Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-23
ECLI:NL:RBZWB:2024:9476
Strafrecht
Raadkamer
1,517 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezend ten kantore van mr. H.M. Dunsbergen op het adres: Postbus 4650
4803 ER Breda
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 29 september 2023 onder klager in beslag is genomen een geldbedrag ter hoogte van € 5.700,30 (hierna te noemen: het geldbedrag);
het klaagschrift, ingediend op 15 december 2023 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
het verweerschrift van het Openbaar Minsterie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 9 april 2024. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. M.E.W.G. Stals en mr. H.M. Dunsbergen als gemachtigd raadsman van klager.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat het geldbedrag afkomstig is van winst uit het casino en klager hier een concrete en verifieerbare verklaring over heeft afgelegd. Het is dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend over een witwasverdenking, het geldbedrag verbeurd zal verklaren. Daarbij is van belang dat klager verder geen uitnodiging voor een verhoor heeft ontvangen, maar klager bereid is om te verklaren.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat de verklaring van klager én overgelegde stukken ter onderbouwing onvoldoende concreet zijn om de legale herkomst van het geldbedrag aan te tonen. Het is dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend een verbeurdverklaring over het beslag zal uitspreken.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat bij de staandehouding van klager op 28 september 2023 naast een geldbedrag verschillende zakken met daarin verdovende middelen zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt ook de verklaring van klager over de herkomst van het geldbedrag. Namens klager zijn er in raadkamer schermafdrukken van overschrijvingen van geldbedragen overgelegd. De rechtbank stelt vast dat op deze schermafdrukken geen bankrekeningnummer, tenaamgestelde van de bankrekening, jaartal en de naam van het casino staat. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van klager over de herkomst van het geldbedrag op dit moment niet dusdanig concreet en verifieerbaar dat het hoogst waarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend geen verbeurd verklaring zal uitspreken.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 23 april 2024 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).