Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-27
ECLI:NL:RBZWB:2024:9566
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,212 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11040658 \ MB VERZ 24-437
CJIB-nummer : 4062 5422 5043 9677
uitspraakdatum : 27 december 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 27 december 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Richter te Werkendam (gemeente Altena) op 26 juni 2022 om 12:53 uur.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Volgens het juridisch kader, van feitcode R545, zijn er vier bestandsdelen waaraan cumulatief voldaan dient te worden. Een van die bestandsdelen is dat de verbalisant dient te controleren of het een echte telefoon betreft, maar heeft dat in dit geval nagelaten. Voorts stelt gemachtigde dat betrokkene niet is staande gehouden, maar dat uit het zaakoverzicht ook niet blijkt dat daar geen reële mogelijkheid voor was. De verklaring van de verbalisant is, volgens gemachtigde, ook niet op ambtseed afgelegd. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding, op eigen rekening, toe te wijzen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Dat de verklaring van de verbalisant waaruit blijkt dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was, is gelet op jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te summier. Aangezien het een zaak van meer dan twee jaar geleden betreft, ziet de zittingsvertegenwoordiger geen aanleiding om aan de betreffende verbalisant navraag te doen voor een aanvullend proces-verbaal.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaakoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat het veiligheidshalve niet mogelijk was. Naar het oordeel van de kantonrechter is deze reden te summier om van staandehouding af te zien. De boete is dan ook ten onrechte opgelegd aan de kentekenhouder. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen voor het indienen van het beroepschrift, te weten 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 359,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: