arbeid bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling vergt namelijk een individuele beoordeling die vooraf of bij aanvang van de werkzaamheden plaatsvindt. Het inkomen uit arbeid kan dus volledig in aanmerking worden genomen.
12. De rechtbank stelt voorop dat in de Participatiewet uitgangspunt is dat het recht op bijstand per maand wordt vastgesteld. Per maand zal dan ook moeten worden berekend hoe hoog deze uitkering dient te zijn, waarbij de inkomsten die eiseres op een andere wijze heeft verkregen een rol spelen bij de vaststelling van de hoogte ervan.
13. Het college heeft uit de loonstroken van eiseres en haar toenmalige partner in de periode 1 februari tot en met 22 mei 2022 geconcludeerd dat sprake was van inkomsten. De overgelegde loonstroken gaan uit van loon per vier weken. Omdat de Participatiewet uitgaat van een uitkering per maand, heeft het college het vierwekelijkse inkomen berekend naar een maandbedrag en daarbij het vakantiegeld opgeteld. De berekeningsmethode die hierbij is gehanteerd is volgens de toelichting van de gemachtigde ter zitting als volgt. Het vierwekelijkse loonbedrag is gedeeld door vier om tot een weekbedrag te komen. Dit weekbedrag is vervolgens vermenigvuldigd met 52 om tot een jaarbedrag te komen. Vervolgens is dit jaarbedrag gedeeld door 12 om tot een maandbedrag te komen. Er wordt 5% vakantietoeslag berekend. Daarbij heeft de gemachtigde van het college ter zitting erkend dat in de maand mei 2022 abusievelijk de vakantietoeslag dubbel is gerekend.
14. De rechtbank wijst erop dat op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet inkomen wordt toegerekend naar de periode waarop dat betrekking heeft. Bij inkomsten uit arbeid is dat volgens vaste rechtspraak de periode waarin de werkzaamheden zijn verricht. De methode die het college heeft gehanteerd bij het omrekenen van het loon per vier weken naar een maandloon, gaat voorbij aan het uitgangspunt dat de inkomsten moeten worden toegerekend naar de periode waarin de werkzaamheden zijn verricht. Immers, met de berekeningsmethode van het college is het mogelijk dat inkomsten die zijn gegenereerd in een bepaalde periode, worden toegerekend aan een andere maand dan de maand waarin de werkzaamheden zijn verricht.
15. De door het college gehanteerde berekeningsmethode om het loon per vier weken om te rekenen naar het maandloon, maakt onvoldoende inzichtelijk of de inkomsten ook daadwerkelijk zijn toegekend aan de periode waarin de inkomsten zijn gegenereerd. Hierdoor is niet vast te stellen of het inkomen in een bepaalde maand boven de toepasselijke bijstandsnorm uitkomt en of eiseres mogelijk recht heeft op een aanvullende bijstandsuitkering. Het bestreden besluit is daarmee onzorgvuldig tot stand gekomen. De besluitvorming kent in zoverre een gebrek.
Herstellen van het gebrek
16. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
17. Het college zal een inzichtelijke berekening moeten maken van de toerekening van de inkomsten naar de maand waarin de werkzaamheden zijn verricht. Uit de urenspecificaties bij de loonstroken kan het college herleiden op hoeveel dagen in de betreffende maand is gewerkt. Aan de hand daarvan zal het college het maandloon kunnen berekenen. Daarbij zal het college ook de vakantietoeslag over de periode in geding in aanmerking moeten nemen en de (eventuele) gevolgen van de nieuwe berekening voor de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering.
18. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
19. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
20. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.
Dictum
De rechtbank:
draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 19 april 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het bijstandsverlenend orgaan op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de Participatiewet bepaalt dat niet tot de middelen van een belanghebbende worden gerekend:
inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 264,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling.
Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 54 van de Participatiewet luidt als volgt.
Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het bijstandsverlenend orgaan de kosten van de bijstand terug voor zover de aanvulling ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.
Bijvoorbeeld CRvB 9 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:20
Zie de uitspraak van 11 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1803.
Bijvoorbeeld CRvB 20 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:996 en CRvB 27 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:156