Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-27
ECLI:NL:RBZWB:2024:9560
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,046 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11163426 \ MB VERZ 24-784
CJIB-nummer : 7062 5422 5350 5469
uitspraakdatum : 27 december 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 27 december 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: een voertuig stil laten staan waar dat niet mag (bord E2, verbod stilstaan) op de Oranjeboomstraat te Breda op 24 september 2022 om 13:22 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene was niet op de hoogte van het nieuwe parkeerverbod en heeft geen bebording gezien. Daarnaast werd door de handhaver aangegeven dat er geen boete zou worden opgelegd. Over de termijnoverschrijding bij de officier van justitie voert betrokkene enkel aan dat hij zich ervan bewust is dat het beroepschrift bij de officier van justitie te laat is en hoopt dat de kantonrechter, vanwege de situatie van betrokkene, alsnog het beroep in behandeling wil nemen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren, omdat het beroep bij de officier van justitie niet tijdig is ingesteld en die termijnoverschrijding ook niet verschoonbaar is.
Overwegingen
De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingesteld.
De kantonrechter overweegt als volgt. Voor het instellen van beroep bij de officier van justitie geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Die termijn eindigde in dit geval op 22 december 2022. De officier van justitie heeft het beroepschrift echter pas op 1 januari 2023 ontvangen. Dat is te laat.
Artikel 6:11 van de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld. De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het te laat beroep instellen niet aan hem kan worden toegerekend.
De officier van justitie heeft het beroep dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen die beslissing is dan ook ongegrond. Dit betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan de beoordeling of de boete terecht is opgelegd.
Voorts kan worden gesteld dat bij een niet-ontvankelijk beroep bij de officier van justitie er geen gevolgen worden verbonden aan de schending van de hoorplicht of overschrijding van de redelijke termijn, want de voortgang van het proces is immers niet aan de orde, omdat bij een niet-ontvankelijkheid er in het geheel geen behandeling van het beroep plaats vindt.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Dictum
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: